< Terug

Onbesneden

Karin Neutel is onderzoeker aan de Universiteit van Oslo en richt zich op de brieven van Paulus en hun receptie in de hedendaagse cultuur.

De term ‘onbesneden’ zal de meeste bijbellezers vertrouwd in de oren klinken. Misschien niet echt een woord waarover je veel nadenkt; sommige culturen doen aan besnijdenis, sommige mannen zijn besneden en anderen niet. Toch gaat achter dit woord een complex van gedachten schuil over mannenlichamen en hun betekenis voor sociale en religieuze verschillen.
Voor de schrijvers van bijbelse teksten was besnijdenis een veelal vanzelfsprekende norm en had ‘onbesneden’-zijn een negatieve lading

In de Verenigde Staten bestaat onder een kleine groep activisten verzet tegen het woord ‘onbesneden’. Niet zozeer in bijbelvertalingen, maar wel als aanduiding voor hedendaagse mannen die niet besneden zijn. De term wordt als een probleem gezien omdat die besnijdenis bevestigt als de norm, waar mannen aan gemeten worden: wel of niet besneden. Omdat deze ‘intactivisten’ juist uitgesproken tegenstanders zijn van met name de gangbare praktijk van medische besnijdenis van pasgeboren jongens – een praktijk die al meer dan een eeuw gebruikelijk is in de VS en nog steeds veel wordt uitgevoerd – bevechten ze ook de n terminologie. Zij gebruiken de term ‘intact’ in plaats van ‘onbesneden’.

Deze hedendaagse discussie is illustratief, omdat de schrijvers van bijbelse teksten, zowel van Oude als Nieuwe Testament, leefden in een cultuur waarin, net als in de VS vandaag, besnijdenis een veelal vanzelfsprekende norm was. Dat ‘onbesneden’ daardoor een negatieve lading had, zien we op een aantal manieren terug. In de bekende bijbelse figuur, de ‘onbesneden Filistijn’, klinkt ‘onbesneden’ als ‘onbehouwen’: iemand met een gebrek aan beschaving. Als Simpson aan zijn ouders vertelt dat hij een vrouw heeft gezien met wie hij zou willen trouwen, werpen zij tegen ‘Waarom zoek je een bruid bij die onbesneden Filistijnen?’ (Rechters 14,3). Die onbesnedenheid is hier natuurlijk niet direct een kenmerk van de vrouw zelf – het Hebreeuws spreekt over ‘voorhuidig’, een verwijzing naar mannelijke anatomie. Het zijn de geslachtsdelen van haar mannelijke volksgenoten en waar die voor staan, die haar maken tot een minder gewenste huwelijkskandidaat. ‘Onbesneden’ verwijst dus niet alleen naar een fysieke realiteit, maar ook, en vooral, naar een sociaal, cultureel en religieus verschil.

De negatieve lading komt ook naar voren in beeldspraak over andere ‘onbesneden’ lichaamsdelen, zoals hart, oren of lippen (Deuteronomium 10,16; Jeremia 4,4; Leviticus 26,41; Ezechiël 44,7.9; Jeremia 6,10; Exodus 6,12.30). Het Hebreeuws spreekt hier over de ‘voorhuid’ van het hart, of ‘voorhuidige’ oren, wat in vertalingen meestal verschuift naar ‘onbesneden’, of nog verder geïnterpreteerd wordt, zoals wanneer Mozes niet klaagt over ‘voorhuidige lippen’, maar zegt ‘ik kom immers moeilijk uit mijn woorden’ (NBV Exodus 6,12). Waar het Hebreeuws op wijst is dat de voorhuid, die werd weggesneden in besnijdenis, kon worden opgevat als een problematisch element, dat verwijderd moest worden om een goede relatie tot God of een goed functioneren mogelijk te maken.

Deze negatieve connotaties verdwijnen vaak naar de achtergrond bij de interpretatie van Paulus’ uitspraken over besnijdenis. In vertalingen van Paulus’ brieven komt het woord ‘onbesneden’ geregeld voor, maar het is belangrijk om te weten dat het onderliggende woord bij Paulus ook, net als vaak in het Hebreeuws, ‘voorhuid’ is. Het Grieks had wel degelijk een woord voor ‘onbesneden’, maar dat woord gebruikt Paulus niet. Dat lijkt misschien een klein verschil: als een man niet besneden is heeft hij waarschijnlijk een voorhuid. Maar de vertaling zet ons als lezers, vooral in een cultuur als de onze, waar besnijdenis de uitzondering is en niet de regel, op het verkeerde been. Zeker als ‘voorhuid’ helemaal uit de vertaling verdwijnt en een uitspraak als ‘in Christus Jezus maakt besnijdenis noch voorhuid iets uit’, wordt weergegeven als ‘in Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is’ (NBV Galaten 5,6; ook 1 Korintiërs 7,19). Deze vertaling leidt al snel tot de gedachte dat besnijdenis het probleem is waar Paulus zich mee bezig houdt: is besnijdenis wel goed, is het wel nodig? ‘Onbesneden’ klinkt voor ons neutraal, als de uitgangspositie wanneer je niets doet. Toch is het ook hier belangrijk om de negatieve lading die we in het Oude Testament zagen, als het gaat over niet-besneden zijn en de voorhuid, in gedachten te houden. Wat in de vertaling verloren gaat, is dat Paulus hier taalvernieuwend bezig is: geen enkele andere Griekse auteur gebruikt het woord ‘voorhuid’ op zo’n nadrukkelijke en vaak metaforische manier. Paulus speelt met de associaties die verbonden zijn aan besnijdenis en voorhuid, bijvoorbeeld in Romeinen: ‘Besnijdenis heeft nut als je je aan de wet houdt. Maar wanneer je een overtreder van de wet bent, wordt je besnijdenis dan geen voorhuid? Als de voorhuid de geboden van de wet houdt, zal zijn voorhuid dan niet beschouwd worden als besnijdenis?’ (Romeinen 2,25-26). Paulus gaat hier dus uit van de negatieve associatie die aan ‘voorhuid’ is verbonden, namelijk het overtreden van de wet. Besnijdenis, als realiteit en als beeldspraak, is juist geassocieerd met het houden van de wet. Toch kunnen ook onbesneden – niet-Joodse – mannen de wet houden, maar dan is het alsof ze besneden zijn, en ook besneden – Joodse – mannen kunnen de wet overtreden, maar dan is het alsof ze een voorhuid hebben.

Mannelijke geslachtsdelen staan centraal en vormen het symbool voor het goede nieuws voor de volken in de nieuwe messiaanse tijd.

Dat besnijdenis bij voorbaat positief is en voorhuid verdacht, blijkt ook uit de vraag die Paulus in Romeinen 4 stelt. Na een citaat uit Psalm 32 over de zegen van God vraagt hij: ‘is deze zegen voor de besnijdenis, of ook voor de voorhuid?’ Dat eerste is vanzelfsprekend, het tweede gaat hij vervolgens beargumenteren. Abraham was ‘in voorhuid’ toen hij door zijn vertrouwen op God gerechtvaardigd werd en ontving besnijdenis als teken van dat vertrouwen ‘in de voorhuid’. Daarom is hij de vader van alle gelovigen, zowel wie uit de besnijdenis is, als wie net als Abraham gelooft ‘in voorhuid’ (Romeinen 4,9-12). Deze achtergrond laat zien dat Paulus het beeld dat ‘voorhuid’ problematisch is, wil bevechten, wat past in zijn met passie verkondigde boodschap dat niet-Joodse mannen zich niet hoeven te laten besnijden om bij de kinderen van God en de kinderen van Abraham te horen. Nu hebben we zoals gezegd geen enkele andere Griekse tekst waarin op deze manier over ‘voorhuid’ wordt gesproken, als een metafoor voor niet-Joden. Laat staan dat iemand op een negatieve manier over niet-Joden als ‘voorhuid’ spreekt en om die reden besnijdenis aanbeveelt. Het is alleen Paulus die strooit met deze term en de tegenstelling tussen besnijdenis en voorhuid op de spits drijft, om vervolgens te zeggen dat de tegenstelling er niet toe doet. Met nadruk wil hij stellen dat ‘de voorhuid’ nu, in de messiaanse tijd, ook bij God kan horen. Dat ‘besnijdenis noch voorhuid iets uitmaakt’ trekt niet de waarde van besnijdenis in het algemeen in twijfel, maar is vooral bedoeld als een positieve, inclusieve boodschap voor niet-Joden, een boodschap die Paulus kan samenvatten als ‘het evangelie voor de voorhuid’ (Galaten 2,7).

Mannelijke geslachtsdelen staan hier dus centraal en vormen het symbool voor het goede nieuws voor de volken in de nieuwe messiaanse tijd. Wat dit alles betekent voor vrouwen komt in de brieven niet aan de orde. Waarschijnlijk was hun positie, net als bij de bruid van Simpson, gewoon afgeleid van die van de mannen om hen heen. Ook deze genderaspecten en het feit dat het specifiek mannen zijn die de nieuwe werkelijkheid ‘in Christus’ belichamen, blijft bij lezers van Paulus’ brieven vaak onopgemerkt.

Er gaat dus veel schuil achter de onopvallende term ‘onbesneden’. Een complex van gedachten over mannelijke anatomie, ritueel, identiteit, en sociale en religieuze verschillen. We zijn niet zo gewend om op deze manier naar mannenlichamen te kijken en het is misschien geen wonder dat vertalers en exegeten een beetje in verlegenheid raken en al die verwijzingen naar mannelijke genitaliën liever verdoezelen achter ‘onbesneden’, of ‘wel of niet besneden’. Maar deze verhullende vertaling heeft in het geval van Paulus wel bijgedragen aan de misinterpretatie van zijn boodschap als anti-Joods en anti-besnijdenis en verbloemd hoezeer hij mannen centraal stelt.

< Terug