< Terug

Oordeel

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Wat is jouw oordeel daarover?’ Hiermee vragen we naar iemands mening, in neutrale zin. In het godsdienstige taalgebruik echter denken we bij oordeel al snel aan het oordeel van God en daarmee bedoelen we dan meestal veroordeling; daarom heeft het woord een donkere, dreigende klank. Er wordt niet veel gepreekt en gesproken over het oordeel van God, het laatste oordeel of gericht. Sommigen vragen zich af hoe Gods oordeel met zijn liefde is te rijmen. Hoewel het thema door de hele Bijbel regelmatig voorkomt en onlosmakelijk verbonden is met het geheel van de Godsopenbaring, weten vele christenen er niet goed weg mee, en dat geldt in sterkere mate in contacten met niet-christenen. In het verleden kan het oordeel misbruikt en te veel gebruikt zijn, nu is het een onderbelicht kernbegrip.

Woorden

‘Oordeel (vellen)’ is de vertaling van Hebreeuwse woorden als sjafat/misjpat, dien enpaqad. Hedendaagse vertalingen hebben als alternatieven: ‘straffen’, ‘vonnissen’, ‘recht doen’. Soms omvat sjafat ‘regeren’. Deze brede joodse achtergrond speelt waarschijnlijk nog mee in Matteüs 19:28 en Lucas 22:30. De woordgroep sjafat is rijker en positiever dan de meeste vertalingen doen vermoeden (de Septuagint incluis).

In het Nieuwe Testament gaat het meestal om de stam krinein – krisis die onder andere ‘scheiden’, ‘oordelen’ aanduidt (zie hieronder) of dokimadzein, ‘toetsen’, ‘op de proef stellen’ (bijv. 1 Petr. 1:7), al of niet verbonden met de toekomende toorn, orgè.

Betekenis in context

Oude Testament

Gods recht

Gods oordeel is zijn reactie op menselijk handelen, is onderdeel van Gods rechtvaardig regeren en staat nooit los van zijn barmhartigheid. ‘Al zijn wegen zijn recht, een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij’, zingt het lied van Mozes (Deut.32:4).

Dit houdt zowel straf in voor wie Gods wetten overtreedt, als loon en zegen voor wie de Here vreest. God laat de onderdrukkers niet vrijuit hun gang gaan. Hij doet recht aan de verdrukten (Ps. 76:9). Oordeel houdt hier in dat Hij het recht – hun recht en tegelijk zijn recht – handhaaft. Hij komt om te richten, dat is: de dingen recht te zetten. Gods oordelen heeft dus vaak een positieve, herstellende bedoeling. In een groot aantal teksten zijn redding en Gods gericht/gerechtigheid nauw verbonden (o.a. Ps. 71:15; Jes. 1:27; 45:21; 59:16). Denk ook aan de uittocht (Ex. 6:6, 12:12).

Gods oordelen is rechtvaardig en onpartijdig: Hij veroordeelt en bestraft het ongeloof en sociale onrecht, zowel van Israël als van de omringende volken. Ezechiël benadrukt dit sterk; ‘en zij zullen weten dat Ik de Here ben’. Hij ziet de ballingschap als Gods oordeel over Israëls ongehoorzaamheid (Ez. 5:8vv).

‘Oordeel’ hangt samen met Gods rechtvaardig handelen. De goden van de heidenen waren wispelturig en onvoorspelbaar; hun aanbidders konden nooit weten wat ze precies moesten doen en of wat ze deden hun goden zou bevallen. De Israëlieten echter wisten dat hun God rechtvaardig is en ook rechtvaardigheid van zijn volk verlangt.

Menselijk oordeel

Zoals bij de Here oordelen, richten en regeren samengaan, zo ook bij de aardse rechters. Veelal was de koning tegelijk rechter. De personen die wij richters of rechters noemen, waren zowel bezig met regeren en bevrijdend rechtzetten als met rechtspreken (zie Ri. 16:31 ‘richten’ of ‘leiding geven’). Al deze samenhangende aspecten worden uitgedrukt door het Hebreeuwse misjpat/sjafat.

Omdat de Here de God van Israël is, moeten zij Gods verordeningen – of letterlijk: ‘oordelen’ – volbrengen (Lev. 18:4). Het recht en gericht is van God, maar elk lid van Gods volk moet handelen in een gegeven situatie zoals God zou doen, in navolging en in naam van God. (Dezelfde gedachte in Lev. 19: in onze omgang met de naaste komt tot uiting dat we de Here kennen als onze God en worden we geroepen zijn karakter te weerspiegelen.) Dit is vooral de roeping van de koning: ‘Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks, Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker’ (Ps. 72:4, zie 1 Kon. 3:28).

Er moet worden geoordeeld en rechtgesproken op onpartijdige wijze, ook voor armen, vreemdelingen en vijanden (Ex. 23:1-9). Er moet gelijkwaardigheid bestaan tussen de overtreding en de opgelegde straf.

Toekomstig oordeel

In het Oude Testament neemt het goddelijk oordeel veelal de vorm aan van aardse zegen (bijv. oogst, nationale veiligheid) of straf (aardbeving, ballingschap, plagen etc.). De Hebreeuwse bijbel benadrukt het oordeel in de geschiedenis, terwijl het Nieuwe Testament vooral het oordeel in de eindtijd belicht. Onder de profeten heeft God zijn volk meer en meer geopenbaard over de komende Dag des Heren. Dan zal de Here gericht oefenen over al wat leeft (Jes. 66:16). Die dag is een ‘dag’ van oordeel en bevrijding. Hoewel vele Israëlieten dachten dat het oordeel alleen voor de heidenen zou zijn, prikt onder anderen Amos deze valse zelfverzekerdheid door: Gods volk zelf zal ook door het oordeel heengaan (5:1820). Gods oordeel werd aangekondigd en verwerkelijkt in de ballingschap en verwoesting van de tempel. Het oordeel gaat over het hele volk, maar er zal ook een rest gelouterd uit het oordeel komen. De ootmoedige en gehoorzame rechtvaardigen zien er met verwachting naar uit om God te ontmoeten en gerechtigheid te leren (Jes. 26:8, 9).

Psalm 96:11-13 en 98:8-9 roepen de hele aarde op zich te verheugen nu God komt als Koning om de aarde te richten. Dit zou vreemd zijn als het alleen om straffen gaat, maar wordt begrijpelijker als we beseffen dat Gods oordelen ook rechtzetten en bevrijden inhoudt.

Nieuwe Testament

Rol vanJezus

Het nieuwtestamentisch spreken over Gods oordelen sluit nauw aan bij wat het Oude Testament zegt over God als rechter. Opvallend nieuw is de rol van Jezus in het eindge-richt. ‘God heeft een dag bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, (… ) door Hem uit de doden op te wekken’ (Hand.17:31). God zal de aarde, dat is: de hele mensheid, oordelen en doet dat door middel van Jezus Christus de Opgestane. Jezus neemt de traditioneel aan God toegeschreven taak over en is aangesteld tot rechter over levenden en doden (Hand. 10:42, zie ook Joh. 5:22).

Zijn rol lijkt zowel op die van rechter als die van advocaat/getuige ä décharge, tenminste voor allen die Hem belijden voor de mensen (Mat. 10:32). Voor hen zal het eindgericht de verlossing brengen uit de verdrukkingen (Luc. 21:28). Dit is voor hen des te zekerder, omdat het laatste oordeel aan Hem toevertrouwd zal worden (Mat. 7:22; 16:27; 25:31-46; 26:46). Gemakkelijk ‘verdwalen’ we in het doordénken van Gods oordeel, tenzij Jezus ons als de Weg er doorheen leidt.

Oordeel nu

Hoewel de nadruk vooral op het uiteindelijke, zogenaamde laatste en algemene oordeel ligt, ontbreken toch niet geheel oordelen van God binnen de grenzen van het mensenleven. De oneerbiedige en asociale manier waarop sommigen in Korinte de maaltijd des Heren vieren, brengt over hen een (niet: het!) oordeel van God. Dit bestaat in de afkeuring van God, die resulteert in ziekte, zwakte en zelfs overlijden (1 Kor. 11:29-34). Dit oordeel van God in de tijd is een tuchtiging of correctie, ‘opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden’ in het laatste oordeel.

Het Johannesevangelie benadrukt op geheel eigen wijze dat het oordeel in zekere zin nu al voltrokken wordt. De ontmoeting met Christus is volgens het Grieks krisis of ‘oordeel’: het kritische moment waar alles op aankomt. ‘Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos’ (3:19). Het oordeelsproces is al begonnen: zij die niet in de Zoon geloven, zijn al geoordeeld (vs. 18), maar wiezijn ‘woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven’ (5:24). De uitspraak op de oordeelsdag bevestigt slechts de keuze die mensen op leven of dood hebben gemaakt in de ontmoeting met Christus. Nieuw is ook dat het oordeel verbonden is met het kruis van Christus. Hier zal de ‘overste van deze wereld’, satan, geoordeeld en buitengewor-pen worden (12:31; 16:11).

Ten slotte kunnen Handelingen 5:1-11; 13:812; 19:13-17; Romeinen 1:18-31; 1 Petrus 4:17 genoemd worden als voorbeelden van Gods oordeel dat nu al werkzaam is.

Oordeel naar werken

Wat is het criterium in het eindoordeel als alle mensen voor de Rechter van hemel en aarde verschijnen? Christus waarschuwt: ‘(ver)oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt’ (door God); want met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden’ (Mat. 7:1, 2; zie Jak. 4:11). ‘En zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken’ (Op. 20:12). Alles wat een mens verricht heeft in zijn leven staat in een boek, maar er verschijnt ook een ander boek: het boek des levens. Dit boek behoort aan het Lam en bevat de namen van allen die in Hem geloven.

Iets soortgelijks zegt Paulus in Romeinen 2:12-16. God zal het gedrag van allen beoordelen volgens de geopenbaarde of in het hart geschreven wet en zal het in de mensen verborgene tevoorschijn brengen en beoordelen: gedachten, intenties enzovoort. Tegelijk zal de Here oordelen ‘naar mijn evangelie, door Christus Jezus’. De respons van iedere persoon op het evangelie en de verkondigde Heer is doorslaggevend.

Is het oordeel ‘naar werken’ of ‘naar geloof? Naar beide, want het geloof zonder werken is dood. De daden van barmhartigheid en liefde zijn vrucht en bewijs van de relatie met Christus. Ook de gelovigen moeten voor de rechterstoel verschijnen, maar mogen weten niet veroordeeld te worden (Rom. 5:9; 8:1 en33-4; Joh. 5:24).

Laatste oordeel

Zoals het uiteindelijke criterium in het oordeel de relatie met Jezus Christus is, zo wordt ook de uitslag van het oordeel uitgedrukt in termen van relatie met Hem: gemeenschap met Hem en ‘voor altijd met de Here zijn’ of verwerping van zijn aangezicht, komen in of verdwijnen uit Gods aanwezigheid.

Dit laatste oordeel is eeuwig of onomkeerbaar. Het is definitief en algemeen, over heel de mensheid en over ieder afzonderlijk. Er zijn slechts twee ‘uitslagen’ mogelijk: behoud of verlorenheid (Mar. 9:42-48). Meermalen wordt het heil van de gelovigen ‘redding van de toekomende toorn’ genoemd (Rom. 5:9; Ef. 2:3; 1 Tess. 1:10; 5:9).

De ‘dag van de Heer’ wordt nu ook toegepast op Christus (zie hierboven). Zijn komst zal het begin betekenen van de oordeelsdag (Mat. 25:31-46; 1 Kor. 4:3-5; 2 Tess. 1:6-10). De grote scheiding gaat dwars door Israël, de volken en de gemeente heen (Mat. 7:21-3; 18:21-35;25:1-30).

Hoewel het oordeel in zekere zin al in dit leven valt, is het laatste oordeel toch belangrijk omdat dan publiekelijk Gods recht aan het licht zal komen en ook de verdrukten om Christus’ wil gerehabiliteerd zullen worden. Het is de uiteindelijke bevestiging van de geloofs- of ongeloofshouding van iedereen en zal de volkomen verlossing van de schepping en de gelovigen inluiden.

Dit oordeel wordt met allerlei beelden beschreven: een louterend vuur, brandend universum, eindstrijd, eeuwige dood, rechtszaak.

Implicaties

Door het oordeel heen komt Gods nieuwe wereld. Referentie aan het oordeel van God is nooit een losstaand thema, maar geeft nadruk aan de oproep tot bekering en tot voortgaande heiliging. Een voorbeeld is Jakobus 5:8, 9: ‘Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij. Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur.’

Dit geeft een diepe ernst en toewijding aan het christelijke leven (2 Kor. 5:10, 11) en tegelijk een sterke impuls voor evangelisatie en zending. De oproep tot bekering en waarschuwing voor het komende oordeel gaan samen in de evangelisatiepreken van Handelingen (o.a. 2:38-40; 3:19; 10:42; 11:18; 17:30-1; 26:19-20). 1 Petrus 1:17 spoort aan met ‘vreze’, dat is: eerbiedige gehoorzaamheid te leven totdat de gelovigen ‘thuiskomen’. Deze spanning blijft staan, maar laat onverlet het vertrouwen om zelfs met verwachting uit te zien naar onze Redder-Rechter. Hij heeft het oordeel van God voor de zijnen gedragen en weggedragen (Mar. 10:45; 14:36; 15:34). Daarom overheerst de troost en hoop.

Kern

Waar de Bijbel zo veelvuldig over Gods oordeel, gericht en rechtzetten spreekt, mag dit niet ontbreken in prediking, onderwijs en getuigenis. Maar dan wel zoals de Schrift het doet: verbonden met Gods rechtvaardige en liefdevolle hart zoals dat vanuit de hele bijbelse geschiedenis, maar vooral in Christus wordt gekend. Het oordeel van God is genadiger en tegelijk rechtvaardiger dan dat van de mensen. Toch blijft deze woordgroep een ernstige klank houden. ‘Maar wie deze donkere ondertoon wegneemt, tast de ernst en het respect aan waarmee God in zijn liefde op ons mensen ingaat’ (H. Berkhof).

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: dag van de Heer, recht, verlossing.

< Terug