< Terug

Preekschets 2 Samuël 1:11,17

Tiende zondag van de herfst

2 Samuël 1:11,17

Toen greep David zijn klederen en scheurde ze; en alle mannen die bij hem waren, evenzo (…) En David zong dit klaaglied over Saul en zijn zoon Jonatan…

Schriftlezing: 2 Samuël 1: 1-12, 17-27

Het eigene van de zondag

Algemeen: ook genoemd derde zondag van de Voleinding, tiende zondag van de herfst, laatste zondag van het kerkelijk jaar. Hier behandeld als dienst van gedenken van de overledenen.

Specifiek: derde van drie diensten rond Davidverhalen. Zie verder de informatie bij zondag 8 november.

Uitleg

2 Samuël 1 is literair gezien niet zozeer een nieuw begin, maar eerder de afsluiting van de laatste hoofdstukken van 1 Samuël, over Davids verblijf te Ziklag en Sauls strijd met de Filistijnen op het gebergte Gilboa. Opvallend is, dat in 2 Samuël 1 de andere twee zonen van Saul naast Jonatan niet meer genoemd worden.

Werd er aan het begin van de verhalen over David verteld dat hij muzikaal talent had, pas na de dood van Saul en Jonatan lezen we voor het eerst woorden van een lied. Het eerste lied dat we werkelijk te horen krijgen is een klaaglied over de gezalfde en zijn zoon. Het lied is vorm gegeven met zeven strofes in drie stanza’s. De eerste en derde vormen in mineur een klacht, terwijl de tweede in majeur de grote daden van de helden bezingt. Wat of wie tsevi (sieraad/gazelle, vs 19) is, blijft aan het begin van het lied raadselachtig. Als vers 19-21 (eerste stanza) het spiegelbeeld vormen van vers 24-27 (derde stanza), rondom het centrum vers 22-23 (tweede stanza), dan is aan het slot duidelijk dat dit begin slaat op Jonatan. Davids liefde voor Jonatan is de alfa en omega van het lied (Fokkelman). Het schild is (vers 21) niet ‘weggeworpen’ (NBG), maar ‘bezoedeld’ (Fokkelman); het ‘met olie bestrijken’ van het schild bevordert het afketsen van wapens, maar er klinkt in het werkwoord een toespeling op de status van gezalfde door. Het lied onderstreept zo Davids in vers 14 en 16 betuigde respect voor wie gezalfd is.

Aanwijzingen voor de prediking

1.
‘Ik neem het de lente niet kwalijk
dat ze weer is aangebroken (…)
Ik neem voor kennisgeving aan
dat het – alsof je nog leefde –
bij de oever van een zeker meer
nog even mooi is als het was. (…)
Ik kan me zelfs voorstellen
dat op dit ogenblik
een ander stel dan wij
op de omgevallen berkenstam zit.
Ik respecteer hun recht
om te fluisteren, te lachen
en gelukkig te zwijgen.(…)

Met één ding ga ik niet akkoord.
Met mijn terugkeer daar(…)
Ik heb je net genoeg overleefd,
en niet meer,
om er van verre aan te denken’
(‘Afscheid van het uitzicht’, Wislawa Szymborska, Einde en begin. Gedichten 1957-1997, Amsterdam 1999. 257 v).

Verdriet om verlies kan niet worden verdrongen maar moet tot uiting worden gebracht, hoe moeilijk het ook is. Als dat ergens duidelijk wordt, dan wel in het klaaglied van David, waarmee hij zijn toekomstige volk voorgaat. de weg naar de troon ligt open. De koning is dood, leve de koning, is dan het meest voor de hand liggende refrein. Maar de eerste daad van de guerrillaleider uit de woestijn is als voorzanger optreden in de première van een eigen liedcompositie. Kwam David het leven van Saul binnen als speelman met de citer, nu omgekeerd Saul uit het leven van David verdwijnt, horen we opnieuw snarenspel met eindelijk ook gezongen woorden van een lied. Het zou een marslied van een overwinnaar kunnen zijn, maar het is het hartverscheurende klaaglied van een verliezer. Deze ruig getoonzette ‘psalm’ toont een diepgewonde man. Hij hangt niet de onkwetsbare held uit en maakt van zijn Godsgeloof niet een spiritueel of filosofisch kunstje dat hem in staat stelt onaangedaan te blijven bij een groot verlies. Het gebeurde kan en mag niet waar zijn. De enige manier om zich met het onmogelijke te verzoenen lijkt die van het protest tegen, en de ontkenning van de dood te zijn. Klinkt daar vrees voor de toekomst in door?

Zo past het ook de gemeente van de Heer de geleden verliezen te benoemen. Het jaarlijkse moment van het noemen van de namen van overledenen herinnert aan verlies, misschien wel heel pijnlijk, en bepaalt je ook bij je eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid. Het is goed om een dergelijk moment te hebben en daarbij niet toe te geven aan de aandrang van buitenaf en van binnenuit, om pijn te verdoven, zo snel mogelijk weg te masseren en een altijd vrolijk halleluja-zingende gemeente te zijn. Zelfs Jezus weende aan het graf van zijn vriend. Van de dood hebben we niet zo maar wat terug.

2. Maar zijn het geen krokodillentranen die David huilt? Is het geen slimme publiciteitsstunt en een berekende zet om tegenstanders voor zich te winnen? zijn de gevoelens echt? Die vraag doet er niet toe. Mogelijke gevoelens van wrok en verbittering om het leed dat is aangedaan, staan wel op de achtergrond, maar worden daarmee niet ontkend. Aan het einde telt het hele verhaal van die ander en niet het halve. Wat het verlies voor hemzelf betekent wordt ondergeschikt gemaakt aan en ingebed in wat het betekent voor anderen. David kijkt vanuit het perspectief van de geschiedenis van Israël, Gods volk, met zijn vijanden. Om het niet naar de Filistijnen te laten gaan, heeft een Messias hier het offer van zijn leven samen met anderen gebracht. Op deze manier vindt hier pastorale hulp bij verliesverwerking plaats. In het perspectief van Gods verbondsgeschiedenis kunnen zij die smadelijk gesneuveld zijn niet anders dan helden van die geschiedenis zijn die nu verdienen op het schild geheven te worden. Wenen en weeklagen is dan zo gezien een vorm van danken voor wat de Eeuwige gegeven heeft in hen die ons ‘voorgingen’. En daar past ook bij dat fouten en tekortkomingen – hier die van Saul vergevingsvol bedekt worden met de mantel der liefde; zij hebben niet het laatste woord. Ondertussen betekent dit niet dat de persoonlijke gevoelens ontkend worden. Dat Jonatan uiteindelijk van David meer eer krijgt dan Saul, herinnert juist subtiel aan de hele pijnlijke geschiedenis van David met de laatste.

3. Voor rouwen is moed nodig. Speelt de voorganger in rouwbeklag geen hoog spel door grote golven van emotie bij zichzelf en anderen op te wekken? Wordt hier niet een gevaarlijk gevoel van machteloosheid aangewakkerd? Het gaat veeleer om het voelen van echte diepte in wat je overkomt. Verdieping brengt dichter bij de bron. Warme tranen wellen immers uit dezelfde bron op als waaruit de kracht weer geput moet worden om verder te gaan. Als niet gekwetste narcistische zelfliefde maar echte genegenheid en respect voor de ander de bron is van verdriet, zijn we dichtbij God die zelf liefde is. Dat we niet zijn als degenen die geen hoop hebben, lijkt ook de veronderstelling van 2 Samuël 1. Het is het perspectief van de hoop op een God die eens alle tranen van de ogen afwist. En hoe kan God tranen drogen als wij niet bereid zijn verdriet te hebben om wat onszelf en anderen overkomt in deze wereld. Alleen tranen die gehuild worden en die niet voorbarig door anderen worden afgewist met misplaatste troostwoorden en goedkope adviezen, kunnen door God zelf worden afgewist. Verdriet toelaten is de keerzijde van geloof in komende troost. Maar van het troosten is in de bijbel God meestal het onderwerp. We dienen Gods troosten dan vooral als we bij onszelf en elkaar en anderen in de wereld om ons heen verdriet openhouden!

4. In de bijbel is het klaaglied om Saul en Jonatan opvallend genoeg niet het slot van hun geschiedenis maar de opmaat van een nieuw verhaal. Het rijk van messias David gaat nu beginnen. David prijst de mannen van Jabes om de laatste eer die ze bewezen aan Saul en de zijnen dool hen te begraven later in het Jodendom een van de werken van barmhartigheid geworden. Er kunnen bloemen bloeien, ook op hun graf. Ze zijn zaad in de akker van het beloofde land dat vrucht draagt, niet in het minst ook omdat hun werk, voor zover het Gods opdracht is, doorgaat. Israël staat zelfs op de drempel van een gouden eeuw. Zo klinkt ook hier het evangelie in door van een God die geen God van doden is maar van levenden. Niet zonder hen, verenigd met Messias Jezus, komt zijn Rijk van vrede en gerechtigheid!

5. Een moeder was ontroostbaar over het verlies van haar kind. Ze moest elke dag naar zijn grafje en kon nergens anders over praten. De bron van tranen bleef maar stromen. Tot zij een droom kreeg. Zij zag een stoet blije kinderen, getooid in de mooiste kleren, op weg naar de hemel. Ze zag er alleen haar kindje niet bij. Ze vroeg in de droom aan de laatste engel: ‘waarom is het mijne er niet bij?‘Dat ligt nog beneden,’ was het antwoord. ‘Hij kan nog niet komen. Zijn hemdje wordt steeds nog nat van uw tranen.’ Toen begreep ze dat ze haar kind ook innerlijk moest loslaten en aan God moest overgeven, wilde ze verder kunnen, en kon ze haar tranen drogen.
(Casper van Woerden, Soms helpt een verhaal, Zoetermeer 1990,81 v)’

Liturgische aanwijzingen

Eventueel doorlezen tot en met 2:7. Lezingen uit het Nieuwe Testament: Johannes 11:33-40 en/of Openbaring 21:1-5.

Worden overleden gemeenteleden herdacht door het voorlezen van hun namen, dan kan vooraf of daarna een gedicht een plek krijgen. Voorbeelden: Hanna Lam, ‘De mensen van voorbij’, in: Met andere woorden; Guillaume van der Graft, ‘Gij kent de stille doden’, in: Mythologisch, 183.

Liederen: Psalm 139;89:14,15,16; Gezang 29;273; 223; 294; 489; Alles wordt nieuw IV, 6; Zingend Geloven V, lied 62.

Geraadpleegde literatuur

< Terug