< Terug

Preekschets Ester 4:16

Ester 4:16

Ga heen, vergader al de joden die zich in Susan bevinden, en vast om mijnentwil: eet noch drinkt drie dagen, zo min des nachts als des daags.

Schriftlezingen: Genesis 18:22-33; Ester 4:1-17; Matteüs 5:13-16

Het eigene van de zondag

De tekstkeuze voor deze en drie andere zondagen is bepaald door een continu-lezing van het boek Ester, waarvan een serie van vier schetsen wordt gegeven (zie ook: Preekschets Ester 3:7, Preekschets Ester 5:7,8 en Preekschets Ester 6:11).

Uitleg

Hoe Mordekai te weten kwam dat in het vorige verhaal was besloten alle joden uit te roeien, wordt niet verteld. Het in vers 1 van Mordekai vermelde ‘scheuren van kleren’ en het zich ‘inzak en as hullen’ wordt in de bijbel als een uiting van verdriet en verootmoediging gezien. Met een rondgang door het midden van de stad toont Mordekai iedereen wat hem bezighoudt. Zijn luid en bitter schreeuwen is een uiting van protest na een onrechtvaardige behandeling (vgl. Gen.27:34). Met het in vers 2 vermelde ‘tot voor de poort van de koning’ gaan, wordt de aandacht van het personeel van Ester op de handelwijze van Mordekai gevestigd.

Het eerder verhaalde optreden van Mordekai wordt volgens vers 3 door alle joden overgenomen. De grote wanhoop die zij daarbij tonen, wordt met vijf woorden aangegeven, namelijk met ‘rouw’, ‘vasten’, ‘geween’, ‘geklaag’ en ‘zak en as’: Daarvan kan vooral het vasten, dat vaak samen gaat met een aanroepen van God, als een godsdienstige handeling worden beschouwd.

Terwijl alle joden en Mordekai klagen en vasten, weet Ester nog nergens van. Wanneer Ester in vers 4 via haar personeel hoort wat Mordekai doet, stuurt zij hem kleren die hij echter weigert aan te nemen. Dit heeft tot gevolg dat Ester wil weten wat er precies aan de hand is.

Daarom stuurt Ester in vers 5 Hatak om nadere informatie aan Mordekai te vragen. Via deze tussenpersoon vertelt Mordekai: ‘alles wat hem is overkomen’. Met dit ‘alles’ zijn dan wel de eerder in Ester 3 beschreven gebeurtenissen bedoeld. Mordekai weet dan in vers 7 zelfs het in 3:9 vermelde ‘precieze bedrag aan zilver’ te noemen, wat alleen aan de koning en Haman bekend kan zijn! Een afschrift van het ‘geschreven decreet’, dat volgens vers 8 aan Ester wordt overhandigd, onderstreept de ernst van de ontstane situatie. Belangrijk is verder dat Mordekai Ester niet vraagt om zich voor ‘haar volk’ in te zetten, maar het haar ‘opdraagt’. De inzet voor de medemens kan niet vrijblijvend zijn, maar is een opdracht!

In de verzen 10-11 richt Ester zich voor de derde keer in dit hoofdstuk tot Mordekai. Ditmaal gebeurt dat in de directe rede en is er via Hatak ook voor het eerst sprake van een echte dialoog tussen hen beide. Het is hier ook de eerste keer in het boek Ester, dat Ester zelf aan het woord komt. Daarbij laat Ester dan een licht verwijt horen: iedereen weet hoe men de koning kan ontmoeten en zou Mordekai dit dan niet weten! Zij legt er daarbij vooral de nadruk op hoe gevaarlijk het is ongevraagd naar de koning te gaan. Het feit dat Ester al dertig dagen niet meer bij de koning is ontboden, onderstreept haar vrees en de moeilijke positie waarin zij verkeert. Waarom Ester niet bij de koning is ontboden, wordt niet verteld. Wel is duidelijk dat hiermee een tegenstelling wordt opgeroepen met Wasti. Wasti werd in 1:12 bij de koning ontboden, maar ging niet. Ester wordt hier niet bij de koning ontboden, maar zal ondanks dat straks toch naar hem toegaan.

Het is in de verzen 13-14 de enige keer in het boek Ester, dat Mordekai spreekt. Opvallend is dat Mordekai daarbij Ester niets vraagt, maar haar alleen aanwijzingen en waarschuwingen geeft. Zo zegt hij dat Ester zich niet moet verbeelden als enige van alle joden te kunnen ontkomen, omdat zij een bijzondere positie in het huis van de koning inneemt. Daarom moet zij iets doen. Wanneer zij dit nalaat, zal er ‘bevrijding en redding’ van een ‘andere plaats’ komen. Wat hier met een ‘andere plaats’ is bedoeld, wordt niet gezegd. Gelet op Exodus 3:5, waar Mozes bij de brandende braamstruik de opdracht krijgt zijn sandalen uit te doen, zou hiermee de plaats kunnen zijn bedoeld, waar God zich bevindt of wordt ontmoet. Een dergelijke gedachte leeft ook in de rabbijnse literatuur, waar hammāqōm, ‘de plaats’, een aanduiding voor God is. Hoe dit ook zij, Ester en haar familie zullen volgens Mordekai deze bevrijding en redding niet ervaren, maar te gronde gaan als zij weigert om handelend op te treden.

In vers 16 blijkt dat zich bij Ester een grote verandering heeft voltrokken. Tot op dit moment was zij een passieve en afhankelijke figuur. Na alles wat Mordekai in de vorige verzen tegen haar heeft gezegd, is zij veranderd in een actieve en onafhankelijke vrouw. In plaats van Mordekai is het nu Ester die opdrachten geeft. De oproep van Ester om te vasten wordt in dit vers nog extra onderstreept door de mededeling dat dit ‘drie dagen’ moet duren. Het ‘niet overeenkomstig het decreet’ handelen, houdt in dat Ester als koningin van Perzië voor haar volk en dus tegen het Perzische rijk kiest.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Het in de verzen 1-3 verhaalde optreden van Mordekai heeft maar één doel: iedereen wakker te schudden om de dreigende ondergang van zijn volk te voorkomen. In dat verband valt dan vooral de aandacht op de figuur van Ester. In eerste instantie begrijpt zij er niets van wat er met Mordekai aan de hand is. Zij wil alleen dat hij er keurig (!) uitziet. Daarom stuurt zij hem kleren. Maar hij weigert deze aan te trekken.

  • En zie, dat helpt. Ester wordt wakker geschud. Of bijbels gezien: haar ogen worden geopend. Nu wil ze weten wat er precies aan de hand is (vs 5).

  • In de volgende verzen zijn we dan getuige van een gesprek tussen Mordekai en Ester. Dit gaat over de noodsituatie van het joodse volk, van mensen die in hun leven en bestaan worden bedreigd. Met het oog daarop geeft Mordekai Ester aanwijzingen. Zij moet naar de koning gaan. Dat is naar dezelfde koning die eerder de joden voor veel zilver aan Haman heeft overgeleverd (3:9-11). Bovendien een koning waar niemand ongevraagd naar toe mocht gaan, ook zijn vrouw niet (vs 11).

  • Mordekai wuift echter alle bezwaren van Ester om naar de koning te gaan weg. Zij mag ‘in deze tijd’ niet zwijgen (vs 14). Ester moet in haar tijd voor mensen in een noodsituatie opkomen, zoals ook Abraham in zijn tijd opkwam voor mensen in Sodom en Gomorra. Het ‘in deze tijd’ brengt dit verhaal onwillekeurig ook dichtbij (zie ook Mat. 5:13-16). Hier wordt ook een beroep op persoonlijke verantwoordelijkheid gedaan. Verrassend is wat Mordekai nog verder in vers 14 zegt. Als Ester haar verantwoordelijkheid niet neemt, zal er redding van ‘een andere plaats’ komen. Met het woord ‘plaats’ (māqōm) wordt in de bijbel vaak de plaats bedoeld waar iemand ‘opstaat’. Opstaat om haar of zijn verantwoordelijkheid te nemen in het Koninkrijk van God in deze wereld. Het is tegelijk ook de plaats, waar wordt ontdekt dat God vaak dichterbij is dan we ook ¡naar bij benadering vermoeden. Mordekai zegt hier tegen de Ester van alle tijden: ‘als jij in jouw positie je verantwoordelijkheid niet neemt, zal er iemand anders opstaan om in de naam van God redding te brengen’.

  • Ester neemt haar verantwoordelijkheid en zij roept anderen op om haar daarbij te steunen. Zij vraagt om samen met haar drie dagen te ‘vasten’. Dat is in de bijbel een periode van inkeer en bezinning. Bij de laatste woorden van Ester in vers 16: ‘Kom ik om, dan kom ik om’, gaat het dan niet om een fatalistische uitspraak, maar om een moedige beslissing?

Liederen

  • Psalm 89: 1,5,6; 68:12; 130:3

  • LB 326; 437; 319

< Terug