< Terug

Preekschets Ester 3:7

Ester 3:7

In de eerste maand, de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men in het bijzijn van Haman het Pur – dat is het lot – voor elke dag en voor elke maand tot de twaalfde, de maand Adar.

Schriftlezingen: Exodus 17:8-16; Ester 3:1-15; Lucas 18:35-43

Het eigene van de zondag

De tekstkeuze voor deze en drie volgende zondagen bepaald door een continu-lezing van het boek Ester, waarvan een serie van vier schetsen wordt gegeven (zie ook: Preekschets Ester 4:16, Preekschets Ester 5:7,8 en Preekschets Ester 6:11).

Uitleg

Met Haman wordt in vers 1 een nieuwe hoofdfiguur in het boek Ester geïntroduceerd. Tegelijk wordt deze ons hier met de toevoeging: ‘de Agagiet’, als een afstammeling van Agag, een koning van de Amalekieten, voorgesteld. Met Agag wordt verwezen naar de koning tegen wie Saul volgens 1 Samuël 15 in opdracht van God moest strijden. Het straks volgende optreden van Haman, ‘de Agagiet’, en Mordekai, ‘de Benjaminiet’, in het boek Ester biedt dan een soort herhaling van de aloude strijd tussen Israël en Amalek (zie ook Ex. 17:8-16), tussen God en het kwaad. Haman is in dit verhaal dus degene die Amalek, het symbool voor het kwaad in de wereld, personifieert.

Na het slot van het vorige verhaal zou men verwachten, dat Mordekai grote eer zou ten deel vallen. In plaats daarvan wordt deze eer zonder opgaaf van reden aan de tot nu toe onbekende Haman toegekend. Haman wordt dan door de koning de hoogste positie aan zijn zijde verleend. Mordekai overkomt hier dus hetzelfde als Jozef, die in Exodus 40:23 ook eerst door de schenker werd vergeten.

Aangezien de Perzen gewoon waren voor hooggeplaatste personen en de koning te buigen en te knielen, lijkt de desbetreffende opdracht van de koning in vers 2 om dit voor Haman te doen uiterst merkwaardig. De verteller heeft dit gegeven echter verhaaltechnisch nodig om de weigering van Mordekai dienaangaande des te duidelijker tot uitdrukking te laten komen. De reden waarom Mordekai weigert om voor Haman te knielen en te buigen, wordt niet expliciet aangegeven. De achtergrond van deze weigering kan niet zijn dat een Jood of Israëliet niet voor andere mensen, maar alleen voor God buigt. In de bijbel zijn genoeg voorbeelden voorhanden, dat een Israëliet wel voor andere mensen buigt (zie b.v. Gen. 23:7 en 1 Kon. 1:16). De enige reden voor Mordekai’s weigering om dit voor Haman te doen, kan daarom slechts zijn dat deze Amalek, de oervijand van God en Israël vertegenwoordigt en als zodanig het kwaad in de wereld belichaamt.

De dienaren die in vers 3 aan het woord komen, treden als tussenpersonen op om de in het vorige vers genoemde tegenstelling tussen Mordekai en Haman op te voeren. opvallend is dat deze dienaren het typische joodse en cultische woord ‘gebod’ gebruiken. Dit spraakgebruik zou kunnen doen vermoeden dat Mordekai om godsdienstige redenen weigerde voor Haman te knielen en te buigen. De dienaren brengen deze kwestie aan het slot van dit vers onder woorden met de vraag, die al eerder in vers 2 bij de hoorder of lezer van dit verhaal moet zijn opgekomen. De vraag namelijk waarom Mordekai weigert aan het gebod van de koning gevolg te geven. Deze vraag wordt des te klemmender, omdat hij zich nog pas geleden in 2:21-23 zeer loyaal aan de koning betoonde. Wat het antwoord op deze vraag is, blijkt in het volgende vers.

De na de inleiding ‘en het gebeurde’ in vers 4 volgende mededeling dat deze dienaren ‘dag aan dag’ tegen hem spraken, wordt in Genesis 39:10 ook van de vrouw van Potifar in verband met Jozef verteld. Wanneer Mordekai niet naar de dienaren luistert, brengen zij Haman op de hoogte van zijn handelwijze. Waarom zij dit doen, brengen zij in de volgende vraag tot uiting: ‘Zullen de woorden (daden) van Mordekai standhouden?’ Daarmee is tegelijk de kardinale vraag gesteld, die in het hele boek Ester van zo’n beslissende betekenis zal zlin. De vraag of Mordekai Haman, symbool van het kwaad in de wereld, zal weten te weerstaan.

Pas als de dienaren hem in vers 5 daarop attent hebben gemaakt, ziet Haman dat Mordekai niet voor hem knielde en boog. Haman heeft daar dus zelf niets van gemerkt. Op zichzelf lijkt dit onmogelijk. Het verhaal suggereert immers dat Haman Mordekai iedere dag minstens één keer in de poort van de koning passeerde. Blijkbaar dient deze uitspraak over Haman om verhaaltechnisch weer een impressie van diens karakter te geven. Haman wordt zo geportretteerd als iemand die met het hoofd in de lucht alles en iedereen voorbijloopt en helemaal niets ziet.

Zodra Haman kennis van Mordekai’s houding heeft genomen, is het hem niet genoeg om alleen deze te straffen. Met Mordekai wil hij diens hele volk verdelgen. Op deze wijze komt weer een nieuwe karaktertrek van Haman aan het licht. Zijn manier van straffen blijkt niets anders dan een alles en iedereen omvattende wraakneming te zijn.

In vers 7 treedt vooral de liturgische en cultische functie van dit verhaal op de voorgrond. Dat komt met name tot, uitdrukking in het vermelden van de maanden waarin het Pesach en het Poerim wordt gevierd, namelijk respectievelijk Nisan en Adar. Later in Ester 9:79 zal blijken dat de maand Adar die van de redding van de joden uit de macht van Haman (Amalek) is. Met het noemen van de maand Adar en het ‘poer’ komt hier in dit vers dus reeds het in 9:18-32 ingestelde feest van Poerim in beeld.

Aanwijzingen voor de prediking

  • In het hier voor ons liggende verhaal uit Ester maakt Haman grote opgang. Dat is een triest gegeven, want Haman is immers niet zo maar iemand. In de bijbel behoort Haman bij Amalek. Met andere woorden: Haman en Amalek zijn niet met een bepaald persoon of volk te vereenzelvigen, maar symbool voor het kwaad in de wereld. Wie dan ook denkt dat Haman niet meer leeft en Amalek niet meer bestaat, is er volkomen naast. Ze zijn nog springlevend.

  • De grote vraag is dan: Hoe herken je ze nu? Hoe ontdek je dit grote gevaar in de samenleving? Het antwoord op deze vragen brengt die blinde in het verhaal van Lucas 18:35-43 op een duidelijke wijze tot uiting. Als Jezus hem daar vraagt: ‘Wat wil je dat ik je doen zal?’ antwoordt deze met: ‘Heer dat ik ziende wordt’. En hoe word je ziende? Jezus zegt door je geloof, je vertrouwen in God.

  • Bij Mordekai wordt met geen woord over God en vertrouwen gerept. Maar dat wil beslist niet zeggen dat God en dit vertrouwen niet aanwezig zijn. Misschien zelfs nog veel meer dan wanneer de mond daar vol van is. Wat we constateren is in elk geval dat Mordekai hier ‘ziende’ is. Hij onderkent het kwaad.

  • Maar hij is de enige. Dat is een trieste constatering. Iedereen, zo wordt verteld, buigt en knielt voor Haman, het kwaad. Mordekai niet. Ook niet als iedereen hem dag aan dag aanspoort om dit wel te doen.

  • De grote vraag die dan opkomt is: Zal Mordekai standhouden? Anders gezegd: Wie zal het laatste woord hebben? Mordekai of Haman? God of het kwaad? Zal Haman in staat zijn het hele volk van Mordekai te vernietigen? Het lijkt er wel op, want Haman, het kwaad, is machtig in de wereld. Je zou er wanhopig van worden.

  • Die wanhoop verdwijnt als je let op de kleine onopvallende dingen, die vaak zo typerend voor het Koninkrijk van God zijn. Dan zie je plotseling die twee merkwaardige woorden, Nisan en Adar, aan het slot van dit verhaal. Nisan dat verwijst naar Pesach, het feest van de bevrijding uit Egypte en Adar dat hier al de blik richt op het komende feest van Poerim. Deze beide feesten, die het begin en eind van het joodse jaar omvatten, laten zien dat het volk van God niet te gronde gaat. Met dit beeld voor ogen kunnen we ook met het oog op de toekomst telkens weer zeggen: Wat er ook gebeurt, God heeft het laatste woord.

Liturgische suggesties

  • Psalm 72:7; 98

  • LB 45: 1,2,3; 313 :6,7; 432

< Terug