< Terug

Preekschets Jesaja 55:3

Jesaja 55:3

Vierentwintigste zondag na Pinksteren

Leen mij je oor en kom bij mij,
luister en je zult leven.
Ik sluit met jullie een eeuwigdurend verbond,
als bevestiging van mijn liefde voor David.

Schriftlezing: Jesaja 55:1-6

Het eigene van de zondag

We hebben de laatste zondagen van het kerkelijk jaar. Het is eerder en langer donker. Het is mooi om in die tijd te luisteren naar woorden uit het Oude Testament. Beloftewoorden van God met eeuwigheidperspectief voor het volk dat in duisternis wandelt. Ook is het goed vervolgstof te lezen. Jesaja 55 is een hoofdstuk dat mij en velen boeit. Het bevat veel. Te veel voor één zondag. Daarom gaan we er drie zondagen naar luisteren.

Uitleg

We hebben te maken met het slot van Deutero-Jesaja, hoofdstuk 40-55. Het volk Israël verblijft in ballingschap in Babel. Kores (Cyrus), de koning van de Perzen, zal, verkondigt een profeet van Israël onder Joodse ballingen, Babel helemaal onder de voet lopen. Kores zal hierdoor de politieke wereldkaart volkomen op haar kop zetten. Dat alles gebeurt omdat de Here zijn volk Israël terug wil leiden naar Kanaän.

Die redding, dat heilsgebeuren, is in hoofdstuk 55 voorondersteld. ‘Nu de Knecht door zijn lijden (hoofdstuk 53) een nageslacht voor het nieuwe Sion verworven heeft, liggen luisteren naar jhwh en komen tot Hem als de grote heilsgaven binnen bereik’ (Beuken, 283).

In hoofdstuk 55 wordt duidelijk dat de door Deutero-Jesaja aangekondigde verlossing veel meer omvat dan terugkeer uit Babel en de daaropvolgende herbouw van stad en land (vgl. vs. 7 en 12). De uitnodiging tot Gods heil, waarin alle woorden van leed en bestraffing als het ware voorbij zijn, vormt een prachtige afsluiting van de hoofdstukken 40-55.

Wat de opbouw betreft: Jesaja 55 bevat twee godsspraken (vs. 1-5 en 8-13). De laatste heeft een profetenspreuk als inleiding (vs. 6-7).

De eerste godsspraak is voor alles een uitnodiging. Dit woord richt zich tot behoeftigen, de mensen in hun nood in de ballingschap. De verzen 6 en 7 richten zich tot de goddelozen. Degenen die, wat het leven in het verbond betreft, al hun schepen achter zich verbrand hebben.

Het beeld wordt getekend van een oosterse markt waar allerlei kooplieden hun waren aanprijzen. Onder die kooplieden bevindt zich bijvoorbeeld de waterverkoper. Hij nodigt uit om te komen drinken. Zoals gezegd, reikt de betekenis veel verder dan wonen in het herstelde Jeruzalem. Genodigd worden allen die verlangen naar de komst van het heil van God. Genodigd worden degenen die hun levensdorst willen stillen, mensen die vol verlangen zijn.

Volheid van leven wordt aangeboden. Het heil wordt voorgesteld als water, datgene wat als basisvoorwaarde absoluut noodzakelijk is voor het leven, maar ook wijn en melk, datgene wat tot de overvloed behoort, de goede gaven van het beloofde land (vgl. Deut. 32:12-15). Het gaat om elementaire én feestelijke spijzen. Het totale leven telt. Je zult leven!

Komen en drinken is horen, luisteren, je volledig richten op de woorden van God en die vertrouwen.

In deze verzen wordt consequent de taal van het verbond gebezigd. Woorden als töb en dèsèn (vs. 2) schilderen de zegen die hun ten deel valt die op God vertrouwen (vgl. Jer. 31:14; Ps. 23:5v; 65:12). Zij horen tot de vaste terminologie van het verbond. ‘De taal en de wereld van het verbond lichten het sterkst op in de belangrijke begrippen van “luisteren naar God” en “leven”’ (Beuken, 282).

Uiteindelijk is dat het wat God aanbiedt: leven met Hem, zegen voor de hele mens.

Alles is zonder geld, alleen uit genade te krijgen.

Vers 2a staat ertussen als een verwijtende vraag, een uiting haast van niet-begrijpen, van ongeloof: waarom, hoe kan het nu waar zijn dat je dit aanbod negeert, er niet op ingaat? Het is werkelijk onzinnig je levensvoldoening elders dan bij de Here te zoeken. Niet helemaal duidelijk is tegen welk front de profeet zich in vers 2a richt. Waarschijnlijk worden de ballingen aangesproken die liever in Babel willen blijven. Het komt erop neer dat zij geld afwegen voor wat geen brood is.

Ook kan het zijn dat de ballingen tot wie de profeet zich richt al die beloften niet meer kunnen geloven. Waar is het verbond gebleven? Hoe zit het met de belofte, eens aan David gedaan? Op de achtergrond van de verzen 3b-5 klinkt deze vraag mee. Waarom dan luisteren naar de roep van de waterverkoper? Deutero-Jesaja mag namens God herstel van dat verbond, maar nu voorgoed en gesloten met allen die de uitnodiging aannemen, beloven. Meteen als een bevestiging van Gods liefde tot David.

Opvallend klinkt drie keer de imperatief om te horen.

En het gaat erom dat de ziel, nèfèsj, zal leven.

Aanwijzingen voor de prediking

  • In de preek over dit gedeelte zal van God uit de uitnodiging mogen en moeten klinken om te komen tot Hem, te kopen zonder prijs en te luisteren naar Hem. Het is belangrijk werkelijk in de preek te nodigen en niet alleen theoretisch over de uitnodiging te spreken. In deze perikoop wordt immers rechtstreeks een appel op de hoorder gedaan, zo zelfs dat de vragen die al luisterende opkomen naar het tweede plan verwezen worden. Dat uitnodigen namens God mag binnen de verbondsgemeente. We geloven dat die door het geloof deelheeft aan de beloften van God aan Abraham gegeven (Rom. 4 en Gal. 3). God roept op het met Hem te wagen en roept weg uit Babel vandaag. In vers 6 klinken de imperatieven zelfs weer. Voor sommige hoorders kan de uitnodiging weldadig klinken: iemand heeft mij op het oog en wil mij wat goeds aanbieden. God nog wel. Je kunt ook denken aan degenen die God zoeken, maar vragen hebben bij de weg die Hij gaat. Er komt een nieuw, vernieuwd perspectief: leven met God.

  • Dit alles kan bij hoorders vragen oproepen. Hoe hoor ik God? Het driemaal uitnodigen tot horen benadrukt het belang van de uitnodiging en hoezeer het menens is, maar onderstreept wellicht ook dat het niet vanzelf gaat. Inspanning en inzet worden gevraagd. In het Nieuwe Testament lezen we bij Paulus dat het geloof uit het gehoor is (Rom. 10). In het verbond, waar God ons mensen in plaatst, dient de gemeente haar God serieus te nemen, in komen tot Hem en horen wat Hij zegt en het daarop wagen.

  • In de jacht van het leven is het belangrijk tijd te vinden en te maken voor God en te luisteren naar Hem. De preek kan praktische tips voor luisteren naar God aanreiken en de gemeente laten nadenken of er werkelijk in de gemeente naar God geluisterd wordt, bijvoorbeeld in de bijbelkringen of dat we vaak vooral zelf aan het woord zijn. Komt in de gemeente God wel aan het woord?

  • In die weg van komen tot God en luisteren naar Hem zal de ziel van mensen leven vinden. Weldadig leven zelfs. Veel mensen lijken hun ziel te vergeten en wegen geld af voor hetgeen geen brood is en betalen voor wat niet verzadigen kan. In de novembermaand bepalen de reclames ons al bij het materiële van de cadeaus voor Sinterklaas en Kerst. Als de dagen korter worden en mensen mogelijk meer tijd in huis doorbrengen, is het zinvol hen te bepalen bij hun ziel. Het woord ziel staat hier. Het is mooi hier in te brengen wat Henk de Roest schrijft over de ziel (hoofdstuk 2) en hoezeer die een huis behoeft.

  • Dit alles kan niet zonder vervolgens ook te spreken over de belofte die God hier doet, van het eeuwige verbond, kwalitatief en kwantitatief. David en het volk Israël zijn daar getuigen van. Bij alle relaties die zo kwetsbaar blijken, biedt God, de Eeuwige, een eeuwige relatie aan. Dat heft eenzaamheid op, zowel omdat er het verbond met God is als omdat God daarin ook mensen en volken (Israël en gelovigen onder de heidenen) samenbindt. Het is zinvol vandaag de gemeente te wijzen op de rijkdom van het verbond.

  • Als zo in beeld komt waartoe God uitnodigt, kan de vraag opkomen waar wij mensen dit aanbod aan verdienen en hoe wij deze omgang verwerven kunnen. Dan mag benadrukt worden dat zonder geld en zonder prijs dit alles gekocht, gekregen mag worden. Het is door Gods liefde aan David. Zijn genadebewijs aan David. Het is omdat de lijdende Knecht er geweest is, Jesaja 53. Het verbond met God is mogelijk, alleen dankzij de Verbondsknecht, de Davids- zoon en is door Hem zo royaal en eeuwig.

Liturgische aanwijzingen

Als evangelielezing is te denken aan Mattëus 7:24-27. Daar gaat het over Jezus’ woorden horen en doen. Dat doet je levenshuis vast staan. Uit de brieven van Paulus noem ik Romeinen 10:10-17. Psalm 119:66 ‘Gun leven aan mijn ziel’ past er goed bij en Psalm 89 vanaf vers 13, waarin de vraag aan de orde is naar Gods trouw aan David. Gezang 33 is een lied op Jesaja 55:1-7. Omdat het drie diensten zal gaan over Jesaja 55 is aan te bevelen een blad uit te delen met achtergrondinformatie over Jesaja 55 en de drie kernteksten.

Geraadpleegde literatuur

A.M. van Leeuwen, Woord en beweging 5, Kampen, 1989; Jesaja, deel IIB, pot, W.A.M. Beuken, Nijkerk, 1983; Isaiah. NIV Application Commentary, John N. Oswalt, Grand Rapids. Inspirerend en bruikbaar ten aanzien van aandacht voor de ziel is Henk de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer, 2010.

< Terug