< Terug

Preekschets Micha 6:8

Micha 6:8

Achtste zondag na Pinksteren

Er is jou, mens, gezegd wat goed is…

Schriftlezing: Micha 6:1-8

Het eigene van de zondag

Het is aardig om het in de zomertijd eens te hebben over de bondige richtlijn voor het goede leven uit Micha 6:8. Zijn woorden zijn opvallend aards en toch spiritueel en vormen een korte samenvatting van het leven van een gelovig mens. Het is goed dit vers eens centraal te zetten in de prediking. Want, zo hoor ik mijn Friese grootmoeder nog zeggen, er is geen groter kracht dan Micha zes – vers acht.

Uitleg

In Micha 6:1-8 gaat het om een rechtsgeding tussen twee partijen, Jhwh en het volk (zie het woord riv in vs. 1, 2a, 2c). Dit rechtsgeding krijgt een eigenaardige wending in vers 6-8 waar, buiten de terminologie van de rechtszaak om, gezocht wordt naar wegen om de verhouding te herstellen. Vers 8 besluit met een gedragslijn voor het volk voor de toekomst. Dat is geen ‘vonnis’ of ‘schuldaanwijzmg’ maar een handreiking aan een volk dat bijna de weg kwijt was, en ook het vertrouwen in de Heer.

Het is belangrijk om even naar het genre van de riv te kijken. In profetische teksten is vaak sprake van een ‘geding’ dat God heeft met zijn volk (vgl. Hos. 4:1-3, Jes. 1:10-17; 41:1-4, 21-29; Jer. 2:9w). In sommige passages is sprake van terminologie die bij het genre past en van een duidelijk juridical framework – in andere profetische teksten komen de technische termen misschien niet voor maar is de grondvorm ook die van een ‘geding’ om een verbroken relatie. De inzichten van Gunkel en Westermann zijn hier nog steeds bepalend en baanbrekend.

Het is zaak niet te technisch te kijken naar dit genre teksten – in de rechtsgedingen tussen God en zijn volk gaat het nooit alleen om het aanwijzen van een schuldige, om een vonnis of een oordeel. Deze spreek-vorm is bedoeld om helderheid te creëren, bewustwording van een relatie die op het spel staat, en eventueel verhoudingen te verbeteren. Het is meer dan een juridisch steekspel (Van der Woude).

In Micha 6 kunnen we de volgende formele elementen herkennen: de oproep van getuigen om het geding bij te wonen (vs. 2), procesvragen (vs. 3) die leiden tot een zelfverdedingsrede (Schuman) in vers 4-5, uitmondend in het verlangen (‘de eis’) van de ene partij dat de andere partij tot erkenning komt van de rechtvaardigheid van de ander (vs. 5d). Daarna wordt het genre losgelaten.

Onduidelijk is hoe het zit met de verschillende sprekers in ons tekstgedeelte. Een vraag die daarbij ook opkomt, is hoe de gedingen waarvan sprake is in vers 1 en 2 zich verhouden.

Eerst de kwestie van de sprekerswisselingen. Mijns inziens wordt in vers 1 een figuur (singularis) opgeroepen het geding te voeren – vermoedelijk gaat het hier om het volk Israël als collectief. In vers 2 gaat dat geding dan van start. Dit vers behoort, net als vers la en vers 8, tot de omramende spreektekst van de profeet. Hij is als het ware de huishoudelijke voorzitter en introduceert in vers 2 de casus die aan de orde is en de beide partijen. Daarna is er een samenspraak van Jhwh (w 3-5) en het volk (w 6-7) waarna de profeet een slotwoord spreekt. Als gevolmachtigde spreekt hij niet alleen zijn woord, maar tegelijk een woord van de Heer zelf.

In het bijzonder is de vraag hoe de situaties in vers 1 en 2 zich verhouden. Schuman ziet de en heuvels in vers 1 als representanten van de hele aarde c.q.

de volkerenwereld – en ziet dit vers, parallel aan Micha 1:2, als opschrift boven het hele stuk van Deutero-Micha (6:1-7:17). Hij vertaalt vers lb met ‘ga een geding aan tegen de bergen’ (met enige grond in het Hebreeuws, maar ongelijk NBG, NBV en New Revisited Standard Version) en zegt erbij: in vers 2 zijn de bergen en fundamenten der aarde ‘getuigen’ – in vers 1 zijn ze de aangesproken partij (en gaat het eerste geding dus tussen Israël en de volkeren – namelijk over de goddelijke aanspraak van Jhwh). Ik volg zijn argumentatie niet vanwege de omslachtigheid. Ook de NBG is mijns inziens abuis met de keuze voor ‘als aanklager optreden’ – het volk is namelijk niet de aanklager maar de ‘aangeklaagde’. Bovendien men het woord ‘aanklacht’ wellicht beter vermijden – ‘geding’ of ‘controverse’ is mijns inziens juister en helderder. en heuvels, en fundamenten (vs. 1 en 2) worden als kosmische elementen opgeroepen als getuigen – om het belang te onderstrepen van wat zich in Israël afspeelt (vgl. Jes. 1:2, 3:13; Deut. 30:19). De eerste oproep moet de partijen als het ware wakker maken, de tweede oproep zoomt in op de kwestie van het moment.

Dan neemt Jhwh als eerste het woord en stelt de bekende vraag: ‘Mijn volk, wat heb ik je misdaan, waarmee je uitgeput – antwoord mij!’ De geschiedenis achter deze reactie kennen wij niet. Mogelijk heeft het volk klachten geuit in deze zin – of straalt het iets uit van vermoeidheid en resignatie. Hoe dan ook, Jhwh wil iets rechtzetten. Hij verwijst naar de bevrijding uit Egypte, de herderlijke rol van Mozes, Aaron en Mirjam in de woestijn, de confrontatie met Balak en Bileam, en de overtocht naar het beloofde land. De plaatsen Sittim (Num. 25:1, Joz. 2:1, 3:1) en Gilgal (Joz. 4-5) staan samen voor woestijntocht en intocht. Er is op gewezen dat het hier gaat om drie kardinale heilsmomenten: uittocht, woestijntocht, intocht. En de climax is: zo zul je tot herkenning komen van mijn rechtvaardige daden (tsidkot – vgl. Richt. 5:11; Jes. 45:24; Ps. 103:6). De opsomming van weldaden zou daarheen moeten – …that you may know the saving acts of the Lord.

Dan volgt een merkwaardige reactie: het volk vraagt zich af of het via de cultus, via offers van dieren en spijsolie, de verstoorde verhouding goed maken. Het lijkt alsof men het contact met God via offers wil repareren. Belangrijk is het woord ratsa – welbehagen hebben in (vs. 7). Waar heeft de Heer welbehagen in? Niet in offers – maar in oprechte inzet voor de tora, voor recht en gerechtigheid. Dat is een bekend profetisch thema dat we ook vinden in Amos 5:21-24, Jesaja 1:10-17, Hosea 6:6 en later in Matteüs 23:23.

In het slotvers staan, parallel aan de drie heilsmomenten, drie heilswegen voor de mens: recht doen, trouw betrachten en bescheiden wandelen met je God. Schuman wijst op de parallel met Deuteronomium 10:12-13 en zegt dat het onderlicht in Micha sterk verwant is met dat van Mozes. Let overigens ook op de grote verschillen. Micha verwoordt het veel kleiner en horizontaler. Recht doen is inspringen voor de verdrukte, de wees en weduwe, trouw betrachten gaat vooral over verbondstrouw en wandelen met God voltooit het drietal. Deze drie dingen zijn goed, tof, zegenrijk – zij brengen de schepping terecht.

Aanwijzingen voor de prediking

Een elementaire beslissing die men moet nemen is of het in Micha 6:1-8 gaat om ‘Gods gericht over Israëls afgodendienst’ (vs. 1-5) en een onbeholpen poging tot ommekeer (vs. 6-7) met daarna een kort vers over de weg ten leven (aldus Van der Woude). Of dat het gaat om een illustratie van Gods heilsdaden die het volk moeten brengen tot een nieuw geloof en een nieuwe levenswandel. Van der Woude noemt als Sitz im Leben wel ‘een boetedag ter verbondsvemieuwing’ maar hij kleurt het mijns inziens ontzettend zwart en anselmiaans in. Twee citaten: ‘Een waar getuigenis over de daden van Jhwh alleen maar zijn trouw en de ontrouw van Israël in het licht stellen’ (210). Of: ‘Centraal in ons schriftgedeelte staat de eis van onbeperkte gehoorzaamheid aan de God van verkiezing en verbond’ (219). Nergens in deze passage gaat het over ‘gehoorzaamheid’ of over de zonden van het volk. De lezing van Van der Woude hangt samen met zijn klassieke, atomistische aanpak van het profetisch corpus terwijl exegeten als Beuken, Schuman en ikzelf de teksten willen lezen als ‘literair drama’ met een bepaalde dynamiek tussen tekst en gehoor, waarbij het doel steeds weer is: de lezer en hoorder voor de keuze te stellen en mee te nemen in de ommekeer naar Jhwh en zijn tora.

De homileet een van de volgende elementen uitdiepen:

Het reparatiemotief. Het is voor de gemeente vast herkenbaar dat het contact met God wel eens verbroken is. Dat is de beginsituatie. Vervolgens is de vraag: ligt het aan God? Kunnen de mensen het repareren? Tweemaal luidt het antwoord in de tekst nee, al zal ieder persoonlijk er misschien een ander antwoord op hebben. Na die twee pogingen volgt er als het ware een derde weg: een uitweg ook. De weg van de ethiek, maar niet alleen van de ethiek. Er staat ook nog: wandelen met je God, kiezen voor zijn voetsporen, leven met zijn voetsporen. En: erkennen van zijn rechtvaardigheid. Daar heeft God uitgesproken welbehagen in – zo kun je als mens in zijn nabijheid verkeren.

Het ‘wandelen met je God’ men verschillend uitleggen. Men denken aan verborgen omgang en bevinding; aan wandelen met God als teken van eerbied, liefde of duurzame gehechtheid (Deut. 30:16), het zijn: wandelen met de tora als lamp voor je voet (Ps. 119), verkeren in het licht met Hem.

Micha 6:8 is een nogal nuchter vers, het is ‘klein’, zeker naast Deuteronomium waar het accent ligt bij de Heer dienen en liefhebben. Het is horizontaler – is het daarom voor sommige mensen gemakkelijker? Maar ook het wandelen met de Heer behoeft invulling; kunnen we elkaar daarbij helpen? Elkaar op ideëen brengen?

Liturgische aanwijzingen

De vragen in Micha 6:3 vormen het refrein in het ‘Beklag Gods’, de zogenaamde Improperia, dat vaak op Goede Vrijdag gelezen of gebeden wordt. Dat is bewerkt en berijmd door Maria de Groot – zie ZG 6, 103. Teksten om mee te combineren: Marcus 12:28-34 (het grote gebod), Matteüs 9:13 (barmhartigheid i.p.v. offers), 1 Johannes 4:7-11 (de liefde), Johannes 15:9-17 (over de liefde).

Liederen: Gezang 7, 62 (het grote gebod); Lied 90 (wandelen in de Heer) en 169 (niet zien en toch geloven) uit Zingende Gezegend; Tt 212 (te doen gerechtigheid).

Geraadpleegde literatuur

C. Westermann, Grundformen prophetischer Rede, München 1960; A.S. van der Woude, Micha (POT), Nijkerk 1976, 200-202.

< Terug