Menu

Premium

Preekschets Psalm 27:4

Psalm 27:4

Exaudi

Ik vraag aan de HEER één ding,
het enige wat ik verlang:
wonen in het huis van de HEER
alle dagen van mijn leven,
om de liefde van de HEER te aanschouwen,
hem te ontmoeten in zijn tempel.

Schriftlezing: Psalm 27

Het eigene van de zondag

De naam van de zondag stamt uit Psalm 27:7 (‘Hoor’). Gezien het begin van die psalm lijkt het of die oproep klinkt vanuit een vertrouwen dat er inderdaad ‘gehoor’ zal zijn. De zondag wordt ook ‘zondag van de weeskinderen’ genoemd (n.a.v. Joh. 14:18). In die naam klinkt vooral het afwachten, het besef niets te kunnen beginnen zonder ingrijpen van hogerhand door. Aan den lijve heb ik ondervonden: ‘verweesd-zijn’ kan een verlammende klank met zich meedragen. Maar tegelijk ontstaat er vanuit de ervaring een weeskind te zijn ook nieuwe kracht. Je staat er nu alleen voor, er is geen lijfelijke aanwezigheid meer van ‘wie (in generatie) boven je stond en/of je leidraad was’. Je zult het zelf moeten doen! In die geest is de naam van deze zondag als roep om hulp prima te plaatsen. Want om het zelf te kunnen, hoop je op ondersteuning. De zondag blijft gekleurd door het Paasfeest, ze hoeft geen droeve teneur te hebben om het definitieve afscheid van Jezus’ lichamelijke aanwezigheid. De woorden van Gezang 234 (Lvdk) als lied rond Hemelvaart benadrukken de feestvreugde.

Uitleg

Psalm 27 is een psalm die inzet vol vertrouwen. Het eerste vers benadrukt de bodem onder het bestaan van de dichter: ik ken geen angst, voel me veilig bij de HEER. Ervaringen uit het leven hebben dat besef gevoed en versterkt. En vanuit die veiligheid is er het verlangen, zoals verwoord in het kernvers van de schets: wonen in het huis van de HEER. Om altijd dat basisgevoel te ervaren? Of zo beschermd te zijn voor altijd? Om een beroep te doen op de tempelbescherming en daar te hopen op vrijspraak? Vers 5 speelt met woorden die met veiligheid te maken hebben: schuilen, verbergen, hoog optillen. Vers 6 is een nadere uitwerking van vers 4: wonen in het huis van de HEER om te offeren, zingen en spelen. De taal van het eerste deel van de psalm (vs. 1-6) is krijgshaftig (vijanden, leger, oorlog, belagen). Dat lijkt wat haaks te staan op de beleving die dit deel uitstraalt: vertrouwen tegenover strijdlust.

In vers 7 komt een omslag: waar tot nu toe alleen nog maar uitspraken van vertrouwen klonken, is hier een roep om de HEER te horen. De taal verandert: ineens voornamelijk imperativi en iussivi, die in de eerste zes verzen helemaal niet voorkomen. De vertrouwdheid lijkt minder vanzelfsprekend, er is sprake van zoekend onderweg zijn. Met de verwijzing naar daadwerkelijk ervaren hulp wordt gevraagd om hernieuwde uitkomst, redding, nabijheid. De dreiging van belagers en vijanden is voelbaar. Opnieuw is er het verlangen: om de goedheid van de HEER te zien. Met een aansporing sluit de dichter af. Dat laatste vers roept vragen op: spreekt de dichter tegen zichzelf? Is het een Godsspraak of een oproep van een priester?

Er is in de psalm een lichte spanning voelbaar tussen de zekerheid van het begin en de onzekerheid in het tweede deel. Voor sommige uitleggers is dat reden om de psalm te zien als een combinatie van twee afzonderlijke psalmen. Daartegen pleiten echter de overeenkomsten in taalgebruik en stijl van de twee delen. Ook thematisch zijn er overeenkomsten, bijvoorbeeld hoorbaar in het verlangen om in het huis van de HEER te verblijven (vs. 4) en in het zoeken van het aangezicht van de HEER en zijn goedheid zien (vs. 8,9 en 13).

Wie spreekt er in de psalm? De wonderlijke zeggingskracht van de psalmen wordt opgeroepen door de ‘ik’ die spreekt. Een ‘ik’ die door het opschrift in eerste instantie wordt geassocieerd met David, maar die vanuit herkenbare levenservaring zomaar wordt tot een bovenpersoonlijk ‘ik’. Herkenning zorgt ervoor dat de lezer/hoorder van de psalm eigen ervaringen onder woorden hoort brengen en zich vervolgens de woorden van de psalm toe-eigent. In Psalm 27 gaat dat om ervaringen van vertrouwen, redding, verlangen, verwachting, hulp, bedreiging en bescherming daartegen.

Aanwijzingen voor de prediking

De uitspraak ‘de HEER is mijn licht’ kan uitnodigen om bij nieuwtestamentische noties rond ‘licht’ stil te staan. Voor wie daarbij een lezing uit het Nieuwe Testament wil kiezen: Johannes 8:12, Matteüs 5:14-16. Dan schijnen veel bijbelse lichtbronnen: God, Jezus, de hoorder zelf. Wie de tussentijd – tussen Hemelvaart en Pinksteren – wil benadrukken, kan kiezen voor Handelingen 1:12-14. Geen afwachtende weeskinderen daar, maar actieve bidders. In een gezamenlijk verlangen zoals verwoord in Psalm 27:4?

In het NT komt een kwart van de oudtestamentische citaten uit het boek der Psalmen. Blijkbaar vormden de psalmen voor de evangelisten en andere schrijvers zeer vertrouwde en bekende woorden. Met welke insteek leest de moderne gemeente van Christus de psalmen van Israël? Is dat alleen vanuit een antropologische herkenning van de menselijke ervaring in de psalmen? Tellen de oorsprong en de wordingsgeschiedenis van de psalm – voor zover te achterhalen – mee of is het vooral de spiritualiteit van de psalm die zich laat uitleggen? Lezen we de psalmen omdat ze in het leven van Jezus een bijzondere plaats hebben ingenomen? Is de stem van Christus hoorbaar in de psalmen, zoals veel kerkvaders de psalmen hebben uitgelegd? Of de stem van de gemeente van Christus? Heeft Christus een plaats in de uitleg? En zo ja, op welke manier?

Schuman benadrukt dat het daarmee niet gaat om christelijke annexatie van de psalmen. Zoals in de rabbijnse uitleg van de psalmen momenten uit het leven van David verbonden zijn met verschillende psalmen, zo hebben evangelisten en in hun spoor kerkvaders momenten uit het leven van Jezus met psalmen verbonden. Zo kun je Psalm 27 lezen als een hartstochtelijke roep om hulp om het gevoel van verlatenheid na de Hemelvaart van Jezus te boven te komen.

Het vertrouwen uit de psalm en de roep om hulp is voor hoorders goed mee te maken. Ze zullen zich herkennen in de beweging tussen zekerheid en onzekerheid die in de psalm klinkt. De vijanden die in de psalmen nooit al te concreet worden geduid, kunnen op alle mogelijke manieren hedendaags worden ingevuld: ziekte, lijden, crisis. In de nabijheid van God blijft het gevoel van veiligheid en in zulke situaties mag een beroep worden gedaan op de hulp van de HEER.

Laat het verlangen uit de psalm zich nog vertalen voor mensen van vandaag? Wonen in het huis van de HEER., dat klinkt in onze oren supervroom. Is het de verwoording van de zoektocht naar verbondenheid met God of het verlangen om te zoeken naar de aanwezigheid van God? Om te leven, te wandelen voor het aangezicht van God door zijn aanwijzingen voor de weg – verwoord in de wet en profeten – op te volgen? Of kennen alleen kloosterlingen de concrete uitwerking van dat verlangen en is voor gewone stervelingen alleen de verborgen God realiteit? Kan Jezus een plaats krijgen in het gesprek hierover: als gezicht van God in onze wereld? Is het verlangen uit vers 4 eigenlijk nog wel mee te voelen, want wat is voor ons ‘het enige dat ik verlang’? Vragen waar de prediker zich rekenschap van moet geven om zo hoorders te helpen bij het formuleren van een antwoord.

Liturgische aanwijzingen

In Preken over psalmen kiest Schuman ervoor om een psalm bij voorkeur in een leerdienst of in een meditatieve dienst te be(s)preken. Niet alle kerken kennen nog leerdiensten, die vooral gehouden worden in de middag. Juist daarom lijkt het aan te bevelen om over psalmen te preken te midden van de vierende gemeente. In de praktijk blijkt voor veel mensen de taal van de psalmen een obstakel. Ook deze schriftwoorden ontsluiten, kan de ontdekking opleveren dat psalmen taal van vandaag spreken. Om het karakter van de psalmen recht te doen, kunnen poëtische hertalingen van de psalm een plek krijgen in de dienst (bijv. Oosterhuis, Bouma, Lloyd Haft). Daarin krijgt de psalm ook een hedendaagse verwoording. Een preek over een psalm moet wat mij betreft wel altijd weer uitmonden in het nogmaals lezen of zingen de psalm, zodat recht wordt gedaan aan het karakter van de psalmen: vierend en biddend teksten lezen. En de ontdekking zal zijn: door de uitleg hebben de woorden een nieuwe kleur gekregen.

Het project Psalmen voor Nu heeft ondertussen al heel wat psalmen van nieuwe tekst en klank voorzien. Ze zijn als liederen bruikbaar (voor solo- of gemeentezang) om psalmen voor moderne mensen toegankelijk te maken (al vraagt de muzikale invulling daarbij om meer dan het orgel alleen). Naast die liedsuggestie nog deze: Tt 138 combineert de verborgenheid van God met het vertrouwen dat mensen kunnen wonen in het huis van de Heer.

Geraadpleegde literatuur

N.A. Schuman, ‘Preken over psalmen: een schets’, in Postille 55, Zoetermeer 2002. Idem, Drama van crisis en hoop. De psalmen: gedicht, gebundeld, gebeden, Zoetermeer 2008. Verder commentaren op de psalmen onder andere Ridderbos (cot), Brinkman (T&T) en Kraus (bk).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken