< Terug

Tranen

Klaagvrouwen en -mannen

In de indrukwekkende cantate Ani ma’amin (Ik geloof) van Elie Wiesel verschijnen Abraham, Isaak en Jakob aan de hemelpoort om de Eeuwige ter verantwoording te roepen. Hun enige en allesomvattende vraag luidt: Waarom moest ons volk zoveel lijden? Telkens herhalen ze die vraag in verschillende bewoordingen. God schijnt echter hun schreeuw niet te horen, Hij zwijgt, zwijgt… Maar wat Abraham niet zag, niet kon zien, toen hij voor de laatste maal God aansprak, was dat God een traan stortte uit zijn verlichte ogen. Wat Isaak niet zag, niet kon zien, toen hij voor de laatste maal God aansprak, was dat voor de tweede keer een traan over het aangezicht van God stroomde, droeviger dan ooit te voren. Wat Jakob niet zag, niet kon zien, toen hij voor de laatste maal God aansprak, was dat God voor de derde keer weende – en ditmaal weende Hij met volle overgave, en met liefde. Mensen die roepen vanwege hun lijden. God die huilt in stilte om dit lijden. Tranen, in de hemel en op aarde. Het gebeurt wel in een viering dat de tranen van een groep of volk symbolisch in een kruik worden verzameld om het ondergane leed in beeld te brengen.

Vinden we de boodschap van deze literaire uiting van Elie Wiesel terug in de bijbelse tradities? Geeft de bijbel ruimte om menselijke tranen bijeen te brengen in een kruik en deze in het liturgisch centrum een naam te geven?

Grondtekst

In de bijbel komen tal van situaties voor waarin we mogen veronderstellen dat er tranen vloeien. Denk bijvoorbeeld aan de werkwoorden bakah, ‘wenen'(114x), en klaioo, ‘wenen’, in het Grieks (ruim 30x). Het voert te ver om deze en andere teksten allemaal te bespreken. Dit leren zij ons: in de bijbel hoort huilen bij het dagelijkse en godsdienstige bestaan.
Het Hebreeuwse woord dim‘ah betekent ‘traan’ (23x); meestal komt het voor als collectivum, ‘tranen’. Vooral in poëtische teksten, zoals Psalmen (8x), en bij de profeet Jeremia (5x). Het werkwoord ‘dama‘, ‘tranen vergieten’, treffen we eenmaal aan, Jeremia 13:17. Zie ook Sirach 22:19; 38:16-21.

Het nieuwtestamentische equivalent is dakryon (Lucas 7:38,44; Handelingen 20:19,31; 2 Korintiërs 2:4; 2 Timoteüs 1:4; Hebreeën 5:7; 12:7, vgl. Genesis 27:38; Openbaring 7:17; 21:4). Het werkwoord dakryoo, ‘in tranen uitbarsten’, heeft alleen Johannes 11:35 (in gebruikelijke vertalingen te zwak uitgedrukt met ‘wenen’), waar Jezus subject is. Verschillende sprekende werkwoorden zijn verbonden met tranen: vloeien, vergieten, stromen, afwissen en schreien.

Letterlijk en concreet

a.Huilen en de daarmee gepaard gaande tranen horen bij het menselijk leven. Tranen zijn zichtbare uitingen van de innerlijke roerselen. Niet altijd zijn tranen echt, soms worden zij geschreid om de waarnemer te misleiden (Sirach 12:16). Doorgaans is verdriet de veroorzaker van tranen, verdriet vanwege verlies, pijn, eenzaamheid, verdrukking, kortom: vanwege lijden. Het oog wordt gezien als de bron van de traan (Jeremia 8:23[9:1]). Zie in dit verband het oude gezegde: ‘Wie het oog stoot, brengt tranen naar buiten’ (Sirach 22:19).

b.De bijbel verhaalt meer dan eens van personen die nadrukkelijk klagen bij de dood van iemand (Jeremia 9:17[18]; Marcus 5:38). Vaak zijn het vrouwen die dit beroepsmatig doen; zij worden ingehuurd om te klagen. Aanvankelijk diende het geklaag als een vorm van lawaai om de dodengeest te verdrijven. Later krijgt het een andere functie: het klaagritueel kanaliseert als het ware het verdriet en daardoor kan de getroffene het verlies beter verwerken. Als er niemand klaagt bij iemands dood, is dat ronduit afschuwelijk (Jeremia 22:18; vgl. Ezechiël 24:16). Leerzaam is de raadgeving van Sirach: huil bittere tranen, schreeuw je verdriet maar uit, maar blijf niet steken in verdriet (38:16-21). De persoonlijke klacht over de dood van een geliefde snijdt door de ziel van de hoorder. Tranen laten doorgaans niemand onberoerd. Zoals de tranen van Jakob (Genesis 37:34-35), van Hanna (1 Samuël 1:10), van David (2 Samuël 1:17), van de weduwe (Lucas 7:13), van Jezus (Johannes 11:35) en van Paulus (2 Timoteüs 1:4).

Beeldspraak en symboliek

a.Ontelbare mensen schreien tranen, een enkele keer van vreugde, meestal van verdriet. De emotie is te krachtig om haar te verbergen. Tranen weerspiegelen innerlijke pijn. Daarom ontroeren en raken tranen omstanders. Tranen duiden vaak de mens als hulpeloos en machteloos wezen. Zij symboliseren zijn kwetsbaarheid en weerloosheid. We zouden dit de rode draad kunnen noemen in de teksten met tranende ogen.

b.Verdriet kan zo hevig zijn dat tranen zich alleen nog met het beeld van water laten beschrijven. Hij wiens ogen vol water staan, ondergaat een zeer zwaar lijden. Bijna niet meer om uit te houden. Zo zingt Vrouwe Jeruzalem over haar leed (Klaagliederen 1:16). De ogen van de psalmdichter vloeien als waterbeken, omdat men de Tora niet naleeft (Psalm 119:136). Hij lijdt daaraan. Hij weet dat dit onherroepelijk voert tot chaos, vervreemding, ondergang en dood.

c.De profeet Jeremia spreekt herhaaldelijk over tranen, ook zijn eigen tranen. De tranen staan in de context van de relatie tussen God en zijn volk. Met de tranen symboliseert de profeet het verdriet om Israëls afval van God; immers beseft hij dat daardoor ballingschap het volk zal treffen (13:17). Niet alleen de profeet lijdt aan de afvalligheid. Evenzeer heeft zijn zender, de Heer, verdriet, nu zijn geliefde Hem verlaat. De Talmoed merkt bij deze tekst op dat God weende op een geheime plaats, omdat Hij Israëls glorie aan anderen moest geven.

d.In Jeremia klinkt ook de belofte dat het weer goed zal komen met Israël (31:16). Daarom hoeven er geen tranen meer te vloeien. Leven zonder tranen is de keerzijde van leven met tranen. Leven zonder tranen krijgt betekenis door de ervaring van ogen met tranen. Nog sterker is de belofte van Jesaja dat ‘de Heer Heer de tranen van alle aangezichten zal afwissen’ (25:8; vgl. 35:10; 65:19). Deze troostwoorden spreekt de profeet uit in een tijd vol onrust en doodsdreiging. Geen tranen betekent geen verdriet, geen verdriet duidt op het verdwijnen van alles wat het leven kapotmaakt. Eeuwen later neemt de ziener Johannes deze belofte over als een baken in de wilde zee (Openbaring 7:17; 21:4). De bronnen des levens blijken uiteindelijk sterker te zijn dan de ogen vol tranen (in het Hebreeuws is het woord voor ‘bron’ en ‘oog’ hetzelfde, zie 7:17a,17b). Het drogen van tranen is een aandoenlijk beeld. Het tekent God als een moeder die haar huilend kind op de schoot neemt en liefdevol zijn tranen afveegt. Het is een symbolische handeling die intensieve troost, nabijheid en bewogenheid behelst. Voor de mensen aan wie Johannes schrijft, moet dat een geweldige bemoediging zijn. Zij worden immers continu bedreigd; hun leven loopt onafgebroken gevaar. Het zal allemaal voorbijgaan! Die belofte stoelt op rijke ervaring van mensen wier leven is bevrijd van dood en verderf. Hoor eveneens naar de psalmdichter. Hij zingt dat God zijn oog van tranen heeft verlost (Psalm 116:8). Er is de dubbele beweging: ogen met tranen verwijzen naar de afbraak van leven, ogen waarvan de tranen zijn af- of opgedroogd verwijzen naar volheid van leven. Ook Jezus’ oproep ‘Ween niet’ staat in dit kader (Lucas 7:13). Die woorden zijn geen goedkope troostpraat, maar zij kondigen andere, van verdriet bevrijde ogen aan. Troost gaat er eveneens uit van de diepzinnige beeldspraak ‘Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien’ (Psalm 126:5). Zaaien, de tijd voor de oogst vergt veel inspanning en moeite. Maar wie de oogst in het oog houdt, zal de tijd daarvoor doorkomen. Het leven is vol te houden door het geloof dat bevrijding in het verschiet ligt.

e. Als God de tranen van treurende ogen zal afwissen, dan houdt dat tevens in dat Hij daaraan voorafgaand de tranen heeft gezien. Inderdaad, God ziet de tranen en hoort de klacht van lijdende mensenkinderen. Tranen en hoorbaar wenen van mensen corresponderen met zien en horen van God (Exodus 2:23-24; Jesaja 38:5; Psalm 39:13). De psalmdichter bidt: ‘Doe mijn tranen in uw kruik’ (56:9). Hij vraagt of God zijn verdriet en pijn bewaart, niet vergeet. Tranen raken de Heer. Zijn bewogenheid om schreiende mensen roept – vanuit de mens gezien – het beeld op van Gods tranen, ook al spreekt de bijbel daar niet nadrukkelijk van. De Midrasj legt meer dan eens de verbinding tussen het geschrei van mensen en het huilen van God. Met die beeldspraak beogen de rabbijnen te troosten. Overigens, er bestaat onenigheid over het subject van ‘Mijn ogen moeten van tranen vloeien’ in Jeremia 14:17. Gaat het om Gods ogen of om Jeremia’s ogen? Tegen de achtergrond van Gods bewogenheid mogen we het wenen van Jezus uitleggen. Zijn lijden in het algemeen wordt zichtbaar in zijn tranen (Hebreeën 5:7). Bijzonder is Hij getroffen bij het zien en horen van verdriet om ‘bloemen in den knop gebroken’ (Johannes 11:33-35). Wat hij aanschouwt rond de dood van Lazarus doet Hem in tranen uitbarsten. Nog een keer huilt Jezus, op het moment dat Hij in een visioen de ondergang van Jeruzalem waarneemt (Lucas 19:41). Jeruzalem heeft de droom van de sjalom vergeten, de werkelijkheid van het bondgenootschap met de Eeuwige is in de vergetelheid geraakt. Dat moet, net als in de dagen van Jeremia, leiden tot ondergang. Datzelfde spoor trokken eerder de oudtestamentische profeten (Jesaja 16:9) en trekken in navolging van Jezus de apostelen (2 Korintiërs 2:4): tranen van eigen verdriet met daarachter tranen om de catastrofes over mensen en volkeren. Hun geween symboliseert betrokkenheid bij en verbondenheid met opgejaagde mensen en de bezorgdheid om de verspeelde droom.

f. Tranen die nacht en dag of dag en nacht vloeien, verbeelden het niet uit te houden zeer van mensen (Jer. 14:17; Ps. 42:4; vgl. Klaagliederen 2:18). In Psalm 42 komt daar nog een extra versterking bij door tranen als brood (lèchèm) te benoemen. Iemand vraagt: ‘Wat is jouw leeftocht?’, en je antwoordt: ‘Mijn brood bestaat uit tranen, louter tranen.’ Zo groot is het lijden! Nog breder is de symboliek in Psalm 80:6: tranen als brood en tranen als drank. Een ander beeld om immens verdriet te schilderen, geeft Klaagliederen 2:11: ‘mijn ogen zijn verteerd door tranen’. Vrouwe Jeruzalem heeft zoveel tranen dat haar ogen niet langer functioneren. Zij ziet niet meer, zij leeft in donkerte. Zo ook de dichter van Psalm 6:7-8.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 6; 38; 42; 56; 116; 119:31, 51; 126; Gezang 80; 114; 197; 265; 269; 313; 355; 377; 392; Alles I: 30; II: 26; III: 1; IV: 10; Bijbel III: 76; Gezegend: 276; Liturgie 571; 591; 649; Psalmschrift 6; Zingend IV: 3; V: 14; Zolang: 72 (= Liturgie: 573).

b.Poëzie:

Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 411: ‘De gestorvene’. Willem Kloos, Verzen. Definitieve tekst, ‘s-Gravenhage 19849: ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’. Huub Oosterhuis, Levende die mij ziet, Kampen/Tielt 1999, blz. 129: ‘Aan de tranen’. Michel van der Plas, De ovens bekennen kleur, Amsterdam 1993, blz. 116: ‘Verdriet’. Dorothee Sölle, De moedervan Eva, Baarn 1985, blz. 88: ‘Als jij verdrietig bent…’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 40: ‘Hij knikt en uit zijn slaap-versteende ogen…’. Elly de Waard, Anderling, Amsterdam 1998, blz. 63: ‘Tranen zijn mij nabij…’.

c.Verwerking:

Er zijn weinig woorden die zo menselijk, zo levensecht zijn als het woord traan. Bespreking of uitleg ervan kan emotie oproepen. Immers, gebeurtenissen gaan er opnieuw door leven. Een goede mogelijkheid om in kleine groep het begrip te bespreken, is het werken met foto’s. De opdracht kan luiden: welke foto kies je uit als je denkt aan tranen? Ook kunnen we ingaan op het zogenaamde charisma van het tranen vergieten, zoals dat in het vroege christendom bestond: sommige mensen hebben van God de gave gekregen om te huilen. Hoe kijken wij daar vandaag tegenaan? Thema’s die voortkomen uit het woorden tranen zijn verdriet, verlies, lijden, troost en rituelen.

Verwijzing

Als bron van tranen vormen tranen een sterke verwantschap met het ‘oog‘.

< Terug