< Terug

Vloek, vloeken, misbruik van de Naam

Geloofstaal & cultuurtaal

De vloek is in alle opzichten het tegenovergestelde van de zegen. Treffend geeft de profeet Jeremia dit aan met de beelden van een dorre struik (een vervloekt leven) respectievelijk een bloeiende boom (een gezegend leven, zie Jer. 17:5-8). Terwijl de zegen welzijn, geluk en leven bevordert, brengt de vloek afbraak, onvruchtbaarheid en ontbinding. Dit besef klinkt ook door in ons moderne taalgebruik met verschillende toepassingen van de notie van vloek en vervloeking. Ieder begrijpt wat er bedoeld wordt met de opmerking dat Hitler een vloek voor de wereld was. Als iets maar niet wil lukken, zegt men wel dat er een vloek op rust. Wie een ander vervloekt, wenst hem allerlei kwaad en onheil toe. Een specifieke betekenis krijgt de vloek bij het gebruik van krachttermen om teleurstelling, misnoegen of boosheid te onderstrepen. Daarbij is er verschil tussen opzettelijke blasfemie (godslastering) en het misbruik van Gods naam als een achteloos stopwoord. Weinigen zullen zich bewust zijn dat ze met zo’n vloek letterlijk God bidden om zijn verdoemenis over hun bestaan. Bekend is de papegaai-poster van de Bond tegen het Vloeken: ‘vloeken is aangeleerd’. Ook in de geloofstaal speelt de vloek in deze laatste zin van het woord een rol. Veel kerkgangers denken bij het luisteren naar de Tien Geboden primair aan vloeken als gewaarschuwd wordt tegen het ‘ijdel gebruik’ van de Naam (zie echter onder). In de leer van de Rooms-Katholieke Kerk heeft de banvloek (anathema) een plaats; zo werd bij het Concilie van Trente (1545-1548) het anathema uitgesproken over hen die de reformatorische visie waren toegedaan. In evangelische kringen komt men vaak de mening tegen dat een vloek generaties kan voortduren om een geslacht of plaats te teisteren.

Woorden

Het Oude Testament kent een veelvoud aan woorden die de notie van het ‘(ver)vloeken’ uitdrukken, met als belangrijkste ala, qilleel en arar. Voor ‘vloek’ of ‘eed’ (een vorm van zelfvervloeking) wordt ala gebruikt, of ook qelala. Bij benadering kan gezegd worden dat ala doorgaans ziet op een conditionele vervloeking die pas in werking treedt als er gezondigd wordt, dat qilleel aanleunt tegen ons ‘verwensen’ in verachtende zin, en dat arar veelal functioneert in verdragsbepalingen. De eigen contouren van deze woorden zijn echter vervaagd, vaak zijn ze inwisselbaar. Een eufemistisch woord voor vervloeken is barach, letterlijk ‘zegenen’ in de zin van ‘vaarwel zeggen’ (vgl. Job 1:5, 11; 2:5, 9). De relevante nieuwtestamentische woorden zijn katara en anathema. Dit laatste sluit aan bij de vertaling van het Hebreeuwse woord voor ‘ban’ in de Septuagint. Het Nieuwe Testament eindigt met de verwachting dat er in het nieuw Jeruzalem niets vervloekts (kata-thema) meer zal zijn (Op. 22:3).

Betekenis in context

Oude Testament

De realiteit van een vloekwoord

Voor de oud-oosterse mens was een woord niet ‘slechts’ een woord. In de wereld van toen was een woord ook een werkelijkheid, een daad. Daarom was men beducht voor de ernst en de realiteit van een vervloeking. Op alle mogelijke terreinen van het leven werden vervloekingen als een heel normaal middel gehanteerd. In de rechtsspraak functioneerde de vloek als een middel om de onbekende schuldige te treffen. Dieven, oneerlijke lieden die geleende goederen niet terugbrengen, grafschenners: de vloek over hen! Waar wij strafbepalingen in onze wetgeving kennen, hadden de oud-oosterse wetten reeksen vervloekingen staan. Bij verdragen en verbonden werden vervloekingen gevoegd, als een soort sanctie. Op graven, gebouwen en grenspalen stonden vervloekingen ter beveiliging. De vloek was een alledaags instrument: ter bescherming, ter beveiliging, als garantie. Veel hiervan vinden we ook in het Oude Testament terug.

Vloek en verbond

Vervloekingen spelen een belangrijke rol in het kader van Gods verbond met Israël. Na alle bepalingen die de omgang tussen God en zijn volk vorm moeten geven, volgen reeksen zegen- en vloekspreuken. Vooral de vloek-spreuken die het volk de noodzaak van gehoorzaamheid aan God en trouw aan het verbond willen inprenten, nemen dan veel plaats in (Lev. 26; Deut. 28). Zegen en vloek corresponderen met leven en dood (Deut. 30:19). Laat iemand wiens hart van Gods verbond afwijkt, bij het horen van de vervloekingen niet denken dat hij wel gezegend zal blijven (Deut. 29:19). Toen Israël het beloofde land binnentrok, was een van de eerste officiële daden dan ook de plechtige acceptatie en vernieuwing van het verbond. Het volk verdeelde zich in twee groepen: op de berg Geri-zim om de zegen te beamen, en op de berg Ebal om de vloek te beamen (Deut. 11:29-32; 27:11-26; Joz. 8:30-35). Het hele dagelijkse leven kwam op deze wijze onder de hoogspanning van Gods zegen en vloek te liggen. Veel van de voor ons zo bevreemdende beden in de ‘vloekpsalmen’ behelzen in feite een inhaken op déze vloekspreuken, die het verbond sanctioneerden. Het betreft hier niet een verlangen naar eigen wraak, maar de hoop dat God zijn verbond gestand doet, tegen alle ongerechtigheid in (vgl. Klaagl.3:65).

Vloek en rechtspraak

Ook in de sfeer van recht en waarheidsvinding krijgt de vloek een functie. Wanneer iemand verdacht of aangeklaagd wordt van een zonde – terwijl hij meent onschuldig te zijn – kan hij onder een vloek geplaatst worden. Een duidelijk voorbeeld hiervan biedt de zogenaamde wet op de jaloezie in Numeri 5:11-31, die in werking treedt als een vrouw overspel heeft gepleegd. De priester zal debetreffende vrouw onder een eed van vervloeking stellen (5:19, 21). Een vervloeking kan worden uitgesproken bij een misdrijf of vergrijp, waarvan de dader onbekend is (Ri. 17:1). De eed is een vorm van zelfvervloeking (vgl. de formule in 1 Sam. 14:44: ‘Zo moge God mij doen, ja nog erger, voorwaar…’; vgl. 1 Kon. 19:2; 20:10; Neh. 10:29 en Hand. 23:12). Iemand kan van zijn naaste die hij verdenkt, eisen dat hij zich onder een eed stelt (1 Kon. 8:31). Concrete zelfvervloekingen vinden we bijvoorbeeld in Job 3:1-19 en Jeremia 20:14-18.

De wereld van het Oude Testament kent een zeker onderscheid tussen legitiem en illegitiem vloeken. De vloek is een wapen in de hand van God, of van hen die in zijn dienst staan (bijv. een priester in Num. 5; een profeet in 2 Kon. 2:24 of Jer. 18:21-22). Maar God vervloekt wie Abraham vervloeken (Gen. 12:3) en verkeert de vloek van Bileam in zegen (Deut. 23:5). Het vervloeken van de ouders (Ex. 21:17) of van gehandicapten (Lev. 19:14) wordt gestraft. Job zegt: ‘… ik liet niet toe, dat mijn mond zondigde door hem met een vloek de dood te wensen’ (31:30; vgl. Hos. 10:4). Het ergste is als men God of een vorst vervloekt (Ex. 22:20; 2 Sam. 16:9; Jes. 8:21; vgl. 1 Kon. 21:13).

De lastering van de Naam

Illustratief is Leviticus 24:10-23, waarin wordt verhaald van een ruzie tussen twee mannen waarbij de ene Gods naam lastert en vloekt. Het is niet geheel duidelijk wat hier gebeurt: wordt Gods naam misbruikt om de ander te vervloeken, of wordt God Zelf, die de God van Israël is, vervloekt? Waarschijnlijk gaat het om het laatste. In het derde gebod van de Dekaloog wordt het misbruik van Gods naam expliciet veroordeeld (Ex. 20:7; Deut. 5:11; vgl. Ps. 139:20). Gods naam mag niet ‘ijdel’, dat is: zinloos, onterecht, domweg gebruikt worden (lett.: ‘opgeheven worden’, zoals men een instrument opheft). Hierbij gaat het niet zozeer om het uitspreken van de Naam op zich, maar om het misbruik maken van die Naam, namelijk om daarmee iets te bereiken waarvoor die Naam niet bestemd is (bijv. om iemand kwaad te doen, of om eigen zaken te rechtvaardigen).

Nieuwe Testament

Evenals in het Oude Testament wordt ook in het Nieuwe Testament gewaarschuwd tegen het (ver)vloeken. Christus roept zijn discipelen op om tegenover de vloek de zegen te stellen (Luc. 6:28, vgl. Rom. 12:14; Jak. 3:9-10). Om de waarheid en ernst van zijn eed te bewijzen, spreekt Petrus een zelfvervloeking uit (Mat. 26:74).

In zijn strijd met de dwaalleer in de gemeenten van Galatië vecht Paulus de mening aan dat christenen zich moeten laten besnijden, als teken van het geheel voldoen aan de wet. Radicaliserend schrijft de apostel, dat wie het van werken der wet verwachten, onder de vloek liggen – immers, de wet was met een vloek bekrachtigd. Maar Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden (Gal. 3:10-13). Een aan het hout gehangene is immers door God vervloekt, zo citeert Paulus Deuteronomium 21:23, dit toepassend op het kruis. Dit raakt het hart van het evangelie. Wij mensen redden het niet, want reeds de minste wetsovertreding stelt ons schuldig, brengt ons onder de vloek. Maar Hij redt ons, door op de plaats te gaan staan waar de vloek zijn verwoestend werk verricht. Hij is geworden wat wij waren: Hij werd een vervloekte – opdat wij in de zegen van Abraham zouden delen.

Nu in Christus Gods heilswerk volledig openbaar is geworden, komt alles op scherp te staan. De scheiding der geesten wordt duidelijk. Gedreven door de Heilige Geest zal niemand ooit kunnen zeggen: vervloekt is Jezus(1 Kor. 12:3; gaat het hier om een joodse ban-formule, of om een uiting van geestdrijvers die van de aardse Jezus niet meer wilden weten?) – integendeel: Jezus is Kurios! Al wie een ander evangelie brengt, hij zij vervloekt (anathema, Gal. 1:8-9). De uiterste aansporing tot overgave aan de Here Jezus is merkbaar in de woorden van 1 Kor. 16:22: ‘Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt’.

Kern

Het uiten van een vloekwoord is in de wereld van de Bijbel – en zo ook vandaag overal, waar men het gesloten westerse wereldbeeld afwijst – een ernstige zaak, omdat men daarmee een ander niet alleen schade toewenst maar ook daadwerkelijk het kwade over hem afroept. God Zelf staat garant voor de waarheid en werkelijkheid van wat de vloek inhoudt, die dan ook alleen in zijn Naam effectief uitgesproken mag worden. Misbruik van Gods naam, zowel in de onterechte vervloeking van andere mensen als in het achteloos noemen of blasfemisch lasteren van de Naam, is een verschrikkelijk kwaad. God Zelf heeft met zijn vloek de grenzen van het verbond aangegeven. Dat Christus de vloek van de wet in onze plaats gedragen heeft, bevrijdt ons tot een leven in Gods zegen.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: zegen, verbond, wet, naam.

< Terug