< Terug

Wat wil de Oudste eigenlijk?

Fabula en plot in 3 johannes

Waar gaat het om in 3 Johannes: vier namen, twee brieven en één conflict? Wat hebben die met elkaar te maken? Waarom vertelt de Oudste aan Gajus wat er gebeurd is? Door een analyse van het verhaal achter en in de brief werpen we nieuw licht op deze beknopte tekst.

Ruben van Wingerden is promovendus Nieuwe Testament aan de Tilburg School of Catholic Theology.

De derde brief van Johannes is niet een brief waaruit vaak gepreekt wordt. De brief bestaat uit slechts 15 verzen (de kortste brief uit het Nieuwe Testament), de omstandigheden zijn raadselachtig en er komen geen theologische diepzinnigheden aan bod. Jezus’ naam wordt niet genoemd, er is alleen een verwijzing naar ‘de Naam’ (vers 7) in een bijzin. Die verwijzing lijkt het enige Joodse of christelijke aan de brief. Toch staat het in onze Bijbel. Veel konden de vroege christenen er ten tijde van de vaststelling van de canon ook al niet mee en waarschijnlijk heeft het etiket ‘derde brief van Johannes’ ervoor gezorgd dat de brief als canoniek werd geaccepteerd. Vreemd genoeg spreekt de brief niet over Johannes, maar over de Oudste. Commentaren speculeren erop los of het nu Johannes de Evangelist was, of Johannes van Openbaring of een andere Johannes (genoemd door Papias in een tweede-eeuws fragment), of helemaal geen Johannes. Speculatie geldt ook voor de relatie met de andere Johannesbrieven. 3 Johannes suggereert dat het na 1 en 2 Johannes komt, maar we kunnen niet uit de brief opmaken dat dit werkelijk zo is. Sommige bijbelwetenschappers stellen dan ook dat de volgorde andersom is, van 3 naar 1, of: 1, 3, 2. Er ontbreekt veel informatie over de brief en de meeste bijbelcommentaren besteden daarom hooguit tien pagina’s aan het commentaar op 3 Johannes. Er zijn zelfs geleerden die stellen dat 3 Johannes een opzettelijke vervalsing of een nep-brief is. Dat is nog iets anders dan een pseudepigrafische brief, waarin ofwel iemand in naam van een bekend persoon schrijft

(vaak om de brief meer gezag te geven), ofwel een brief die in later tijden ten onrechte is toegeschreven aan een bekend persoon.

De Oudste, zoals hij zichzelf noemt, lijkt steun te zoeken bij een zekere Gajus (1) vanwege een conflict met een zekere Diotrefes die boodschappers van de Oudste niet wil ontvangen en degenen die dat wel willen doen belemmert en zelfs de gemeente uit jaagt (10). Er is veel gezegd over dat conflict: het zou draaien om wie het grootste gezag zou hebben in een bepaald gebied, of om een eerste stap naar een bisschoppelijke structuur. Een enkeling stelde zelfs dat Diotrefes de ‘good guy’ is en de Oudste de ‘bad guy’: een kwestie van perspectief dus.

3 Johannes

1 Van de oudste. Aan mijn geliefde broeder Gajus, die ik werkelijk liefheb.2 Geliefde broeder, ik hoop dat het u in alle opzichten goed gaat en dat u gezond bent. Dat het uw ziel goed gaat weet ik, want tot mijn grote blijdschap kwamen hier telkens weer broeders die van uw trouw aan de waarheid getuigden; ze vertelden dat u de weg van de waarheid volgt. Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen de weg van de waarheid volgen. Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet, zelfs al kent u hen niet. Ten overstaan van de gemeente hebben zij van uw liefde getuigd. Wees zo goed hen voor de verdere reis uit te rusten op een wijze die God waardig is. Ze zijn immers omwille van de Naam op reis gegaan en hebben van de ongelovigen niets aangenomen. Daarom horen wij zulke mensen gastvrij te ontvangen en zo mee te werken aan de verkondiging van de waarheid. Ik heb hierover al aan de gemeente geschreven, maar Diotrefes, die daar de dienst wil uitmaken, trekt zich niets van ons aan. Als ik kom, zal ik zijn gedrag ter sprake brengen. Die man verspreidt laster over ons, en daar laat hij het niet bij: hij weigert de broeders te ontvangen, en houdt degenen tegen die dat wel willen en verjaagt hen uit de gemeente. Geliefde broeder, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goed doet komt uit God voort; wie kwaad doet heeft God niet gezien. Van Demetrius is door iedereen een goed getuigenis gegeven, ook door de waarheid zelf. Ook wij doen dat, en u weet dat ons getuigenis betrouwbaar is. Er is nog veel dat ik zou willen zeggen, maar dat wil ik niet doen met pen en inkt. Ik hoop u spoedig te zien; dan kunnen we elkaar persoonlijk spreken. Vrede zij met u. De vrienden hier groeten u. Groet elk van de vrienden bij u persoonlijk.

We hebben te maken met een historische auteur die we voor het gemak Johannes noemen.

Plot en fabula

De derde Johannesbrief is uitgebreid bestudeerd vanuit een klassiek retorisch kader. Uitgangspunt was dat de brief een klassieke redevoering zou zijn, met bijbehorende opbouw en stijl. Die analyse laat zien dat volgens de klassieke retorische stijl de brief overtuigend zou moeten zijn. Maar hoewel deze analyse veel heeft opgeleverd is het maar de vraag of de brief wel in de categorie van klassieke redevoering past, want in de klassieke theorieën en handboeken over het schrijven van brieven wordt niet over de verschillende categorieën redevoeringen en hun opbouw gesproken. In tegenstelling tot een redevoering heeft een brief vaak een gemengde boodschap met verschillende gedachtegangen: in een brief reageer je vaak op verschillende omstandigheden die dikwijls ook nog eens niet uitgelegd worden, omdat je veronderstelt dat de ontvanger aan wie je de brief stuurt, begrijpt waarover je het hebt.

Naast de retorische stijl, kun je ook kijken naar het verhaal dat achter een brief schuilt en hoe dat een rol speelt in de brief. In de besproken retorische analyse is dat niet gebeurd, en we denken dat dit wel wat oplevert. In deze bijdrage willen we dus kijken naar de manier waarop de Oudste zijn brief heeft opgebouwd. We willen laten zien hoe de brief zelf een verhaal is (en hoe er een verhaal achter schuilt) en we willen laten zien hoe dat verhaal verteld wordt en wat er dan in de brief gebeurt. Daarbij letten we op fabula en plot: termen die ik ontleen aan het werk van semioticus Umberto Eco (1932-2016) die het op zijn beurt van de Russische formalisten heeft overgenomen. De fabula is simpel gezegd de chronologische volgorde van de gebeurtenissen en het plot is het verhaal zoals het is verteld, met onderbrekingen, flashbacks/forwards, uitweidingen etc. Een verhalende tekst wordt gekenmerkt doordat er een agens (menselijk of niet) aanwezig is, een oorspronkelijke toestand, verandering en een (kortstondig) resultaat. In eerste opzicht is dit een vreemde focus, aangezien 3 Johannes geen verhalende tekst is, maar een brief. Nu is het wel zo dat deze brief allerlei verhaalelementen bevat. Daarbij kun je ook van de niet-verhalende delen een verhalende vorm maken. In principe kun je van elke tekst een ‘verhaal’ maken. Zo kun je van de opdracht ‘Doe je jas uit’ de volgende verhalende vorm maken: ‘er is iemand die me vertelt dat ik mijn jas uit moet doen’ (of: ‘er is iemand die een ander vertelt zijn/haar jas uit te doen’). Hier kijken we slechts naar de gebeurtenissen vanuit het perspectief van de Oudste.

Wie is er aan het woord?

Allereerst is het goed om te kijken naar de tekstuele strategie: wie is er aan het woord? We hebben te maken met een historische auteur die we voor het gemak Johannes noemen. Eind eerste eeuw na Christus schrijft hij een brief en presenteert zichzelf daarin als de Oudste. Dat wil zeggen dat de auteur zichzelf een titel of bijnaam toebedeelt, waaruit we een fundamenteel principe kunnen opmaken: de werkelijke auteur valt nooit compleet samen met de ‘tekstuele’ auteur of modelauteur. Dat is misschien het duidelijkst in een fictief verhaal dat met de ik-persoon spreekt. Toch geldt dit ook voor brieven. Een werkelijke auteur presenteert een ‘papieren-ik’ die communiceert met de lezer die hij of zij zich voorstelt. Niettemin, doorgaans vertrouwen we erop dat wat we lezen ‘waar’ is, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat de tekst niet ‘klopt’ of niet overeenkomt met onze werkelijkheid. Bijvoorbeeld, wanneer een tekst begint met ‘er was eens’, zal dat direct een aanleiding zijn om een tekst (voorlopig) te categoriseren als sprookje tenzij de tekst die aanname tegenspreekt. Daarnaast zijn er auteurs die ervoor kiezen om – met verschillende redenen – te werken of te publiceren onder een andere naam, een pseudoniem. Zo is het boek Gullivers reizen als eerste uitgegeven met als auteur Lemuel Gulliver en niet de ‘echte’ auteur Jonathan Swift. De ‘echte’ auteur wilde het doen voorkomen alsof de geschreven gebeurtenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dat zien we ook met pseudepigrafische geschriften in de Bijbel: er wordt gepretendeerd iemand te zijn (in de meeste gevallen is het niet zo dat een auteur de lezer wil misleiden), en soms kunnen we zien dat de schrijfstijl of het taalregister compleet afwijkt van wat het zou moeten zijn.

Enige van de 24 oudsten uit de Openbaring van Johannes. Moissac, de abdij van St Petrus. Omstreeks 1115.

In het geval van 3 Johannes heeft de auteur zichzelf aan de tekst toevertrouwd en is onderdeel geworden van de tekstuele strategie: de Oudste is de verteller en eerste spreker in de brief. De brief bevat een bewering over de wereld van toen: Ik de Oudste, schrijf op dit moment aan jou Gajus en ik zeg p. P is alles wat de oudste zegt. Dat is inclusief de verhalende aspecten, de aansporingen, de complimenten, en de aanbeveling van Demetrius. Daarnaast lijkt de Oudste te zeggen Ik zweer dat p waar is. Het is een soort performatieve modus wat wil zeggen dat de uiting de handeling die wordt aangeduid, tot stand brengt (in dit geval het waar-zijn). Tussen de Oudste en Gajus bestaat een soort afspraak waardoor Gajus – en elke andere geadresseerde van de brief – moet aannemen dat p waar is. (Dit geldt strikt genomen niet voor ons, aangezien we deze brief in de canon als speciale brief buiten de historische context lezen. Maar toch hebben ook wij een primair vertrouwen in de tekst dat deze ‘klopt’ en dat wat de Oudste vertelt, waar is.) In andere woorden: de brief spreekt over gebeurtenissen die in een historische context zijn ontstaan (voor Gajus gebeurtenissen die niet ver in het verleden liggen) waarvan we in de brief iets terugzien, en… dat de Oudste niet liegt.

Aanbevelingsbrieven speelden een belangrijke rol voor reizigers die op doortocht waren.

Een schets van de Oudste

Op het eerste gezicht lijkt de Oudste een complimenteuze brief te schrijven aan Gajus, hoe deze ‘de broeders’ ontvangt, met een klacht over hoe het niet moet (Diotrefes) en als centrum van de boodschap een aanbeveling van Demetrius; we weten uit de klassieke brief-theorieën en ook uit Egyptische papyri dat aanbevelingsbrieven er ongeveer zo uitzagen als 3 Johannes. Maar waar wordt Demetrius voor aanbevolen? In de brief zelf wordt dat niet helemaal duidelijk, maar in de oudheid was dat vaak voor werk, zoals we dat nu ook nog kennen. Maar aanbevelingsbrieven speelden ook een belangrijke rol voor reizigers die op doortocht waren. Als reiziger kon je met een aanbevelingsbrief vaak op gastvrijheid rekenen, een belangrijke waarde in de Oudheid. Demetrius wordt dus aanbevolen aan Gajus, en de bedoeling is dat Gajus zijn geprezen gedrag jegens reizigers voortzet. Helaas weten we niet hoe Gajus heeft gereageerd, en kennen we ook nauwelijks de omstandigheden van de christelijke gemeenschappen waarvoor/waarin deze brief is geschreven (er is een voorzichtige consensus dat deze gemeenschappen zich in Klein-Azië, het huidige Turkije, bevonden). Het plot met al het commentaar en de aansporingen zorgt echter wel voor een rommelig geheel, waarbij commentatoren ook vaak een net iets andere indeling van de brief hanteren. Meestal worden de verzen 5–8, 9–11, 12 als aparte delen gepakt, maar ook vaak 9–12 als geheel, of 9–10 en 11–12. Blijkbaar is het moeilijk te vatten wat er nu aan de hand is. Als we de fabula ordenen naar chronologie van wat de Oudste mee heeft gemaakt, zien we het volgende, waarbij t0 voor de eerste gebeurtenis staat, en t7 voor de laatste gebeurtenis.

t0: Er zijn reizigers op weg: of het om een of meer groepen gaat, weten we niet.

tn1a: Een groep komt bij Gajus aan en wordt ontvangen (of ze al bij Diotrefes zijn geweest, is onduidelijk).

tn1b: Een groep komt bij Diotrefes aan maar wordt geweigerd.

t2: Er keert een groep (terug) naar de Oudste tegenover wie ze getuigen van Gajus’ goede daden.

t3: De oudste heeft een brief geschreven (waarschijnlijk een aanbevelingsbrief naar Diotrefes, maar of de broeders die geweigerd zijn die brief bij zich hadden, is onduidelijk).

t4: Diotrefes doet een aantal dingen, die niet nader bepaald worden in de tijd: – Spreekt laster over de Oudste en de broeders – Weigert broeders te ontvangen – Houdt degenen tegen die dat wel willen – Verjaagt de gastvrije mensen uit de gemeente

t5: Broeders komen bij de Oudste en vertellen van Diotrefes’ acties.

t6: De Oudste besluit Demetrius naar Gajus te sturen (of Demetrius tegelijkertijd met de brief in een groep of alleen is gezonden, is onbekend).

t7: De Oudste besluit een begeleidende brief te schrijven voor Demetrius (de Oudste wilde Gajus nog meer schrijven, maar dat is onbekend. We weten ook niet wat er tussen t5 en t6 is gebeurd, of de Oudste bijvoorbeeld nog meer heeft gedaan aan de ‘zaak’ Diotrefes, bijvoorbeeld door nog meer mensen te zenden).

t7a: De Oudste beveelt Demetrius aan, en spoort Gajus aan door te gaan met zijn goede gedrag.

t7b: De Oudste hoopt naar Diotrefes te gaan en hem te confronteren.

t7c: De Oudste hoopt Gajus spoedig te zien in verband met andere aangelegenheden.

Wanneer je de fabula zo beschouwt, valt er een aantal zaken op. Het is het duidelijk dat de broeders, en daardoor ook de Oudste, het slachtoffer zijn van Diotrefes’ ongastvrijheid. Daar tegenover staat de gastvrijheid van Gajus. Daarnaast is de Oudste de spil in het verhaal, hij bepaalt en stuurt op weg, schrijft en beveelt aan. Tegelijkertijd is het niet duidelijk wat de relatie tussen de Oudste en Diotrefes is, en waar het conflict om draait: gaat het om gezag? Is het alleen maar een klacht aan het adres van Gajus, die er wel of niet iets mee kan, of zoekt de Oudste hulp in dit conflict? Wanneer je nu de fabula bekijkt en vergelijkt met het plot, de discursieve structuur van de brief, is de aanbeveling van Demetrius totaal ondergesneeuwd geraakt door een wirwar aan gebeurtenissen, commentaar en uitweidingen, en lijkt Gajus helemaal niet betrokken bij de situatie met Diotrefes. Demetrius wordt compleet naar de achtergrond geschoven. Als je niet zou weten dat in vers 12 op een gangbare wijze een persoon wordt aanbevolen en dat dus betekent dat hij ontvangen moet worden, lijkt het zelfs een compleet nieuw onderwerp te zijn in de brief. Daarbij komt nog dat het verhaal dat Gajus leest, steeds onderbroken wordt door complimenten, aansporingen en commentaar op het vertelde. De fabula wordt daardoor verborgen, maar waarom? De reden is dat de fabula ten dienste staat van het plot, van hoe de brief is opgesteld, als retorisch motief: we hebben een brief die een beroep doet op Gajus’ gastvrijheid: hij moet Demetrius ontvangen. Dat maakt de brief een performatieve brief; een brief die ervoor zorgt dat een bepaalde handeling gaat gebeuren. Doordat de Oudste Gajus’ goede gedrag benadrukt en het slechte gedrag van Diotrefes benoemt (en ook benoemt dat hij het recht wil zetten), kán Gajus niet anders dan gehoorzamen. De modellezer, de lezer die de Oudste zich voorstelt (Gajus), wordt door de opbouw van de brief in een bepaald keurslijf geduwd, zonder dat daar een duidelijke en expliciete retoriek mee gemoeid is. Ten eerste laat de fabula zien dat de Oudste in het centrum van de informatievoorziening staat. Iedereen, zo wordt in de fabula gepresenteerd, rapporteert aan de Oudste: het is een komen en gaan van reizigers/boodschappers van en naar de Oudste. Ten tweede, de Oudste gebruikt allerlei constructies die de modellezer ondergeschikt maken aan de Oudste. Hij constateert wat voor goeds Gajus doet (tegenwoordige tijd; verzen 3 en 5), hij geeft opdrachten hoe verder te handelen (6 en 11), en houdt Gajus een beloning voor als hij doorgaat met zijn gedrag dat als ‘goed’ bestempeld wordt ‘opdat wij medearbeiders worden van de waarheid’ (8). Daarbij contrasteert de Oudste Gajus’ gedrag met dat van Diotrefes, wiens gedrag duidelijk ‘slecht’ is: hij ontvangt niet en doet zelfs erger. Hij contrasteert het niet alleen, maar geeft ook aan dat het gecorrigeerd gaat worden, wanneer hij naar hem toe gaat (10). Daarnaast is het hoofdthema van de brief gastvrijheid (met ‘ontvangen’ aangeduid, in de verzen 8, 9 en 10; en impliciet in vers 5). Doordat dit gedrag wordt geprezen in de brief, moet Gajus Demetrius wel ontvangen (hoewel dit niet expliciet wordt benoemd) en dit wordt versterkt door een appel van de Oudste aan de kennis en vertrouwen van zijn lezer: ‘u weet dat ons getuigenis waar is’ (12). Juist door de fabula op een gebroken manier te presenteren, met commentaar en uitweidingen, en door de fabula in te zetten als opmars voor de aanbeveling van Demetrius kan de modellezer (wederom, we weten niet hoe Gajus daadwerkelijk heeft gereageerd) niet anders dan Demetrius ontvangen.

De Oudste presenteert zich als iemand die weet waarover hij het heeft en laat zijn autoriteit gelden.

Hoewel 3 Johannes vol ‘gaten’ zit – we weten erg weinig van de omstandigheden – kunnen we in ieder geval concluderen dat de Oudste zich presenteert als iemand die weet waar hij het over heeft, die een duidelijk beeld heeft van de situatie en zijn autoriteit laat gelden. Niet alleen de retorische stijl wordt door de Oudste ingezet om zijn boodschap overtuigend te maken, maar ook de indeling en afwisseling van verhaal en niet-verhaal. Door de onderliggende fabula in de brief te zetten en steeds te onderbreken heeft de Oudste een perfomatieve brief geschreven: Hij creëert een werkelijkheid – dat Gajus Demetrius gastvrijheid toont – terwijl die werkelijkheid er nog niet is, zo zeker is de Oudste ervan dat Gajus de boodschap van de brief zal opvolgen.

< Terug