< Terug

Wie luistert naar muziek is altijd in het nu

Muziek en ervaringen van transcendente aanwezigheid

Voor veel mensen is muziek een belangrijke route naar stilte, meditatie en ontmoeting met de Heilige. In muziek openbaart zich iets wat we ‘transcendente aanwezigheid’ zouden kunnen noemen. Die ervaring laat zich niet gemakkelijk verwoorden. In dit artikel probeert Martin Hoondert er toch iets over te zeggen.

Met mijn koor Katharsis, een klein koor van mensen tussen de 25 en de 50 jaar oud, eindig ik de repetities vaak met een gezongen zegenbede afkomstig uit Iona, gecomponeerd door John Bell.

God to enfold you,

Christ to uphold you,

Spirit to keep you in heaven’s sight;

So may God grace you,

heal and embrace you,

lead you through darkness into the light.

De meerstemmigheid van dit korte lied is van belang, met name de dissonante akkoorden in de eerste twee regels en de beweeglijke bas. Met de verkeerde akkoorden is dit lied machteloos. Als koor weten we wat we doen, we zingen elkaar zegen toe, het is een Song of mutual blessing. Maar vooral ervaren we wat we doen, we omzingen elkaar, we omhullen elkaar met klanken. De tekst van deze zegenbede geeft kleur aan de klankrijke ervaring van het gekoesterd en gezegend worden. Die muzikale ervaring gaat voorop, de duiding door de tekst komt erna.

Muziek als lichamelijke ervaring

Muziek maken, wil zeggen zingen, een instrument bespelen of luisteren naar muziek. Hierdoor ervaren we muziek. Of we nu actief of passief muziek ervaren, dit vraagt altijd dat we de beweging van de muziek blijven volgen. Muziek nodigt ons daartoe uit. Wie een boek leest, kan met zijn ogen vooruit lezen of teruggaan in de tekst, kan stil blijven staan bij een mooie zin of een treffende uitspraak. Wie een gedicht leest, wordt uitgedaagd de tekst te interpreteren en voorbij de woorden te zoeken naar een andere betekenislaag. Muziek doet dat juist niet. Zij verwijst naar niets dan naar haarzelf, zij trekt de aandacht volledig naar haarzelf toe. Als we gebruik maken van een ruimtelijke metafoor om de muzikale ervaring te beschrijven, dan kunnen we spreken van de centripetale kracht van muziek. We worden als het ware naar het muzikale centrum toe getrokken. Met behulp van een tijdmetafoor kunnen we zeggen dat het luisteren naar muziek of het zelf actief muziek maken altijd een nu-ervaring is. Wie luistert naar muziek is altijd in het ‘nu’, anders luister je niet meer.

Omdat de muzikale ervaring niet zozeer uitdaagt tot interpretatie, dat wil zeggen tot het zoeken naar een betekenis die buiten de muzikale ervaring ligt, is de muzikale ervaring niet zozeer een activiteit van het hoofd, maar van het lichaam. De pragmatische filosoof Richard Shusterman spreekt van somaesthetics: somatische esthetica (Grieks: soma = lichaam). Hij pleit voor een (hernieuwde) waardering van het lichaam als plaats van kennis. Met andere woorden: we ‘begrijpen’ muziek met en dankzij ons lichaam.

Muziek dringt zich onontkoombaar aan je op

Bij somaesthetics gaat het om het waarderen van muziek vanuit de lichamelijke ervaring. Ik kan dat vanuit verschillende aspecten van de ervaring toelichten. Zo werkt muziek in op onze emoties en emoties zijn eerst en vooral fysieke reacties – je gaat zweten, blozen, je hart gaat sneller kloppen, enzovoorts. Ook kan muziek ons een ervaring van eenheid en verbondenheid geven, een ervaring die ten dele fysiek is doordat we ons via onze oren en trommelvliezen engageren met het geluid dat de ander maakt. Als we samen zingen, delen we met elkaar onze fysieke kenmerken die zich openbaren in de klank – we noemen dat het timbre – en juist dat geeft een sterk gevoel van verbondenheid.

Musicking

De muzikale ervaring, de lichamelijke ervaring van muziek, leidt tot onder meer een gevoel van verbondenheid, een nu-ervaring, een sterk en onontkoombare focus op de muziek zelf. In psychologische termen kunnen we spreken van flow: een manier van zijn waarbij alle aandacht gefocust is op één ding: musiceren, actief of passief. De psycholoog William James (19021982) die we mogen beschouwen als de grondlegger van de transpersoon-lijke psychologie, beschreef dergelijke ervaringen als unitive experiences, ervaringen van eenheid – eenheid met andere mensen, de omgeving, het universum. Nu heet transpersoonlijke psychologie niet voor niets transper-soonlijk, zij is juist geïnteresseerd in ervaringen die voorbij – trans – het zelf gaan. Aan de hand van enkele auteurs die mij inspireren en uitdagen na te denken over hoe muziek werkt, zal ik het transpersoonlijke karakter van de muzikale ervaring verder verkennen.

Een inspirerend auteur inzake de werking van muziek is cultureel musicoloog Christopher Small (1927-2011). Hij onderzocht wat er gebeurt met mensen als we muziek maken. In zijn boek uit 1998 spreekt hij consequent van musicking (muzieken) en dus niet van muziek als werk of compositie, als iets wat genoteerd staat. Het gaat hem om muziek als performance, als manier van doen. Hoe kunnen we spreken over muzikale ervaringen als muziek niet tot klinken wordt gebracht? Hoe kunnen we spreken over muziek als ervaring van een weten door het lichaam als we de muziek niet horen of zelf, musicerend, aan den lijve ondervinden?

Met de muziek mee

Small ziet musicking als een activiteit die plaatsvindt in een netwerk van relaties. Componisten (en hun voorgangers en grote voorbeelden), musici (daadwerkelijk aanwezig of virtueel via cd of streaming) en luisteraars maken allen deel uit van musicking. De performance kan alleen plaatsvinden dankzij dit relatienetwerk. Maar het omgekeerde gebeurt ook: door het musicking wordt het relatienetwerk reëel ervaarbaar. Deelnemen aan musicking maakt dat je onderdeel wordt van een relatienetwerk dat de grenzen van het eigen ik ver overschrijdt. Doordenkend in de lijn van de Griekse filosoof en wiskundige Pythagoras (6e eeuw voor Christus) voegt Christopher Small eraan toe dat het niet alleen gaat om relaties met mensen in heden en verleden, maar ook met het eigen lichaam en – daar komt Pythagoras – de kosmos. Ik laat dit mooie maar speculatieve spoor weer los, want het gaat naar mijn idee voorbij aan de klinkende muziek zelf, voorbij aan de muzikale ervaring.

Bij muzikale ervaring is sprake van immersie, onderdompeling. De muziek dringt zich onontkoombaar aan je op, je kunt niet anders dan erin meegaan. De muzikale ervaring is als het binnentreden van een kathedraal (stel je Chartres voor): het gebouw overweldigt je, het is overal om je heen, je zit er helemaal in. Zo is muziek een kathedraal van geluid. Zoals gezegd noemt William James dit een unitive experience. We zouden kunnen zeggen dat de muzikale ervaring ons een interpretatie biedt van een werkelijkheid die nog niet is, waarnaar wij verlangen wellicht, een utopische, maar fascinerende werkelijkheid die ons, ‘met de muziek mee’, in beweging zet. In en doorheen de muzikale ervaring zijn wij in staat de werkelijkheid als eenheid te interpreteren. Deze eenheid wordt gecreëerd door de muzikale performance zelf en wordt door ons als participanten aan de performance gegeven in het doen, in ons engagement (zingen, luisteren, dansen) met de muziek. Muziek verwijst niet naar deze eenheid – hoe zou zij dit moeten doen, zij is ‘slechts’ klank – maar stelt deze eenheid present. Meerdere malen heb ik in dit verband een uitspraak van de filosoof Schopenhauer aangehaald die, in de herformulering van muziekfilosoof Peter Kivy, schrijft:

Alle kunsten brengen bevrijding, maar muziek doet dat op een wezenlijk andere manier. Muziek is de enige kunst die de concrete wereld waarin wij leven uitdrukkelijk niet tot onderwerp heeft. Niet in de aard van datgene wat zij representeert, maar juist in het ontbreken ervan schuilt haar unieke bevrijdende kracht.

Het gaat bij muziek wezenlijk niet om representatie – muziek verwijst niet naar iets anders – maar om presentie en die ervaring van presentie werkt bevrijdend. De Joodse godsdienstfilosoof Martin Buber (1878-1965) noemt deze ervaring het overstijgen van het onderscheid tussen het zelf als subject en de wereld als object. Als we muzieken is er geen onderscheid meer tussen het ik enerzijds en de wereld van dat moment anderzijds.

Transcendente aanwezigheid

Presentie, nu-ervaring, gevoel van verbondenheid, unitive experiences, flow – aan de hand van enkele auteurs heb ik woorden verzameld die kleur geven aan wat muziek met ons doet. Nu nodigen de eigenschappen van muziek uit tot een bepaald gebruik – zoals een stoel uitnodigt om erop te gaan zitten – of een bepaalde interpretatie. Muziek nodigt uit tot interpretatie vanuit een religieus betekeniskader. Er is een zekere analogie tussen de muzikale ervaring en de ervaring van het religieuze. Of anders gezegd: we zijn geneigd de muzikale ervaring te interpreteren als een ervaring van transcendente aanwezigheid.

Bijzonder inspirerend in dit opzicht is de inaugurele rede van musicoloog Rokus de Groot uit 2003. Wat ik hiervoor heb aangeduid als ‘presentie’, noemt De Groot onmiddellijkheid. ‘Muziek blijkt de sensatie mogelijk te maken van de onmiddellijkheid van aanwezig zijn.’ De Groot haalt de filosoof, socioloog en componist Theodor Adorno (1903-1969) aan die de onmiddellijke ervaring van muziek verbindt met het absolute. De Groot: ‘Adorno reflecteert over de onvatbaarheid van onmiddellijkheid als hij spreekt over het absolute in relatie tot muziek. Hij meent dat muziek, in tegenstelling tot taal, “het absolute onmiddellijk bereikt, maar het tegelijkertijd verduistert, zoals wanneer een sterk licht het oog verblindt, dat zo niet langer dingen kan zien die goed zichtbaar zijn”.’ Als ik dat vertaal in mijn eigen woorden, dan draagt de muzikale ervaring de spanning met zich mee van het zijn en het niet-zijn. Muziek openbaart ons het zijn, maar is niet het zijn. De Groot spreekt dan ook van muziek als een ervaringsvoorstel van presentie. Willen we iets ervaren van presentie, het zijn, of zoals Adorno zegt het absolute, dan is musicking een goed idee. Daarin maken we het mee.

Muziek openbaart ons het zijn, maar is niet het zijn

Nu is de ervaring van presentie, onmiddellijkheid, transcendente aanwezigheid of hoe we deze ervaring ook willen noemen, nog geen religieuze ervaring. Er is, hoe dan ook, een conceptuele sprong van de muzikale ervaring naar de religieuze ervaring, hoezeer de muzikale ervaring ook als model van of voorstel tot het religieuze gezien kan worden. De uiteindelijke sprong van muziek naar het religieuze moet gemaakt worden door de luisteraar, het interpreterend subject. In deze stap vindt de interpretatie plaats, een interpretatie die afhangt van een aantal ‘frames’ of betekeniskaders. Ten eerste is er de context waarin muziek klinkt. Muziek die klinkt in een kerkgebouw of een gebouw dat daarop lijkt – en onze cultuur kent steeds meer van dat soort gebouwen, denk aan de concertzaal en het crematorium – nodigt uit tot een religieuze interpretatie van de muzikale ervaring. Ook de tekst, in het geval van een lied, stuurt de interpretatie. Naast context en tekst werkt ook de religieuze socialisatie als een belangrijk kader. Wie opgroeide in een religieuze traditie beschikt over een taal om de muzikale ervaring te interpreteren als een religieuze ervaring. De muzikale ervaring is niet gelijk aan de religieuze ervaring, zij kan geïnterpreteerd worden binnen het kader van het religieuze, sterker nog: zij nodigt daartoe uit.

De bevrijdende kracht van muziek

Ik voel me altijd wat schuldig als ik over muziek praat of schrijf zoals ik tot nu toe heb gedaan. Ik gebruik woorden, maar die zijn als het gaat om het oproepen, duiden en interpreteren van de muzikale ervaring zo nietszeggend. Zijn woorden als ‘unitive experience’, ‘sense of belonging’, ‘flow’, ‘nu-ervaring’, ‘centripetale werking’ en ‘focus’ behulpzaam bij het expliciteren van de werking van muziek? En is de stap van muzikale ervaring naar ervaring van transcendente aanwezigheid – de presentie of onmiddellijkheid van muziek – naar de interpretatie van deze ervaring als religieus navolgbaar? Religie is voor mij ondenkbaar zonder muziek. En wie de wereldreligies bestudeert zal ontdekken dat er geen religie is waarin muziek geen rol speelt. Muziek en religie zijn zo nauw met elkaar verbonden omdat muziek ons iets biedt wat andere expressiemiddelen of media niet bieden. Schopenhauer noemde dit de bevrijdende kracht van muziek, ik spreek van presentie, Rokus de Groot van onmiddellijkheid. Laten we nu aan de andere kant van de muzikale ervaring gaan staan en haar ten volle omarmen als religieus. De muzikale ervaring overkomt mij, is impressie. Ik interpreteer haar als religieus. Als ik nu wil vertellen wat die ervaring is, kan ik het best terugkeren naar het medium dat deze religieuze ervaring op zo excellente wijze presenteert: muziek. De religieuze inspiratie die mensen beweegt, ontroert en sprakeloos maakt, laat zich het beste uitdrukken in dat vluchtige, niet te pakken medium dat muziek is. Muziek kan ons brengen naar religie en andersom geldt dat religie vraagt om muziek. We gebruiken muziek om datgene uit te zeggen waarover wij uiteindelijk niet kunnen spreken. Ik weet het, dat is een oneigenlijk gebruik van muziek, want muziek is muziek en gaat over niets anders dan over haarzelf, zij kan niet anders dan zichzelf present stellen en aanbieden. En toch doen we het. Josquin deed het, Bach deed het, Bruckner deed het, Tavener deed het, Antoine Oomen doet het: muziek gebruiken om het religieuze uit te drukken. Daarmee doen we muziek geweld aan, we laten haar een taal spreken die zij zelf niet verstaat. Maar anders gaat het niet.

Dit artikel is een bewerking van een lezing die Martin Hoondert uitsprak bij het VIIIe Oecumenisch Liedfestival, georganiseerd door dichter en liturg Sytze de Vries, oktober 2016 te Eindhoven.

Literatuur

M. Hoondert, A. de Heer en J.D. van Laar (redactie), Elke muziek heeft haar hemel – de religieuze betekenis van muziek, Budel, 2009.

< Terug