< Terug

Wonen in het ‘eeuwig nu’

In het spoor van Meister Eckhart

Menigeen heeft wel eens de ervaring gehad zo geconcentreerd met iets bezig te zijn, dat tijd en plaats vergeten worden. Jij en datgene waarop je je focust gaan als het ware zo in elkaar op dat er niets anders meer is. Tijd telt niet meer, geen voor en na, geen dit of dat, er is concentratie van de veelheid tot dat ene. Zo’n ervaring kan als schaalmodel staan voor wat in de mystiek het ‘eeuwig nu’ of het ‘nunc stans’ wordt genoemd.

Tijdsdimensies

Mystici laten de wereld en haar veelheid achter zich en gaan op in de ene. Het ‘ik’ verdwijnt naar de achtergrond. Dat ‘ik’ echter is precies wat in de moderne tijd op de voorgrond komt. Twee grote voorbeelden hiervan zijn René Descartes, die het eigen denkend ik primair stelt en zich daarmee situeert tegenover de wereld, subject tegenover object, en Emmanuel Kant, die dit beeld verfijnt en op uiterst kritische wijze bedenkt hoe dat subject de werkelijkheid kan kennen. Hierbij gaat hij uit van wat hij feitelijk en vanzelfsprekend ziet gebeuren: dat mensen als ze dingen of gebeurtenissen waarnemen, dit meteen doen in termen van tijd en plaats (dan en daar) en dat ze bepaalde wetmatigheden in hun hoofd hebben waarmee ze die dingen begrijpen. Bijvoorbeeld dat gebeurtenissen een oorzaak hebben, dat dingen niet zomaar kunnen verdwijnen, enzovoort. Zo doen mensen het nu eenmaal. Kant noemt die schijnbaar met het mens-zijn meegegeven instrumentaria waarne-mingsen verstandsvormen. Ze zijn vanzelfsprekend, maar misschien niet allesomvattend. Wat de werkelijkheid ten diepste en in zichzelf is, onttrekt zich aan dit begrip. De mens legt er immers altijd meteen de eigen instrumenten van zien en begrijpen op. Het eigen ik staat vanzelfsprekend centraal.

Dit is nu precies waar de mystieke traditie, vóór en na de moderniteit overigens, een andere weg gaat. Het meest elementaire en gemeenschappelijke kenmerk van de mystiek is dat een werkelijkheid ervaren wordt die de mens te boven gaat, maar die tegelijk als reëler gezien wordt dan de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. In het mystieke proces zijn veel bewegingen gaande. Twee elementen daarvan krijgen overal profiel: het loslaten van het ego en het besef dat alles in dit proces gegeven is – dus niet door de mens in eigen beheer gemaakt. Het ik staat absoluut niet centraal en daarmee verliezen de waarnemingsen begripscategorieën van het moderne ik hun monopolie. Die vanzelfsprekendheid wordt doorbroken. De opeenvolgende tijdsdimensies van verleden, heden en toekomst verliezen hun absolute geldigheid. Die mogelijkheid had Kant overigens ook niet uitgesloten.

Ego-loslaten

Bij Eckhart vinden we een preek waarin het verband tussen het loslaten van het ik en de ervaring van een ‘eeuwig nu’ bijna letterlijk aanwezig is. Het is een van zijn preken over Martha en Maria. Deze begint met de aanmaning dat een mens zich niet moet laten bezetten door wat hij in het verleden allemaal heeft meegemaakt, ook niet door allerlei dingen die hij wil bereiken, maar in elk tegenwoordig nu vrij moet zijn voor wat God nu aan de orde stelt. En op het eind van die preek spreekt hij over de krachten van de ziel die dan gaan stromen in die mens. Het nu van het ego-loslaten is dan meteen het ‘eeuwig nu’. Zoals in vrijwel al zijn preken en traktaten blijkt ook hier dat Eckhart doordrongen is van de grote waardigheid van de mens: mens, je bent niet niets, je draagt goddelijk leven in je, je bent voor dat goddelijk leven niet slechts afhankelijk van externe middelen, zoals geloofswaarheden, aflaten, deugbeoefening en rituelen. Het is voor hem het thema van de adel van de ziel en van de Godsgeboorte in de ziel. Eckhart sluit zich hiermee aan bij de Griekse patristiek, waarin heil begrepen werd naar het model waarin volgens Plato waarheidsvinding tot stand komt. Volgens Plato heeft de mens de waarheid wezenlijk in zich, maar het kost moeite om daarbij te komen. Daarom is de filosoof nodig om die waarheid tevoorschijn te laten komen. Dit paidea-model wordt door enkele Griekse Vaders overgenomen: goddelijk leven is wezenlijk neergelegd in de mens, maar het is door de zonde verstard en immobiel geworden. Christus, de goddelijke pedagoog, is nodig om dat goddelijk leven naar boven te halen, maar wezenlijk was het er altijd al. Eckhart voegt zich in deze traditie. Voor hem is dus het menselijk zelf van meet af aan van goddelijke signatuur. Het mag niet ontkend of gekleineerd worden door welke religieuze cultuur dan ook. Integendeel, religieuze cultuur moet helpen deze innerlijke kracht die eenieder in zich heeft, tot uiting te laten komen en te laten werken.

Het punt is dat mensen zelf hun ‘zelf’ of ziel vaak klein maken

Maagdelijkheid

Het springende punt echter is dat mensen zelf hun ‘zelf’ of ziel vaak klein maken. Dat doen ze door zich te vereenzelvigen met slechts iets van zichzelf, iets dat ze belangrijk vinden. Een bepaalde eigenschap of een aspect van zichzelf, een ideaal, bezit of betekenis, een plek in de sociale verbanden, overtuigingen, of wat dan ook: al dit soort zaken kan men verabsoluteren en zich daarmee identificeren. Men verkleint zich dan tot welbepaalde eindige factoren. Daarop doelt het bij Eckhart telkens terugkerend motief van de afgeschei-denheid of gelatenheid. Veel mensen zoeken hun identiteit in rijkdom of kennis. Maar bij monniken en monialen voor wie Eckhart veelal spreekt, ligt het gevaar eerder op terreinen van de religieuze cultuur, zoals innerlijke bezieling, vrome aandacht, vasten, waken en bidden. Ook aan deze zaken kan men zich ‘ichthaft’ binden, d.w.z. dat men nauwelijks verder meent te kunnen zonder deze dingen en dat men daaraan zijn zin ontleent. In zijn toespraken en geschriften is dat een permanent punt van zorg bij Eckhart. Je niet ophangen aan specifieke praktijken, ervaringen of overtuigingen, hoe waardevol en zinnig die op zichzelf ook wezen mogen, dat is het thema van de afgescheidenheid. Zo kan men zich vastzetten in een idee omtrent zichzelf vanuit het verleden, of in een toekomstdroom die men wil waarmaken. Wie dat doet, leeft niet in het nu, lééft eigenlijk nauwelijks. Natuurlijk heb je je herinneringen , toekomstbeelden en idealen, dat is prima, zonder dat kun je niet. Je mag je er alleen niet in gevangen zetten. ‘Bewaarde ik al deze beelden zo in mijn verstand dat ik in doen en laten, zowel met betrekking tot het verleden als met betrekking tot de toekomst, geen enkele van deze beelden mij toegeëigend had, zodat ik in dit tegen woordige nu vrij en leeg stond voor de liefste wil van God om die zonder ophouden te vervullen, dan was ik waarlijk maagd zonder enige hinder van al deze beelden…’

‘Maagdelijkheid’ is in religieuze kringen de gangbare term voor het niet geobsedeerd-zijn door al die zaken.

Oorspronkelijke volheid

Als een mens op deze wijze vrij wordt van alle dingen, komt hij ook meteen bij dat goddelijke leven in zichzelf, zijn ziel. Daar is een overvloed van leven, die Eckhart op meerdere wijzen ter sprake brengt. Eén daarvan is het ‘eeuwige nu’. Dat is hetzelfde nu als waarvan sprake was in bovenstaand citaat over de ‘maagdelijkheid’, maar nu bezien vanuit een oorspronkelijke volheid die elk mens gegeven is, maar die vaak onbetreden blijft doordat een mens zijn leven laat afspelen in de marginaliteit van het ‘dit’ en ‘dat’.

In de ontvankelijkheid deelt de mens ten diepste in de kracht van God

Evenals de uitdrukking Godsgeboorte is de term ‘eeuwig nu’ voor Eckhart een mogelijkheid om gewag te maken van het immense vermogen waarop ieder mens kan bogen, juist doordat hij het niet in eigen beheer neemt. Het is in termen van temporaliteit dat zijn ‘zelf’ boven hemzelf uitgaat, en toch ook van hem is. Het is wezenlijk verbonden met zijn eindige tijdelijkheid (het vrij staan in elk nu), en tegelijk concentreert het die tot een onvoorstelbare mogelijkheid. Dat is de onlosmakelijke verwevenheid van twee soorten ‘nu’ in deze preek.

Het ‘eeuwig nu’ is een moment van volheid en kracht. De Grieken noemden dat punt in de tijd het ‘kairos’. Daarin is het werkwoord ‘keiro’ herkenbaar, wat snijden of doorsnijden betekent. Kairos is dus het snijpunt, het punt waarop de eindeloosheid van tijd of ruimte doorsneden wordt door een kracht van elders. In die zin is dit ‘eeuwig nu’ met God en Gods eeuwigheid verbonden.

‘Want God is in deze kracht als in het eeuwig nu. Was de geest altijd met God in deze kracht vereend, dan kon die mens niet ouder worden. Want het nu waarin de laatste mens zal vergaan en het nu waarin ik spreek, die zijn gelijk in God en zijn niets anders dan één nu. Kijk, deze mens woont in één licht met God. Daarom is in hem lijden noch opeenvolging van tijd, doch slechts gelijkblijvende eeuwig heid.’

Gods kracht komt tot uiting in mensen. Voor hen betekent dit weerbaarheid tegen de overweldigende veelheid van verplichtingen en beperkingen. Het is een moment van concentratie, niet zozeer een psychologisch, maar een ontologisch en religieus geprofileerde retraite die een mens bestand maakt tegen de versplinterende veelheid waarmee men te doen heeft. Die weerbaarheid is geen afstoting van die veelheid maar eerder een verzameling, een concentrering ervan. Die weerbaarheid is enerzijds vrijheid en anderzijds volheid. In het ‘eeuwig nu’ worden alle particuliere levensmomenten – de voldoening gevende evenzeer als de drukkende – gerelativeerd, ontdaan van hun gewichtigheid enerzijds maar anderzijds ook in relatie gezet tot de vervulling waarnaar zij ten diepste uitstaan. De niet te verwaarlozen kansen van het kairos of van het ‘eeuwig nu’ zijn enerzijds verbonden met de eigen menselijke inzet en anderzijds fundamenteel gegeven, van buitenaf, religieus gezegd: door God. Hoewel dit laatste fundamenteler is dan de eigen inzet, kan ook die niet gemist worden.

Onbevangenheid

Het thema van het ‘eeuwig nu’ is bij Eckhart verbonden met zijn hele theologische visie, waarbij de mens uitsluitend ontvangt en God geeft. Maar juist in die ontvankelijkheid deelt de mens ten diepste in de kracht van God en is hij in staat tot zaken die anders buiten zijn bereik zouden liggen. Voor Eckhart is het wonen in het ‘eeuwig nu’ een reële mogelijkheid voor de mens. Dit lukt doordat de mens in het feitelijk nu vrij is, niet bezet is door eigen of andermans denkbeelden, niet vastzit aan verleden of toekomst. Die onbevangenheid transformeert het contingent momentane nu’s tot het ‘eeuwig nu’. Zulke mensen wonen zo in de tijd dat de vele belastende en beperkende dingen die op hen afkomen, hen niet benauwen maar worden tot Gods ruimte. Dat moment doet in alle uiteen liggende particuliere werkelijkheid de oorspronkelijke eenheid oplichten. Die eenheid is er altijd al, maar door de obsessieve veelheid komt die fundamentele eenheid vaak niet tot gelding. Het ‘eeuwig nu’ is één van de gestalten waarin die eenheid wel tot gelding komt. Voor de mens is dat: ín de contingente tijd toch geborgen zijn in een daar verschijnende volheid.

Literatuur

De preek Intravit Iesus in quoddam castellum, in: Meester Eckhart, Van God houden als van niemand, Preken van Eckhart, vertaald en toegelicht door Frans Maas, Gent / Baarn 2001, 51-58.

< Terug