< Terug

Zwaluw

mus, ooievaar, uil

Vanuit onze cultuur valt er over elk van bovengenoemde dieren veel te vertellen. Niet alleen wat de functies van deze vogels in onze taal betreft, maar vooral ook hun religieus-symbolische betekenis en hun plaats in de volksverhalen met het daarbij behorende volksgeloof. De zwaluw als aankondiger van de lente en de daarmee samenhangende brenger van nieuw leven; de kleine mus als beeld van eenvoud en onbezorgdheid; de ooievaar evenals de zwaluw lentebode die kinderen naar de wereld brengt; de uil als wijze en als aanzegger van de dood. En nog zoveel meer. Over de mus nog dit: In de loop der eeuwen hebben mussen in grote delen van de aarde hun domicilie gekozen. Ze verspreidden zich over de continenten door de mens op diens ontdekkings- en veroveringstochten te vergezellen. Ze overbrugden grote afstanden als begeleiders van handelskaravanen, van legers en van op drift geraakte stammen en volken. Het kleine vogeltje is een trouwe metgezel van de mens. Het is een teken aan de wand dat het aantal mussen in ons land de laatste jaren daalt. Zijn leefklimaat verliest aan kwaliteit, met als gevolg dat hij zich niet meer bij ons thuis voelt. Wanneer we iemand een ‘huismus’ noemen, doen we onvoldoende recht aan de eeuwenlange reislust van mussen. Een ‘huismus’ is immers iemand die niet elke gelegenheid benut om op reis te gaan, maar bij voorkeur thuis zit.

Dit gevogelte neemt kwantitatief gezien in de bijbel geen grote plaats in. Toch hebben met name de zwaluw en mus door enkele aansprekende teksten grote bekendheid gekregen.

Grondtekst

Van een groot aantal bijbelse namen van dieren is de exacte typering moeilijk te achterhalen. Dat geldt zeker voor vogels. Onder het Hebreeuwse deror (Ps. 84:4; Spr. 26:2), dat samenhangt met een woord voor ‘vrijheid, vrijlaten’, wordt traditioneel ‘zwaluw’ verstaan; bij ‘agoer (Jes. 38:14; Jer. 8:7) denken we aan ‘gierzwaluw’ of een soort ‘lijster’. Kwestieus is de betekenis van soes of sies, samen met ‘agoer: duiden deze woorden op één of twee dieren? Hoe het ook zij, in beide gevallen gaat het om een zwaluwachtige vogel. Het woord tsippor betekent overwegend ‘vogel’ of ‘gevogelte’ (collectief); een enkele keer zal waarschijnlijk een speciale vogel bedoeld zijn, zoals in Psalm 84:4 en 102:8, namelijk ‘mus’. Veel moderne vertalingen geven het in deze tekst ook wel eens weer met ‘vogel’ (anders: Statenvertaling, beide teksten ‘mus’; Willibrord 84:4 ‘vogeltje’, 102:8 ‘mus’; NBG-1951 en Groot Nieuws net andersom). De chasiedah wijst op ‘ooievaar’ of -nieuwere vertalingen – ‘reiger’ (Lev. 11:19; Deut. 14:18; Jer. 8:7; Zach. 5:9; Ps. 104:17); de volksetymologie legt een verbinding met een woord voor ‘liefdevol’ (naar haar jongen). Met kos zou een soort ‘uil’ (steenuil?) bedoeld kunnen zijn (Lev. 11:17; Deut. 14:16; Ps. 102:7; Sef. 2:14); hetzelfde geldt voor qa’at (Lev. 11:18; Deut. 14:17; Jes. 2:14; Ps. 102:7) en qippod (Sef. 2:14; Jes. 34:11 onzeker).

Van de vier genoemde diersoorten treffen we in het Nieuwe Testament slechts de ‘mus’, stroethion, aan (Mat. 10:29-31; Luc. 12:6-7. Josefus vermeldt in Joodse Oorlog de ‘Stuthion-vijver’ (V, 467).

Letterlijk en concreet

a.De zwaluw en ooievaar komen in de bijbel als trekvogels naar voren. Op vaste tijden komen en gaan zij (Jer. 8:7). De zwaluw schuwt mensen niet; zij bouwt haar nest in ruimten waar mensen komen (Ps. 84:4; vgl. Tobit 2:10). De mus nestelt zich nabij gebouwen. De uil verkeert soms op afgelegen plaatsen (Jes. 34:11) en de ooievaar weet voor haar nest hoge bomen te vinden (Ps. 104:17).

b.Mussen haten de eenzaamheid. Ze maken deel uit van een zwerm van hun soortgenoten en zijn stellig niet mensenschuw te noemen. Toch is de mens er nooit in geslaagd het vogeltje te temmen. Ondanks alles heeft de mus zijn vrijheid lief. Hij gaat zijn eigen weg. Ook al weten we het niet zeker, het is denkbaar dat de psalmist een mus bedoelt wanneer hij zingt dat een vogeltje zich heeft genesteld in het altaar: ‘Zelfs een vogeltje (de mus: in de vertaling NBG-1951) vindt zijn onderdak, de zwaluw een nest voor haar jongen, bij uw altaar, Heer van de machten, mijn Koning, mijn God’ (Ps. 84:4).

c.De mus, een kleine vogel, geldt in de nieuwtestamentische tijd als goedkoop voedsel voor het volk. De ooievaar en uil komen beide in de lijst van onrein gevogelte voor (Lev. 11:17-18; Deut. 14:16-17). Mogelijk speelt deze kwalificatie op de achtergrond bij de beeldspraak rond deze vogels.

Beeldspraak en symboliek

a.In het boek Leviticus wordt verteld over een ritueel bij de reiniging van een melaatse waarin twee vogels een rol spelen (Lev. 14:1-9). Volgens de latere rabbijnse traditie zou het gaan om mussen. Een van de vogels wordt gedood. De tweede vogel wordt vervolgens gedoopt in het bloed van de eerste. Daarna wordt het bloed op de melaatse gesprenkeld waardoor hij wordt gereinigd. Tenslotte wordt de tweede vogel vrijgelaten. Hij mag de vrijheid tegemoet vliegen. Hetzelfde kan ook gezegd worden van de melaatse die gereinigd is van ‘de plaag’. Hij/zij kan een nieuw leven beginnen.

b.De mus en zwaluw in Psalm 84 hebben door de eeuwen heen tot de verbeelding gesproken. Welke rol speelt dit gevogelte in dit lied? Exact valt dat niet te zeggen. De fantasie mag ons een beetje helpen deze psalm te verstaan. De dichter bezingt de pelgrim naar Jeruzalem, naar de tempel. De reiziger verlangt naar het moment waarop hij zijn voeten in het godshuis zet. Dan zal hij de levende God ontmoeten. Hij wil letterlijk voor even en geestelijk voor eeuwig dit huis binnengaan. Wanneer de pelgrim de tempel nadert, aanschouwt hij het brandofferaltaar in het voorhof. Hij ziet in de kieren van het altaar – gevormd uit onbehouwen stenen – dat zich daar vogels hebben genesteld. Of hij die vogels letterlijk dan wel in de verbeelding ziet, doet er niet toe. Wat er wel toe doet, is dat hij zich in die kleine vogels herkent. Hij zou net als deze vogeltjes willen schuilen in de tempel. Zwaluw en mus staan voor het kleine bestaan en het eenvoudige leven, hun nest wijst op geborgenheid, het altaar symboliseert de tempel met daarachter de eeuwige nabijheid van de Eeuwige. De pelgrim, op zoek naar goddelijke nabijheid, identificeert zich met deze vogeltjes. In de joodse traditie zien we deze identificatie vaker. Zo vergelijken de rabbijnen Israël met een trekvogel: het trok lange tijd van plaats naar plaats, maar uiteindelijk vond het een huis in het beloofde land. Ook heeft Israël de spot ervaren van vijanden, die het volk vergeleken met een opgejaagde vogel, altijd onderweg en nergens thuis. In Psalm 84 zien zij een reactie op die bespotting: Israël is niet voor eeuwig gedoemd als een opgeschrikte vogel rond te fladderen; Israël heeft een huis gekregen en een thuis gevonden!

c.De wijsheidsleraar vergelijkt een ongegronde vloek met een heen en weer vliegende zwaluw (Spr. 26:2). Zo’n vogel fladdert rond zonder doel; evenmin treft een onterechte vloek enig doel. De leraar waarschuwt voor gemakzuchtig gebruik van woorden die vervloeken en veroordelen. Over vliegende vogels gesproken. In een van de nachtgezichten van Zacharia verschijnt een vrouw die is opgesloten in een efa, een inhoudsmaat (5:5-11). Zij symboliseert de goddeloosheid. Nu zij zit opgesloten, is haar kwade invloed aan banden gelegd. Haar poging te ontsnappen, mislukt door het ingrijpen van een engel. Vervolgens verschijnen twee vrouwen, met ooievaarsvleugels. Deze uitdossing verwijst naar de opdracht van de twee vrouwen om de efa met de kwade vrouw ver weg te brengen, naar Sinear. Sinear geldt als symbool van Babel, en daar hoort het kwaad thuis, niet in Israël. Zoals de ooievaar het nieuwe leven aankondigt door zijn verschijning in de lente, zo luiden de twee vrouwen, afkomstig uit de hemel, een nieuwe tijd aan voor Israël.

d.Het beeld van piepend en kwetterend gevogelte helpt Hizkia zijn roerige en gekwelde gemoed uit te drukken. Zijn lijden is zo groot dat hij het wel kan uitschreeuwen, net zoals rondvliegende vogels kirren en kwetteren (Jes. 38:14). Jeremia laat zich eveneens aanspreken door vliegende vogels. Het beeld van trekvogels, die bij de komst van de winter vertrekken en bij de komst van de lente terugkeren, bezigt hij om het trouweloze Juda de spiegel voor te houden (Jer. 8:7). Juda kan veel leren van deze trekvogels die zich in hun gaan en komen laten leiden door de ordeningen van Gods schepping. Liet Juda zich maar op dezelfde wijze leiden door de ordeningen van Gods verbond!

e.Ook de plaats waar vogels zich ophouden, zoals we zagen in Psalm 84, kan helpen om een situatie te verbeelden. De psalmdichter uit zijn verlatenheid en verdriet met het beeld van een eenzaam vogeltje, een mus, op het dak van een huis. Zie de mus daar zitten, eenzaam, een en al treurigheid. Het verblijf van vogels in ruïnes brengt de trieste werkelijkheid van verwoeste gebouwen en steden scherp tot uitdrukking: dit is geen plaats meer voor mensen! Voor de volkeren op wie dit beeld van toepassing is, komt dit tafereel over als een ware confrontatie, met het doel zich intens te bezinnen (Jes. 34:11; Sef. 2:14). Dat de genoemde vogels onrein zijn, versterkt het beeld. Wie onrein is, is onaanraakbaar; wat onrein is, is verlaten. f. Jezus verkondigt telkens Gods aandacht en liefde voor mensen, in het bijzonder voor schijnbaar onbelangrijke mensen èn voor de leerlingen. In naam van de Eeuwige zoekt hij deze verlorenen en belooft Hij zijn volgelingen nabijheid. Zeer sterk brengt Hij die zorg van God onder woorden door te verwijzen naar de mussen. Deze weinig betekenende dieren kent God, Hij weet hun weg, Hij ziet hun vallen en opvliegen (Mat. 10:29-31; Luc. 12:6-7). Zou God de mens dan niet nabij zijn? Zo zien we in het Nieuwe Testament de mus als symbool van Gods trouw en bescherming.

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 50; 61; 84; 102; 104; Gezang 156; 209-210; 388; 425-425; Alles I: 10; IV: 17;

25; Evangelie III: 21; Gezegend: 174; Hoop: 60; Laat ons: 17; Liturgie: 651; ZAD II: 2; 6; Zingend IV: 65; Zolang: 63 (= Liturgie: 551).

b.Poëzie:

J.Bernlef, Gedichten 1970-1980, Amsterdam 1988, blz. 96: ‘Het wapen van de mus’. Hans Bouma, Zolang er vogels zijn, Baarn 1984, blz. 8: ‘Mussen’; 14: ‘Steenuil’; 30: ‘Gierzwaluwen’; 38: ‘Kerkuil’. Ida Gerhardt,Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 264: ‘Het motief; 413: ‘Een lied van Alkman’; 604: ‘Zwaluwliedje’. Judith Herzberg, Doen en laten, Amsterdam 19977, blz. 172: ‘Mussen’. J.C. van Schagen,Wat dit blijfsel overbleef, Baarn 1985, blz. 202: ‘mussig’.

c.Verwerking:

De genoemde vogels werpen diverse thema’s op. We denken onder meer aan weggaan en terugkomen, geborgenheid en bescherming, goddelijke nabijheid en zorg. Kijkend naar de actualiteit, kunnen we ons afvragen welke dingen uit de natuur vandaag als beeldspraak kunnen helpen om genoemde thema’s aan de orde te stellen. Of andersom: als wij naar de zwaluw, mus, ooievaar en uil kijken, welke beeldtaal reiken deze dieren aan om ons geloof te verwoorden?

Verwijzing

Het hier besproken gevogelte heeft nauwe raakvlakken met het algemene woord ‘vogel‘ en eveneens met ‘vleugel‘.

< Terug