Doortocht door de dood naar het leven
In de Paasnacht staat het herdenken van verlossing centraal. Het volk van Israël moest door de Schelfzee trekken om bevrijd te kunnen worden.
In de Paasnacht staat het herdenken van verlossing centraal. Het volk van Israël moest door de Schelfzee trekken om bevrijd te kunnen worden.
Twee verhalen over mensen die geroepen worden. Maar wat ís roeping en hoe gaat dat in z’n werk? Geschiedt het – om met Karl Barth te spreken – Senkrecht von Oben: meldt God zich loodrecht van boven en kan Hij uitsluitend in en door die openbaring ontmoet worden? In beide roepingsverhalen is sprake van ‘bemiddeling’: bij Samuel door Eli en bij Jezus’ eerste leerlingen door Johannes de Doper. Dat is blijkbaar nodig om de geroepenen op het juiste spoor te zetten. Loodrecht van boven in combinatie met horizontaal van beneden?
Een roep om ontferming gaat gepaard met een besef van persoonlijk tekortschieten. Bij Jesaja treft ons de overtuiging dat het vervreemd raken van recht en gerechtigheid door eigen wangedrag vergelijkbaar is met het rondtasten van een blinde in duisternis. Bij Marcus is het de blinde Bartimeüs, roepend om mededogen, die met geopende ogen Jezus gaat volgen op zijn weg naar Jeruzalem. Na de allesbepalende ontmoeting met Hem kan hij niet langer aan de kant van de weg blijven zitten, hij wordt direct een aanhanger van de Weg (Handelingen 9:2).
De man uit het Evangelie die genezing ontvangt, is als een balling die nieuwe hoop aangezegd krijgt. Hij zal jubelen en juichen, zoals ‘de wildernis zal bloeien als een roos’ (Nijhoff). De woorden van Jesaja 35:5vv. – zijn dat niet allemaal tekenen die in het Marcusevangelie verhaald worden? De midrasj van het Evangelie reikt verder dan alleen dit verhaal. God bevrijdt mensen uit woestijnsituaties van isolement en afzondering. In het Evangelie voert Jezus dit programma uit. Jesaja in het Hebreeuws en Marcus in het Grieks spreken dezelfde taal…
De instelling van het Pascha volgens Exodus 12 vormt de introductie op het grote verhaal van de uittocht. Deze instelling wordt gesitueerd tussen de aankondiging (11,1) en het ten uitvoer brengen van de tiende plaag (12:29). Nog voordat God de bevrijding van zijn volk uit Egypte van start laat gaan, vindt er een ‘religieuze anticipatie’ op dit heilsgebeuren plaats. Men kan er ten minste twee tijdsdimensies in onderkennen: een van onvoltooid verleden tijd én een van toekomende tijd. Zo wordt de viering van het Pascha een ‘heilshistorisch knooppunt’ in de tijd.
Teksten over vasten en verootmoediging staan centraal bij het begin van de Veertigdagentijd. Dat mag wel programmatisch genoemd worden voor deze periode. Het gaat hierbij vooral om de vraag hoe de mens zich moet verhouden tegenover God. Niet manipulatief, maar met een oprechte en deemoedige houding. De achterliggende intentie bij de praktijk van het vasten of bidden is van doorslaggevend belang. Met welke bedoelingen gedraagt iemand zich als een religieus persoon, en welke innerlijke motieven spelen een rol?
Jezus’ leerlingen hebben het zwaar in de evangelielezing, omdat de boot op het meer door golven geteisterd wordt. Later raakt Petrus door paniek bevangen. ‘Heer, red me!’ schreeuwt hij. Zoals eens Jona in de buik van de vis roept hij in zijn nood de Heer aan. De tegenkanting die ervaren wordt heeft niet het laatste woord. ‘De stem van de Heer boven de wateren’, zegt Psalmen 29:3. Het zijn de stille krachten die de crisis bezweren, het is de verborgen aanwezigheid van God die mensen opricht uit alles wat hen neerdrukt.
Bij de doop van een mens wordt de drie-ene Naam van God hardop over de dopeling uitgesproken. Zo heeft Jezus het gewild. In het Matteüsevangelie zijn het de laatste woorden die Hij tot zijn leerlingen richt (28:19). Een christen belijdt die God in wiens Naam hij of zij gedoopt mocht worden. Dat is de God van Israël, met die wonderlijk mooie Naam: ‘Ik zal er zijn’ (Hebr.: JHWH). De Enige openbaart zich als Vader, Zoon en Heilige Geest: God bóven ons, God vóór ons, God ín ons. Drie-in-Eén is Hij: onze Schepper, Verlosser én Vernieuwer.
Dit is de zondag van het ‘Heden hosanna, morgen kruisig Hem!’ (Liedboek Zingen en bidden in huis en kerk 2013, 556:5). Deze laatste zondag van de Veertig dagen heeft twee gezichten, want bijna letterlijk gaandeweg slaat de stemming rigoureus om. Eigenlijk is er op deze zondag sprake van twee vieringen die in de liturgische praktijk gecombineerd worden als opmaat voor het vieren van de Stille Week. Begonnen wordt er met de feestelijke gebeurtenis van Jezus’ intocht in Jeruzalem, gevolgd door een integrale lezing van het lijdensverhaal (Palm- en Passiezondag).