Waarom konden zij niet geloven?
Met Johannes 12:37-50 sluit de evangelist een eerste deel van het Evangelie af om vanaf hoofdstuk 13 aan het lijdensverhaal te beginnen.
Met Johannes 12:37-50 sluit de evangelist een eerste deel van het Evangelie af om vanaf hoofdstuk 13 aan het lijdensverhaal te beginnen.
In dit vervolg op de proloog van het Johannesevangelie draait het – net zoals in de voorafgaande achttien verzen – om de identiteit van Jezus, maar nu in relatie tot Johannes de Doper en diens woorden. Daarmee vult deze perikoop in wat in 1:6-8 al wel benoemd, maar nog niet beschreven werd: de manier waarop Johannes van het licht getuigt.
In deze lange perikoop laat de ‘theologische’ evangelist Johannes zien dat hij ook een uitmuntende verteller is. In Johannes 9 neemt het Johannesevangelie de lezer op eenzelfde manier bij de hand, maar nu via het beeldveld van zien en blind zijn. De voortmeanderende tekst heeft een mystagogische functie: hij leidt stap voor stap in in Jezus’ identiteit.
Johannes 4:43-52 volgt op de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob. Tegelijkertijd sluit deze perikoop aan bij een eerder wonderverhaal uit dit Evangelie: het wijnwonder van Kana (2:1-12). Ook suggereert het verhaal een ontwikkeling: van geloof op grond van de tekenen van Jezus (4:48) naar geloof op grond van zijn woord (4:50). Toch blijkt de redding van de dood en het in leven houden van het kind van de ‘dienaar van de koning’, die Jezus hier aanspreekt, ook een teken.
De evangelielezing van deze zondag behandelt zowel de relatie tussen Johannes de Doper en Jezus, als de rol van Jezus in relatie tot het getuigenis over God. De tekst staat tussen Jezus’ gesprek met Nikodemus (Johannes 3:1-21) en de ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw (4) in. Thema’s uit deze beide verhalen, zoals Jezus’ identiteit (Samaritaanse vrouw) en Jezus’ relatie tot ‘boven’ (Nikodemus) komen terug in Johannes 3:22-36.
Jezus wordt in het Marcusevangelie met hoge snelheid gelanceerd. Nauwelijks is Hij bij de Jordaan aangekomen of Hij wordt door Johannes gedoopt, de Geest daalt op Hem neer als een duif en er klinkt een stem uit de hemel die Hem ‘geliefde Zoon’ noemt – en direct hierna jaagt de Geest Jezus de woestijn in. Marcus houdt het tempo er daarna in: in één zin zegt hij dat Jezus veertig dagen op de proef gesteld wordt door de satan, dat Hij bij de dieren was en dat engelen Hem dienden. Daarna start Jezus razendsnel met zijn verkondiging.
Matteüs 18 laat zien dat ook de vroegste gemeente zich met uitdagingen omtrent de interne orde geconfronteerd zag. De omgang met schuld en vergeving speelde daarbij een centrale rol. In Matteüs 18:21-35 stelt Jezus dat de roeping tot vergeving geen grenzen kent. Tegelijkertijd schetst Hij hoe deze vergeving via een weg van berouw en het inzien van schuld bereikt wordt. Een recentelijk naar voren gebrachte notie dat vergeving in het Nieuwe Testament alleen door een hoger aan een lager geplaatste geschonken kan worden, vindt hier dus geen basis.
Johannes 14:1-14 is een onderdeel van Jezus’ afscheidsgesprekken met zijn leerlingen tijdens hun laatste maal samen, voordat Jezus gekruisigd – voor Johannes: verheerlijkt – zal worden. De spanning in het Evangelie tussen wat Johannes beschrijft (een vreselijke dood) en hoe hij dit duidt (als verheerlijking, het gaan naar de Vader), is alleen vanuit een paasperspectief te verstaan en in de Paastijd op zijn plaats. Wat de vernedering van de Messias leek, bleek Gods begin van een vernieuwde schepping. Vóór Pasen was dat nauwelijks voorstelbaar, na Pasen is er wel de ervaring van de verrijzenis, maar is het nog een hele opgave om die te doorgronden.
Johannes laat zich als verteller van zijn beste kant zien in deze lange perikoop, die het beste in zijn geheel kan worden gelezen. Net als in de uitvoerige dialoog in Johannes 4, waar een Samaritaanse vrouw bij de Jakobsbron langdurig met Jezus spreekt en de lezers (hoorders) van dit Evangelie geleidelijk aan met haar ontdekken wie Jezus is en voor iemand kan zijn, neemt de evangelieschrijver hier de lezer mee door eenzelfde soort proces, maar dan met de kernbegrippen ‘zien’ en ‘blind zijn’ in plaats van ‘water schenken’ en ‘dorstig zijn’.