Bestaanszekerheid
7e zondag van de zomer (Lucas 12,13-21)
‘Niet voor schuren die niet duren gaaft Gij vruchtbaarheid, maar opdat op aarde, in uw goede gaarde, niemand honger lijdt’ (LB 718). We zongen het vrijwel ieder jaar in de oogstdienst. Hoewel enigszins stukgezongen is het nog steeds een adequate weergave van Lucas 12,13-21. Jezus waarschuwt voor hebzucht en het oppotten van bezit. Goederen verzamelen zal je niet helpen als je leven in het geding is. Maar erger nog: je ziel loopt gevaar als je alleen voor jezelf leeft en niet deelt met anderen.
Een man komt bij Jezus om verhaal te halen. Zijn broer wil zijn erfdeel niet met hem delen en hij vraagt Jezus om tussen hen te bemiddelen. Jezus wijst dit af: Hij is niet aangesteld als rechter en middelaar. Hij is geen tweede koning Salomo, die rechtspreekt in privéconflicten. De kern van dit stukje vormt Jezus’ waarschuwing voor hebzucht, in het Grieks pleonexia, letterlijk ‘veelhebberij’: het stapelen van bezit, steeds meer willen hebben. In de Septuaginta komt pleonexia onder andere voor in Psalm 119,36: ‘Neig mijn hart naar uw richtlijnen en niet naar winstbejag.’ Deze tegenstelling speelt bij Lucas ook. Dat blijkt uit het vervolg.
In deze kleine discussie gebruikt Lucas het woord ‘erfdeel’, een veelvoorkomend woord in het Oude Testament. Het volk wordt bevrijd uit slavernij en ontvangt de belofte van een land om te wonen. De belofte komt met een opdracht, een manier van leven die ervoor zorgt dat het leven in dit land goed en vredig is. Deze opdracht is samengevat in de Tien Woorden. Telkens als het volk deze opdracht vergeet, leidt dit tot ellende. Het land als erfdeel is een gave van God, waarop je kunt vertrouwen, en niet iets dat je opeist of jezelf toe-eigent. Rijkdom zorgt niet voor bestaanszekerheid. Je leven behoort je immers niet toe.
Het tweede deel van vers 15 is lastig te vertalen. Het Griekse ta huparchonta is een verzelfstandigd participium van het werkwoord huparchoo, wat ‘beginnen’ of ‘ontstaan’ betekent. Ook het resultaat daarvan hoort bij het betekenisveld van dit werkwoord: ‘ten dienste staan’. Het vers betekent dan: want ook als iemand overvloed heeft, hoort zijn leven niet tot wat hem ten dienste staat (zijn bezit). In de hieropvolgende parabel gaat Jezus hierop in.
Ik-gerichtheid
Het land van een rijk man had goed opgebracht. Zo begint de parabel. Hij maakt plannen om deze oogst veilig te stellen. Het is een prachtig gecomponeerd stuk, waarin de gebruikte termen veelzeggend en zelfs humoristisch zijn. Zo gebruikt Lucas de ‘rijmende woorden’ euforèsen (vs. 16), wat ‘vrucht dragen’ betekent. Ons woord ‘euforie’ is ervan afgeleid. In vers 19 volgt dan eufrainon, ‘verheugd zijn’, en dan klinkt in vers 20 het harde afroon: ‘dwaas!’
Ook wat er niet staat is veelzeggend: de man is verheugd over de rijke oogst, maar niet dankbaar. God noemt hij nergens. Als refrein klinkt het steeds herhaalde ‘ik’ en ‘bij zichzelf’. Hij noemt de vruchten van de aarde ‘mijn’ vruchten. De man overlegt met zichzelf, maar nooit met anderen. Hij breekt schuren af om grotere te bouwen en zijn oogst op te slaan voor de toekomst, om zijn eigen bestaan zeker te stellen. Dit roept het verhaal van Jozef in herinnering, die de farao het advies gaf om opslagplaatsen te bouwen voor de rijke oogst van de zeven vette jaren om deze te kunnen uitdelen in de zeven magere jaren die zouden volgen. Dat geeft precies het verschil aan: de rijke man wil alles voor zichzelf houden, terwijl Jozef denkt aan het volk. De vraag die hij zichzelf stelde – ‘Wat zal ik doen?’ – wordt in het boek Handelingen telkens beantwoord met de oproep tot bekering en zich laten dopen (bijv. Hand. 2,37).
Een mooi detail vormt het gebruik van de werkwoorden uitrusten, eten, drinken en vrolijk zijn (vs. 19). Deze staan alle in de imperativus. De man spoort zijn eigen ziel aan. Hij heeft zijn bestaan voor jaren verzekerd, denkt hij, en hij kan nu zorgeloos feestvieren. Maar wel in zijn eentje. Dezelfde vier werkwoorden vormen de kern van het Loofhuttenfeest, een feest om dankbaarheid voor de oogst te tonen en te vieren met anderen.1
Dwaasheid
De man verkneukelt zich, hij heeft zijn zaakjes goed voor elkaar. Maar dan wordt deze euforie wreed verstoord. God spreekt de man aan met ‘dwaas’. Nog deze nacht zal zijn ziel worden opgeëist – het was immers niet zijn bezit. Letterlijk staat er: nog deze nacht vorderen ze jouw ziel in. Het Griekse apaiteoo, waarvan hier een praesensvorm wordt gebruikt (het gebeurt nú), betekent het terugeisen van datgene waarop degene die invordert recht heeft. Zijn ziel/leven is niet van hem, ze wordt opgeëist. Voor wie heb je het dan gedaan? Deze retorische vraag legt nogmaals het alleen-zijn van de man bloot. Het woord ‘dwaas’ herinnert aan de psalmen, maar komt ook vaak voor in de wijsheidsliteratuur. Bekend is de psalmregel: ‘De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God’ (14,1; 53,1). Dat klinkt hier mee. De rijke man is erg met zichzelf en zijn bezit bezig, maar vergeet God te danken en te delen van zijn bezit, zodat de armen ook zeker kunnen zijn van hun bestaan. Beide zaken zijn bij Lucas een diskwalificatie. Het ontbreekt de man aan begrip, hij is niet sofroon, maar afroon, niet wijs maar dwaas. Daarbij heeft hij geen oog voor anderen, voor delen en het doen van gerechtigheid. Kortom, hij toont geen begrip voor de juiste verhoudingen en het doen van Tora. Daarom eindigt de parabel met: ‘Zó is hij die schatrijk is voor zichzelf, maar niet rijk voor God.’ Zijn bestaan is schijnzeker, want het berust op de verkeerde grond.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.
- Aldus: Ben Hemelsoet en Dirk Monshouwer, Lucas. Lezen naar de gewoonte van
Pasen. Zoetermeer, 1997, p. 145. ↩︎