‘Blijf in mijn liefde’
6e van Pasen (Johannes 15:9-17)
De zesde zondag na Pasen, de laatste voor Hemelvaartsdag: in de ‘oude bedeling’ (waar zijn al die mooie, veelzeggende Latijnse zondagsnamen toch gebleven?) heet deze zondag Rogate, bidt! Willem Barnard schreef ooit: ‘Na Pasen gaat het van jubelen, Jubilate, via zingen, Cantate, naar bidden, Rogate.’ Zo is het en niet andersom: van expressie naar impressie, van de uitbundige jubel om zijn daden naar het ingekeerde gebed om Gods nabijheid… juist wanneer afscheid nadert.
Inderdaad: de setting van de lezing van deze zondag is die van het afscheid nemen. Johannes 15:9-17 maakt onderdeel uit van een gedeelte van het Johannesevangelie dat zich nog vóór Pasen afspeelt: Jezus’ lange afscheidsrede tot de leerlingen die Hij tot hen spreekt tijdens hun laatste maaltijd. Het naderende afscheid is de basso continuo, de voortdurende ondertoon onder de woorden.
Gelijkwaardig in het dienen
Aan het begin van de maaltijd heeft Hij hun voeten gewassen: een handeling die het gebruikelijke ritueel rond een Joodse maaltijd herijkte tot een teken van de onderlinge verbondenheid en dienstbaarheid die zij elkaar dienen te bewijzen. Die twee, verbondenheid en dienstbaarheid, klinken door in wat volgt. Ook in Johannes 15:9-17 is het centrale thema: gemeenschap, verbondenheid met elkaar. Verbondenheid tussen de leerlingen onderling, afspiegeling van de verbondenheid tussen Jezus en zijn Vader. Geen ondergeschiktheid van heren en dienaars, maar gelijkwaardigheid in het elkaar dienen.
Liefde, liefhebben, is het dragende woord in deze perikoop. Die liefde komt niet zomaar uit de lucht vallen. Johannes 15:1 begon met het beeld van de wijnstok en het vrucht dragen; en vrucht dragen is ook een werkwoord dat terugkeert in 15:16. Een wijnstok draagt vrucht via haar ranken: Jezus is de wijnstok en de leerlingen zijn de ranken die de vruchten voortbrengen. En daar hebben ze niet zelf voor gekozen – ze zíjn gekozen, zoals de God van Israël koos voor dat slavenvolk in Egypte. Wat een ontspannende gedachte voor een hedendaags kerkmens! Het begint niet bij mijn of jouw of onze keuze voor God (‘mijn’ God – een keuze die je dan ook moet kunnen rechtvaardigen, bewijzen met woorden en daden, met je rede kunnen verdedigen), maar het ís al begonnen met de keuze van de Heer voor jou, zijn schepsel, zijn mens, zijn leerling en volgeling.
De liefde: een gebod
Het is een perikoop als een twee- of misschien zelfs een drietrapsraket. De eerste trap (15:9) is de liefde van de Vader voor de Zoon, en ‒ direct daarop volgend, ermee verbonden – de liefde van de Zoon voor de zijnen, zijn vertrouwelingen. In die liefde van de Zoon moeten ze ‘blijven’: ermee en erin leven. Dat gebeurt hun wanneer ze zich aan zijn geboden (Gr.: entolè, gebod, opdracht) houden, bijna onontkoombaar. Want het gaat hier niet over een voorwaarde waaraan je je moet houden, maar over een zijnswijze, een manier van leven die niet anders kan dan zo. Zoals de geliefde niet de liefde kan ‘verdienen’, laat staan bewerkstelligen. Maar liefde maakt wel dat je op een andere manier leeft. Zich houden aan de geboden van de Heer is om zo te zeggen zijn liefde ‘uitleven’. Niet de letter van de wet, maar de hartslag van de liefde bepaalt het leven: het ‘blijven in’, een leven omringd door Christus’ liefde, bepaalt hun zijn in de wereld.
Zo, zegt Hij, heeft Hij zichzelf ook aan de geboden van de Vader gehouden. Tot op dit moment heeft Hij geleefd in en omringd door de liefde van de Vader, en zo worden zij nu gevraagd om met elkaar te leven en met liefde (zich) te (laten) omringen. Niet als een sprookjesachtig, laat staan zoetsappig ‘en zij leefden nog lang en gelukkig’, maar als de conditie waaronder je werkelijk humaan en in verbondenheid, solidariteit, met elkaar kunt leven. Een leven met ‘Messiaskwaliteit’ (term van prof.dr. Riet Bons-Storm).
Liefde geeft vreugde
De tweede trap van de raket: liefde levert vreugde op (15:11). Het is geen druk waaronder je gebukt kunt gaan, zoals menselijke ‘liefde’ soms tot een druk kan uitgroeien, namelijk als hij onontkoombaar dwingend opgelegd wordt. Een extreem voorbeeld: de man die zijn vrouw sloeg ‘uit liefde’ voor haar (artikel over huiselijk geweld in Trouw, 4 september 2020). Deze liefde is een liefde die in vrijheid wordt gegeven en ontvangen, niet omdat het ‘moet’. Zo’n liefde geeft vrijheid, vreugde.
Als vrienden
Wat de hoogste vorm van liefde is – bijna een retorische vraag voor de gemeente na Pasen ‒ is dat een mens zijn leven, hart en lijf en ziel, geheel en al overheeft voor zijn vrienden (15:13). Op dit punt van zijn rede gaat Jezus niet verder in op dit ‘zijn leven overhebben voor’, maar borduurt Hij verder op wat Hij onder ‘vrienden’ verstaat. Jullie heb Ik mijn vrienden genoemd, zegt Jezus. Ik ben geen leermeester met ondergeschikte, dociele leerlingen, maar Ik noem jullie mijn vrienden. Je bent mijn gelijken, we staan op hetzelfde level. Jullie zijn niet mijn slaven, mijn dienaars, die maar te doen hebben wat hun opgedragen wordt. De ‘geboden’ zijn geen onontkoombare wetten van Meden en Perzen. Een onderhorige hoeft niet uitgelegd te krijgen wat en hoe en waarom, die heeft slechts te gehoorzamen zonder vragen. Maar jullie, zegt Jezus, heb Ik alles verteld wat Ikzelf van de Vader te horen gekregen heb. Wij staan op gelijke voet. Vandaaruit is het dan ook een keuze om alles voor jullie over te hebben. Jullie zijn mijn vrienden, mijn gelijken.
De liefde moet, dat wil zeggen, kán dan ook niet anders dan wederzijds zijn. Getuigen en leven, leer en leven vallen zo samen en dragen de gemeenschap met Hem en elkaar, ook in de tijd van zijn afwezigheid.
Deze exegese is opgesteld door Elly Bakker.