“Blijf op je eigen grond”
In gesprek met Tonnie Dieleman over ‘giftige mannelijkheid’ in de kerk
De gereformeerde broeders uit zijn verleden hebben de liefde veronachtzaamd en daar ondervindt muzikant, kunstenaar en onderzoeker Tonnie Dieleman nog altijd de gevolgen van. Het maakt hem boos. Toch gaat hij sinds kort weer af en toe naar de kerk en heeft hij ontdekt wat er met boosheid gebeurt wanneer het niet op oordeel stuit. Krina Huisman ging namens Theologie.nl met hem in gesprek.
We zouden elkaar ontmoeten op het Graceland Festival, maar het liep allemaal anders. Op de dag van zijn optreden zou het 37 graden worden, dus we besloten het interview online te houden, enkele dagen na het festival. ‘Hoe ging het?’ wil ik weten zodra de opname is begonnen.
“Het was helish. Ik zat onder een parasol om vier uur s’ middags, het heetst van de dag. De toetsenist uit de band die voor mij optrad, heb ik in de schaduw moeten zetten en water moeten geven omdat hij zo aan het schudden was. Eigenlijk was het te heet om op te treden. Maar ja, wie trekt de grens? Als artiest kan ik een optreden niet zo maar afzeggen, natuurlijk, hoewel het me wegens de hitte echt niet meer lukte het tweede optreden te doen. Het was een precedent maar aangezien we hier in de toekomst vaker mee te maken zullen krijgen, is wel het van belang dat we ons op hittegolven gaan voorbereiden en dat artiesten goed beschermd gaan worden, ook financieel.”
Wij hebben in ieder geval een alternatief gevonden: elkaar online ontmoeten. Maar hoe zal ik je aan onze lezers voorstellen? Ik las, ter voorbereiding op ons gesprek, dat je niet van labels houdt. Waar komt het verzet tegen labels vandaan?’
“Ik ben gereformeerd vrijgemaakt opgevoed, in een arbeidersmilieu. Deze wereld was volkomen gelabeld. Vooral mannen hebben tegen mij gezegd: ‘Dit is hoe de wereld in elkaar zit.’ En als ik dan kwam met een vraag, werd ik gezien als het probleem. Je moet binnen de lijntjes passen, anders word je al snel geïsoleerd, dat heb ik vanaf mijn middelbare school continu gevoeld. Het riep veel boosheid in me op. Inmiddels ken ik veel mannen die dit ook hebben meegemaakt. Ik vind het trouwens belangrijk op te merken dat ik als man spreek, het gaat hier over een mannelijke ervaring. Dat is heel anders dan de vrouwelijke ervaring. Voor vrouwen geldt alles dubbel.”
Je bent dus opgegroeid in een gelabelde wereld…
“Ik ben er steeds bewuster van geworden hoe arrogant het is om alles tot op de millimeter uit te leggen. Dat niemand zich hiervoor schaamt of er sorry voor heeft gezegd. Als ik daar nu vragen over stel, antwoordt men mij: ‘Ja maar Tonnie, alles kan tegenwoordig hoor!’ Maar ik vind dat als je rechtvaardigheid in deze wereld najaagt, je het verleden onder ogen moet komen. Dan moet je verantwoordelijkheid nemen voor wat er is gebeurd. Je moet bereid zijn een offer te brengen. Misschien had de vrijgemaakte kerk zich gewoon moeten opheffen, helemaal opnieuw moeten beginnen, in plaats van op te gaan in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Maar nee, ze gaan gewoon door!”
“Onlangs nog las ik in het Nederlands Dagblad een artikel over de zending in Papoea-Nieuw-Guinea. Het was een artikel van drie pagina’s waarin alleen mannen aan het woord waren en geen enkele oorspronkelijke bewoner van de staat. Ze hebben die mensen daar gewoon in de steek gelaten hé. Ze hebben daar een kerk opgericht in een taal die de mensen helemaal niet spraken. Dat is gewoon kolonialisme, maar het enige wat ze daarover zeggen is dat ze zich willen inzetten voor meer gebed voor de mensen daar.”
Dat gevoel ken jij: je geloof moeten belijden in een taal die niet je moedertaal is. Thuis spraken jullie het Zeeuws-Vlaamse dialect, maar de kerkdienst werd in het Nederlands gehouden.
“Ja, daarom is het dialect voor mij zo belangrijk geworden. Dialect is de onofficiële taal. Ik ben geen streektaalonderzoeker, het is mijn taal, die ik gebruik op mijn manier. Het dialect is ook altijd in strijd met de bovenlaag, met de macht, de arrogantie, en in mijn geval ook met de mannelijkheid. De kerk associeer ik namelijk met mannen. Maar in de loop van de jaren ben ik feminist geworden.”
En hyperlokaal…
“Ja, dat is een label die ik zelf heb bedacht. Daar kan ik mij wel in vinden. Blijf op je eigen grond, zou ik tegen de zendelingen willen zeggen, op de plek waar God je geplaatst heeft (lacht). Er is namelijk geen wezenlijk verschil tussen Zeeuws-Vlaanderen en Papoea-Nieuw-Guinea. Op allebei de plekken wonen mensen die hun best doen hun leven te leiden, het liefst een beetje in vrede met elkaar.”
Op je eigen grond blijven… hoe doe jij dat?
“Ik zag iedereen om mij heen Amerikaans doen. Graceland, wat eerder het Flevofestival was, was muzikaal ook veel op Amerikaans model gestoeld. Een vriend van me, ex-christen, merkte tijdens het festival op: ‘Wat is dat toch met die christenen. Ze kunnen nooit origineel zijn. Ze moeten altijd iets anders pakken en er een christelijk sausje overheen gooien!”
“Zelf ben ik mijn inspiratie gaan halen uit mijn eigen omgeving. Ik ben fan geworden van een pastoor uit Zeeuws-Vlaanderen: Omer Gielliet. Hij deed veel met het Zeeuws-Vlaamse dialect, was ook kunstenaar en heeft hele radicale ideeën gehad. Hij was bijvoorbeeld een voorloper in de milieubeweging en richtte in de jaren tachtig ‘Redt de Schelde’ op. Vanaf de kansel preekte hij tegen het gebruik van landbouwgif en de industrie en zag vervolgens zijn kerk leeglopen. Maar daar trok hij zich niets van aan. Hij is een enorme inspiratie voor me en zijn bevrijdingstheologie werkt door in alles wat ik doe.”
Hoe zou je Gielliets theologie omschrijven?
“Omer reisde in eerste instantie de hele wereld over, maar in Brazilië kwam hij in aanraking met de bevrijdingstheologie. Eigenlijk waren ze daar bezig met wat we nu ‘intersectionaliteit’ noemen: het idee dat alles met elkaar verbonden is. De leefplek, de grond, de rivier, de religieuze gemeenschap: het is allemaal één geheel, je kan het niet los van elkaar zien. Geïnspireerd door deze theologie besloot Omer terug te keren naar Breskens, om hier in Zeeuws-Vlaanderen de bevrijdingstheologie verder uit te werken. Jezelf bevrijden door anderen te bevrijden: dat is een belangrijke gedachte in deze theologie.”
Hoe werkt dit?
“Kijk, ik ben een man van vijftig die worstelt met psychische problemen. Deze problemen komen ook door mijn opvoeding en door de religieuze denkbeelden die ik heb meegekregen. Ik heb nogal wat extreemheid in me en dat is niet gezond. Dankzij Aleid Schilder ben ik me van deze ongezonde denkbeelden bewust geworden, kan ik er woorden aan geven, en durf ik het ook steeds meer te uiten. Als er iets goeds uit de vrijmaking is voortgekomen, dan wel Aleid Schilder.”
“Maar ik ben wel verantwoordelijk voor mijn eigen herstel. Het ergste dat ik kan doen, is iemand anders kwetsen, maar als ik mijn emoties niet in check heb, dan gebeurt precies dat waar ik bang voor ben. Het maakt niet uit wat jij in dit gesprek tegen mij zegt, daar heb ik geen enkele controle over, maar hoe ik vervolgens op jou reageer, is mijn verantwoordelijkheid. Het is ook mijn verantwoordelijkheid om te communiceren over dingen die me dwarszitten of aan te geven wanneer ik iets niet prettig vind, en dat op een rustige manier.”
“Ik heb in mijn omgeving gereformeerde mannen boos zien worden en de lelijkste dingen horen zeggen maar vervolgens geen enkele verantwoordelijkheid zien nemen voor de gevolgen. En als je dat niet doet, dan gaat het rotten en etteren. Het gaat zich verspreiden. Het niet-praten, het binnenhouden is gewoon een disease. Het komt overal in terug, ook in jezelf.”
Boosheid… er wordt mijns inziens te weinig aandacht aan deze emotie geschonken binnen de kerk. Het belang ervan maar ook hoe je ermee moet omgaan. Want uiteindelijk wil je natuurlijk bij de liefde uitkomen. Dat is in jouw werk ook een belangrijk thema.
“Boosheid is ook liefde hé. Ik ben terecht boos op de juiste mensen. Een ouderling zei vroeger: ‘Tonnie is altied boos.’ Maar hoe kan je niet boos worden op broeders die de liefde veronachtzaamd hebben. Want zo zie ik het. Hoe kan je het liefde noemen wanneer de helft van de kerkgangers in de kerk niet mogen praten of meebeslissen? Wanneer een vrouw gedwongen wordt om in een gewelddadig huwelijk te blijven of naar bed te gaan met de man die haar mishandelt? En er zijn nog veel meer voorbeelden te noemen. In mijn theologie is dit een diepe, diepe zonde. En tegelijkertijd zit die gereformeerde man ook in mij, daar moet ik mij ook toe verhouden…”
Ja?
“Ja, die gereformeerde man heeft de neiging om alles uit te gaan leggen, om dingen zeker te weten, om te denken dat hij het altijd ietsje beter weet. Daar moet ik iets mee.”
“Ik probeer ook anders naar vrouwen te kijken, anders naar ze te luisteren. En in mijn werk ben ik geïnteresseerd geraakt in ‘vrouwenonderwerpen’. Op dit moment, bijvoorbeeld, verdiep ik mij in de Zeeuws-Vlaamse landbouwgeschiedenis. Er is in de jaren tachtig een archief opgenomen met ervaringen van arbeidersvrouwen die op hun 12e of 13e al op het land moesten werken. Ze hadden er de woorden niet voor, maar je hoort het seksueel misbruik all over the place. Een dag in de twee weken mochten ze naar huis en op de andere dagen verbleven ze in kamertjes in een zeer mannelijke omgeving. Het is allemaal zo giftig. Die verhalen moeten verteld worden – ook door mannen. Daar waar machtsverhoudingen zijn, is ook vaak seksueel misbruik. Die beerput is in de vrijgemaakte kerk nog niet eens geopend.”
En die boosheid in jezelf, wat doe je daarmee?
“Ik zat laatst bij een begrafenis en de taal die daar gesproken werd maakte me zo boos dat ik iets kapot heb gemaakt. ‘Dit is niet goed, hier moet ik wat aan doen,’ besloot ik. En toen ben ik de kerk gaan opzoeken waar een vriend van mij, dominee Jan Verlinde, voorging. Ooit was hij op de preekstoel uit de kast gekomen, wat ik diep ontroerend vind. De eerste keer dat ik er was stond Jan achter een tafel met brood en wijn, omringd door vrouwelijke ambtsdragers. Ik moest er gewoon van huilen. ‘Hier kan ik bij horen’, dacht ik. ‘Hier spreken ze mijn taal.’
En wat gebeurde er in de kerk met je boosheid?
“Die veranderde in verdriet. Er kan in deze kerk gerouwd worden en dat is zo belangrijk. Het is ook de kerk van die kinderen uit Axel die op een schoolreis om het leven kwamen. Ik ben veel met de dood bezig de laatste tijd, ook in mijn kunst. Ik heb niet alleen mijn beide ouders verloren, maar onlangs ook mijn zus. Binnen twee weken was ze gestorven.”
De dood is voor Gielliet ook een belangrijk onderwerp…
“Ja, volgens Omer zijn sterven en lijden een dood punt waar je doorheen moet. Hij noemde het ook wel een zwart gat van waaruit iets nieuws kan ontstaan. Alles draagt seizoenen in zich: hoe ik als mens ben, hoe wij als wereld zijn en zelfs de mensheid kan je zien als een seizoen. Het grote mysterie, wat mij betreft, is hoe alles wat sterft opnieuw geboren wordt. Ik kan het niet uitleggen, maar ik heb het wel zelf ervaren toen mijn moeder ziek werd. Je zou kunnen zeggen dat door haar dood de muziek in mij geboren werd. Mooi circulair hé… Wacht, ik haal er een gedicht van Omer bij…”


Krina Huisman (1986) is literatuurwetenschapper en gepromoveerd op het onderwerp narratieve zingeving bij rouw. Ze is redacteur ‘Levensvragen’ en ‘Opinie’ bij Theologie.nl.