< Terug

Heeft Jezus geleefd?

In dit Theologisch drieluik introduceert Bert Jan Lieatert Peerbolte je met de historische Jezus: wie was Jezus?

Deel 2: Welke bronnen vertellen over Jezus?

Deel 3: Wie was Jezus?

Binnenkort verschijnt er een reactie op dit drieluik.






Bert Jan Lietaert Peerbolte

Geen mens in de oudheid zou een religieuze held creëren die als verschoppeling aan een kruis sterft.”

Theologisch drieluik: de historische Jezus (deel 1)

Wie zich bezighoudt met een historische reconstructie van Jezus loopt al direct tegen een belangrijke vraag aan: heeft Jezus wel geleefd? Met enige regelmaat verschijnen er boeken, blogs en artikelen van mensen die tot een schokkend nieuw inzicht komen: Jezus zou nooit bestaan hebben! De figuur die we als Jezus kennen zou het product zijn van religieuze fantasie en soms wordt die fantasie dan ook nog uitdrukkelijk aan een kwaadaardig complot toegeschreven.

Wie een zoektocht begint naar de historische Jezus doet er dan ook goed aan om eerst zeker te stellen dat hij daadwerkelijk geleefd heeft. Wat zijn de aanwijzingen dat dat het geval is?

Wat oogt als een naam, Jezus Christus, is dus van oorsprong een belijdenis: Jezus is de messias

Allereerst weten we uit christelijke, maar ook uit niet-christelijke bronnen, dat er in de eerste eeuw een beweging ontstond van mensen die een beroep deden op Jezus die de Christus genoemd werd. Het woord Christus is intussen algemeen bekend als een soort eigennaam, maar dat is het van oorsprong helemaal niet. Het Latijnse woord Christus gaat terug op het Griekse bijvoeglijk naamwoord christos, dat ‘gezalfde’ betekent. Het Hebreeuwse woord voor ‘gezalfde’ is mesjiach, beter bekend als ‘messias’.

Wat oogt als een naam, Jezus Christus, is dus van oorsprong een belijdenis: Jezus is de messias. In de loop van de eerste eeuw komen de volgelingen van deze Jezus bekend te staan als christianoi, zij die een beroep doen op Christos. Uiteindelijk zal dit woord de betekenis ‘christenen’ krijgen.

Jezus een verzinsel?

Zou het mogelijk zijn dat deze stroming van de christianoi hun eigen held zelf bedacht heeft? Dat hun ‘Heer’, Jezus de messias, een verzinsel is? Zoals zo vaak bij historisch onderzoek is er geen hard ‘ja’ of ‘nee’, want we kunnen nu eenmaal niets verifiëren. Het is dus wel degelijk mogelijk dat Jezus een verzinsel is, maar de juiste vraag is: is dat waarschijnlijk? Het antwoord op die vraag moet ontkennend zijn. Omgekeerd moet je dus zeggen: het is zeer waarschijnlijk dat Jezus geleefd heeft. Wat zijn de belangrijkste aanwijzingen daarvoor?

Laten we beginnen met de vermeldingen van Jezus en-of zijn volgelingen in niet-christelijke bronnen. We hebben drie Romeinse auteurs die ervan blijk geven de christenen van horen zeggen te kennen: Plinius de Jongere, Suetonius en Tacitus. Daarnaast schrijft ook Flavius Josephus, de Joodse hofhistoricus van de Flavische keizer – keizers Vespasianus, Titus en Domitianus – over Jezus, over zijn volgelingen en over zijn broer Jacobus.

Suetonius heeft niet door dat de oorzaak van de onlusten gelegen is in discussies over de status van Jezus als de messias

Interessant genoeg weet Tacitus aan het begin van de tweede eeuw te melden dat Jezus onder Tiberius is terechtgesteld. Plinius schrijft aan keizer Trajanus om raad en vraagt zich af wat hij moet doen met die rare christenen. En Suetonius maakt een opmerking over de verdrijving van Joden uit Rome in de jaren vijftig, onder Claudius. Hij wijt deze verdrijving aan hun permanente twisten, veroorzaakt door ene Chrestus. Aangezien de slavennaam chrēstos in het Grieks van de eerste eeuw hetzelfde klonk als Jezus’ titel christos, ligt de verklaring voor de hand: Suetonius heeft niet door dat de oorzaak van de onlusten gelegen is in discussies over de status van Jezus als de messias.

Voeg bij dit materiaal het bewijs van Josephus en duidelijk is dat in de eerste en aan het begin van de tweede eeuw de christenen bekend waren en dat hun bestaan werd teruggevoerd op de aanstichter van dit alles, ene Jezus die bekend stond als de christos.

Mondelinge overlevering

Naast het niet-christelijke materiaal hebben we een veelheid aan christelijke teksten over Jezus. De oudste bronnen die hem noemen zijn de brieven van Paulus, geschreven in de jaren vijftig van de eerste eeuw. Daarna volgen de canonieke evangeliën: Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes, hier genoemd in hun vermoedelijke volgorde van ontstaan.

In een cultuur waarin het verlies van eer misschien nog wel erger gevonden werd dan het verlies van je leven, was een kruisiging de ultieme vernedering

De herinneringscultuur van de oudheid maakte dat tradities over Jezus eerst en vooral mondeling werden doorgegeven. Aldus gaan de evangeliën dus terug op mondelinge overlevering en een deel daarvan is oud tot zeer oud, mogelijk uit het leven van Jezus zelf. Hoe die mondelinge overlevering werkt is eens te meer duidelijk geworden door de vondst van het Evangelie van Thomas. Dit document bevat geen narratief kader, geen lijdensevangelie en geen berichten over de opstanding. Het bestaat uit 114 korte uitspraken van of gesprekjes met Jezus. Een deel daarvan komt overeen met wat we in de canonieke evangeliën hebben en lijkt soms ook terug te gaan op een eerdere fase van dat materiaal.

Kruisiging te bizar

Hoe waarschijnlijk is het dat al dit materiaal ontsproten is aan fantasie? Mocht iemand nog twijfelen, dan is er een laatste belangrijk argument om de vraag of Jezus geleefd heeft positief te beantwoorden.

In alle bronnen die zich uitspreken over het levenseinde van Jezus is er sprake van dat hij gestorven is aan een kruis. Kruisiging was een van de wreedste vormen van executie. Met dikke metalen staken door de polsen en de enkels werd de veroordeelde aan het hout gespijkerd. Daar bleef hij hangen tot hij door uitputting stierf. Meestal was de doodsoorzaak verstikking. Het gewicht van het eigen lichaam drukt zo naar beneden, dat de longen dichtgeknepen worden. Een uiterst pijnlijke dood, die vooral bedoeld is om de geëxecuteerde te onteren. In een cultuur waarin het verlies van eer misschien nog wel erger gevonden werd dan het verlies van je leven, was dit de ultieme vernedering.

We kunnen de contouren van Jezus schetsen, maar we kunnen de kleur van zijn ogen niet reconstrueren

Welnu: geen mens in de oudheid zou het verzinnen om een religieuze held te creëren die dan als verschoppeling aan een kruis sterft. Het is namelijk zo bizar, dat je dat niet verzint. En daarmee hebben we de belangrijkste indicatie te pakken. Als Jezus gestorven is door kruisiging, omdat dat een element is dat je niet verzint, moet hij dus ook geleefd hebben.

Het optreden van Jezus

Daar beginnen dan voor de historicus de problemen. Als Jezus geleefd heeft, wil je ook over zijn leven en optreden iets kunnen zeggen. Dat is wat het onderzoek naar de historische Jezus sinds het einde van de 18e eeuw doet. We kunnen de contouren van Jezus schetsen, maar we kunnen de kleur van zijn ogen niet reconstrueren. (Naar alle waarschijnlijkheid bruin, trouwens). En zo begint de reis terug naar het optreden van Jezus.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

< Terug