< Terug

Wie was Jezus?

In dit Theologisch drieluik introduceert Bert Jan Lieatert Peerbolte je met de historische Jezus: wie was Jezus?

Deel 1: Heeft Jezus geleefd?

Deel 2: Welke bronnen vertellen over Jezus?

Binnenkort verschijnt er een reactie op dit drieluik.

Bert Jan Lietaert Peerbolte

“Als er iets verteld wordt dat voor de eerste christenen niet goed uitkomt, dan moet je aannemen dat het oude papieren heeft.”

Theologisch drieluik: de historische Jezus (deel 3)

Hoe kun je op basis van de beschikbare bronnen terugvragen naar Jezus? Voor de historicus die zich over Jezus buigt is dit een essentiële vraag. Uit alles wat de evangeliën en andere vroege teksten over Jezus schrijven, kun je op basis van een aantal criteria de contouren van zijn optreden schetsen.

Deze criteria zijn in de loop van de afgelopen decennia ontwikkeld en kunnen ons goed van pas komen:

  1. Er is materiaal over Jezus dat we in diverse, van elkaar onafhankelijke bronnen aantreffen. Dat materiaal gaat waarschijnlijk terug tot zeer vroege mondelinge overlevering.
  2. Sommige uitspraken van Jezus gaan in tegen de koers van de dag, staan haaks op wat gebruikelijk was in de eerste eeuw.
  3. Het gebeurt wel dat een verhaal verteld wordt dat eigenlijk heel ongemakkelijk uitkomt.
  4. Daarnaast is er het feit dat de verwerping en kruisiging van Jezus theologisch moeilijk acceptabel zijn voor onze schrijvers.

Laten we enkele voorbeelden van deze vier categorieën onder de loep nemen.

Meervoudige betuiging

Het eerste criterium is dus dat van meervoudige betuiging: als een uitspraak of handeling van Jezus in meerdere, van elkaar onafhankelijke bronnen beschreven wordt, gaat het om oud materiaal dat waarschijnlijk op Jezus zelf teruggaat. Een goed voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde ‘inzettingswoorden’: de woorden die Jezus uitsprak bij het laatste avondmaal.

In Marcus 14:22-25 deelt Jezus brood uit aan zijn leerlingen en noemt hij dat brood zijn lichaam. Vervolgens deelt hij een beker wijn met hen en spreekt over die wijn als zijn bloed. In een iets andere versie komt dezelfde episode voor in een brief van Paulus (1 Korintiërs 11:23-26) en ook Johannes 6:51-58 lijkt hierop terug te gaan. De kans is daarmee groot dat dit de overgeleverde herinneringen weerspiegelt aan een moment uit het leven van Jezus.

Wanneer iets dat Jezus zegt, botst met de opvattingen uit zijn cultuur en tijd, is de kans groot dat het teruggaat op iets dat hij echt gezegd heeft

Discontinuïteit én coherentie

Criterium twee wordt aangeduid met de term ‘discontinuïteit’: een aantal uitspraken van Jezus staat haaks op de praktijk van zijn joodse leefwereld. Daar waar een uitspraak of gebeurtenis juist niet in overeenstemming is met opvattingen uit het jodendom van de eerste eeuw of de beweging van volgelingen van Jezus na zijn optreden, ligt voor de hand aan te nemen dat het materiaal tot Jezus teruggaat.

Als voorbeeld van dit criterium mag het verbod op het zweren van een eed gelden (Matteüs 5:34, 37) en wellicht ook het verbod op echtscheiding (Marcus 10:2-12; Lucas 16:18). Het lastige van dit specifieke criterium is dat het uitgaat van de vooronderstelling dat een bepaalde stand van zaken of een bepaald idee niet past binnen het vroege jodendom. Een nadeel van dit criterium is dat het de punten waarop Jezus met zijn joodse leefwereld overeenstemt aan het zicht onttrekt, maar dat kan dan weer opgevangen worden door een bijkomende benadering: het criterium van coherentie. Waar passen de woorden van Jezus juist heel goed in zijn context?

Ongemak

Criterium drie is dat van ongemak. Als een verhaal verteld wordt dat voor de eerste christenen eigenlijk niet goed uitkomt, dan moet je aannemen dat het oude papieren heeft en waarschijnlijk inderdaad op Jezus’ leven teruggaat. Het beste voorbeeld van een dergelijk verhaal is de doop van Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan.

Een gekruisigde messias komt in vroeg-joodse teksten niet voor, dus het levenseinde van Jezus staat haaks op zijn veronderstelde identiteit als messias

Het is frappant om de ontwikkeling van dit verhaal in de evangeliën te zien. Bij Marcus (1:4-11) staat deze gebeurtenis prominent aan het begin van het optreden van Jezus. Het is hier dat Jezus door God wordt aangesproken en wordt uitgeroepen tot Gods Zoon (1:11). Matteüs neemt het verhaal over (3:13-17), maar laat Johannes een tegenwerping uitspreken: “Ik zou door u gedoopt moeten worden en dan komt u naar mij?” (3:14)

In Lucas treffen we een ultrakorte versie van deze episode aan, waarin alleen wordt gezegd dat ‘ook Jezus was gedoopt,’ (3:21-22) maar niet verteld wordt wie dan de doop verrichtte. Het evangelie van Johannes bevat een nog verder uitgeklede versie van deze traditie. In 1:29-34 getuigt Johannes de Doper van Jezus: hij had de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen op Jezus en kan daarom met zekerheid stellen dat deze Jezus ‘de Zoon van God is.’ (1:34) Dat hij Jezus gedoopt zou hebben wordt niet gemeld.

Een onverwacht levenseinde

Dan resteert het laatste punt, de verwerping en kruisiging van Jezus. Je zou kunnen zeggen dat heel Marcus geschreven is om antwoord te geven op de vraag hoe het kan dat Jezus de messias is, maar niet met wapengekletter de Romeinen kwam verdrijven. Sterker nog, hij eindigde aan een kruis. Een gekruisigde messias komt in vroeg-joodse teksten niet voor, dus het levenseinde van Jezus staat haaks op zijn veronderstelde identiteit als messias. Dat die beide elementen in het materiaal over Jezus voorkomen, haaks op elkaar, is een indicatie daarvan dat ze allebei terug gaan op het leven van Jezus.

Dit is natuurlijk allemaal voorwerk en het besproken bewijs is fragmentarisch. Met het vaststellen dat Jezus daadwerkelijk geleefd heeft, het inventariseren van de bronnen die zijn optreden beschrijven en het presenteren van de criteria waarmee de beschreven bronnen bestudeerd worden, begint het pas. Wat dan moet gebeuren is het maken van een inventarisatie van het materiaal over Jezus, ontleend aan de genoemde bronnen en gerangschikt aan de hand van de beschreven criteria. Alleen is dat een klus voor een boek en niet voor een kort drieluik. Er wordt aan gewerkt.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

< Terug