< Terug

Welke bronnen vertellen over Jezus?

In dit Theologisch drieluik introduceert Bert Jan Lieatert Peerbolte je met de historische Jezus: wie was Jezus?

Deel 1: Heeft Jezus geleefd? Deel 3: Wie was Jezus?

Binnenkort verschijnt er een reactie op dit drieluik.

Bert Jan Lietaert Peerbolte

“Als de evangeliën telkens een narratief kader hebben, welk materiaal kunnen we dan mogelijk terugvoeren op Jezus zelf?”

Theologisch drieluik: de historische Jezus (deel 2)

Historisch onderzoek valt en staat met de vraag naar de bronnen. Welke bronnen heb je om over een bepaald onderwerp te schrijven? Bij onderzoek naar de historische Jezus is dat niet anders. Het is van groot belang om met deze vraag te beginnen. Wat voor materiaal hebben we over Jezus?

Helaas hebben we geen teksten van de hand van Jezus zelf. Eén passage in het evangelie van Johannes merkt op dat Jezus in het zand schrijft terwijl hij wacht op het antwoord van de hem omringende mannen die een overspelige vrouw aanklagen bij hem. Alleen is deze passage met zekerheid geen onderdeel van het oorspronkelijke evangelie. Ze stamt van later datum en is ingevoegd in het evangelie. We kunnen er geen informatie over Jezus aan ontlenen. Ook archeologisch materiaal hebben we niet.

We houden de beschrijving van een wonderdoener op die veel leerlingen om zich heen verzamelde

Josephus’ Joodse oudheden

Gelukkig hebben we genoeg literair bewijs over Jezus – teksten die zijn optreden en zijn onderwijs beschrijven, direct of indirect. In de vorige aflevering werd al melding gemaakt van vier niet-christelijke auteurs die iets schrijven over Jezus, of beter: over Jezus’ volgelingen. Het zijn Plinius, Suetonius, Tacitus en Flavius Josephus. Vooral het bericht van Josephus over Jezus bevat, wanneer we het ontdoen van woorden en uitdrukkingen die door christelijke scribenten zijn toegevoegd, waardevolle informatie:

In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. En veel Joden alsook velen van de Grieken bracht hij tot zich. Hij was de Christus. Ook nadat Pilatus hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderbaarlijke dingen over hem gezegd. Tot op de dag van heden is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.

Joodse oudheden 18,63-64[1]

De vetgedrukte woorden zijn zonder twijfel christelijke toevoegingen, de cursieve woorden waarschijnlijk ook. Als we deze woorden weglaten, houden we de beschrijving van een wonderdoener op die veel leerlingen om zich heen verzamelde. De informatie over Jezus’ opstanding en de interpretatie van zijn optreden als vervulling van de voorspellingen van profeten van weleer lijken terug te gaan op christelijke overlevering en in dat geval zal dat voor dit hele bericht gelden. Niettemin: Josephus schetst wel degelijk de contouren van Jezus’ optreden.

De evangeliën

Het belangrijkste bewijs voor een reconstructie van Jezus’ optreden vinden we echter in de evangeliën in het Nieuwe Testament. Ook in de brieven en Handelingen komen we wel informatie over Jezus tegen, maar aanzienlijk minder. De evangeliën bevatten het meeste Jezus-materiaal, aangevuld met één buitencanoniek evangelie: het evangelie van Thomas. Laten we de bronnen langs lopen.

Marcus

Marcus is het oudste evangelie, ontstaan rond het jaar 70. Het gaat, net als de andere evangeliën, terug op mondelinge overlevering over Jezus, maar misschien bevat het ook wel fragmenten die al eerder op schrift gesteld waren. Marcus vertelt vooral het verhaal van Jezus op zo’n manier dat duidelijk moet worden aan de hoorders/lezers waarom Jezus moest sterven. Het lijkt een antwoord op het verwijt dat de messias helemaal niet zou komen om te lijden en te sterven en benadrukt dat dat wél het geval is.

Matteüs en Lucas

Matteüs en Lucas hebben beide Marcus gebruikt. Dat verklaart waarom ze in opbouw en structuur zo op Marcus lijken. Toch zijn het hele andere evangeliën dan Marcus. Matteüs bijvoorbeeld heeft een voorkeur voor Jezus als leraar en laat hem vijfmaal een uitgebreide redevoering uitspreken. In Matteüs stuurt Jezus zijn leerlingen uit om tot ‘de verloren schapen van het volk van Israël’ te preken (10:6), maar aan het einde van het evangelie roept de opgestane Heer dezelfde leerlingen op om ‘alle volken tot mijn leerlingen’ te maken (28:19) en hen te dopen. Het is alsof Matteüs schetst hoe Jezus’ missie gericht was op Israël, maar uitliep op een wereldwijde zending.

Lucas pretendeert als historicus verslag uit te brengen over het optreden van Jezus en schrijft bovendien een vervolg op het evangelie in de vorm van het boek Handelingen der apostelen. Alle historische pretentie van Lucas ten spijt is duidelijk dat het kader en de vertelling ook in dit geval van de evangelist komen.

Omdat Matteüs en Lucas materiaal overeenkomstig hebben, dat ze niet delen met Marcus, wordt verondersteld dat er nog een brontekst is: Q

Als nu de evangeliën telkens een narratief kader hebben dat door de respectievelijke evangelisten is aangebracht, welk materiaal kunnen we dan eventueel terugvoeren op Jezus? Het antwoord is dat het daarbij gaat om korte perikopen, eenheden van de tekst die los in mondelinge vorm overgeleverd zijn.

Een belangrijke bron van oude informatie over Jezus valt te reconstrueren door Matteüs en Lucas te vergelijken. Er is namelijk materiaal in beide evangeliën te vinden dat ze wel met elkaar gemeen hebben, maar niet ontleend is aan Marcus. Dit materiaal wordt toegeschreven aan een veronderstelde brontekst die in de geleerde wereld wordt aangeduid als Q (van het Duitse woord voor ‘bron’: Quelle). Materiaal uit Q behoort tot het oudste materiaal dat de evangeliën hebben over Jezus en is daarmee een soort kroongetuige van zijn optreden.

Johannes

Hoe zit het dan met Johannes? Dit evangelie laat Jezus, anders dan de andere drie, tenminste driemaal naar Jeruzalem reizen. Bovendien vertelt het een aantal verhalen op een hele andere wijze dan de andere drie dat doen. Johannes bevat materiaal dat bij de overige evangeliën ontbreekt en andersom ontbreken bij Johannes passages die we uit de anderen kennen.

De veiligste aanname is dat Johannes geschreven is laat in de eerste of misschien wel aan het begin van de tweede eeuw en hervertellingen bevat van verhalen die mondeling de ronde deden over Jezus. Kijk bijvoorbeeld naar het verhaal in Johannes 9 over de genezing van een blindgeborene. Dit lijkt erg veel op een soortgelijk verhaal uit Marcus 8, maar dan verteld in een andere context, op een ander moment.

Thomas

Het evangelie van Thomas is een geschrift uit de tweede eeuw. Het kent geen narratief kader, maar omvat 114 logia (enkelvoud: logion), uitspraken van Jezus al dan niet ingeleid door een vraag of voorval. Sommige van deze logia komen overeen met materiaal dat we uit de canonieke evangeliën kennen.

Samengenomen leveren deze bronnen een silhouet op van Jezus, dat hier en daar nader ingevuld kan worden met uitspraken en gebeurtenissen. Daarover de volgende keer meer.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Noot

[1] Geciteerd uit Flavius Josephus, De oude geschiedenis van de joden [Antiquitates Judaicae], ed. Fik Meijer en M. A. Wes, Antiquitates Judaicae, (Amsterdam: Ambo, 1996).

Later verschijnt er een reactie op dit drieluik

< Terug