< Terug

Heer, toon mij uw genade

Maandag, Theologenblog-dag. Deze week opent Saskia van Meggelen de week met een reflectie op Psalm 6 en haar Gereformeerde roots.

Saskia van Meggelen

“Genade was er wel, maar ook het gevoel dat je er zomaar ongenadig van langs kon krijgen. En als God dat niet deed, dan deed je het zelf alvast maar.”

Ik was een kind van een jaar of 7, 8 en zat naast mijn vader in de kerk. De dominee liet als inleiding op het gebed van verootmoediging, of als verlenging daarvan het eerste vers van Psalm 6 zingen. Ook de verzen 3 en 5 van deze Psalm kwamen aan bod, maar de nadruk lag toch op altijd dat eerste vers. Ik was een ontvankelijk kind, het vibrato in mijn vaders stem maakte mij duidelijk: dit was een belangrijke Psalm, hij zong teder en vol overgave – de Geneefse versie heeft ook een wonderschone melodie.

Psalm 6

Heer, toon mij uw genade
straf mij niet naar mijn daden,
ik was in kwaad verblind.
Komt mij uw hand kastijden,
sla mij met medelijden
als uw weerspannig kind.

Het lied trok diepe sporen in mijn ziel, tot op de dag van vandaag. In deze column wil ik me verstaan met de dubbelheid van wat ik toen ervaren heb en maar met moeite ben kwijtgeraakt.

Slaag krijgen

Dat mijn vader dit lied zo warm en met doorleefde eerbied voor God zong, maakte en maakt dat het mij aanspreekt. Toen wist ik het, geloofde ik dat het de waarheid was. Het was noodzakelijk intens te bidden of de HEER je genadig wilde zijn en je niet zou straffen naar je daden. Ik was een schuchter en braaf meisje, er zat niet veel kwaads in mij, ik lette voortdurend op wat een ander nodig had en wilde iedereen tevreden stemmen, maar God tevreden stemmen, dat zou mij niet lukken, ik was in kwaad verblind.

Mijn neef pestte me een keer en deed net alsof hij me een klap wilde geven. Op het laatste moment trok hij zijn hand terug. Zou het ook zo bij God zijn?

De HEER had het recht om mij te kastijden, en ik bad, dat, als Hij me dan zou slaan, Hij me met medelijden zou slaan – ik stelde me zo voor dat het ging als toen mijn neef me een keer pestte en net deed alsof hij me een klap wilde geven en op het laatst zijn hand terugtrok. ‘Je schrok hè’ zei hij. Ja, ik schrok. Was het ook zo bij God? Schrik beving mij als ik bedacht dat Hij mij, weerspannig kind, zou kunnen slaan, maar ik hoopte vurig dat hij me met medelijden zou slaan.

Niet deugen

‘Weerspannig,’ je hoorde dit woord alleen in de kerk, ongehoorzaam betekende het. Ongehoorzaam was je als je iets verkeerd deed of vooral als je iets naliet te doen, maakte ik op uit het gebed van de dominee. Weerspannig voelde nog een tikkeltje erger. Het was een soort staat van zijn, weerspannig zijn, tegendraads zijn, niet deugen. Je verdiende het geslagen te worden maar God bedacht zich op het laatste moment en gaf je een aai over je bol. Het zachte timbre van vaders stem verried hoe dankbaar je hiervoor moest zijn.

‘Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad,’ dat is nog eens iets anders dan ‘de meeste mensen deugen.’ Dat meisje van toen is haar hele leven blijven worstelen met haar Gereformeerde opvoeding. Het maakte haar faalangstig en perfectionistisch. Genade was er wel, maar ook het gevoel dat je er zomaar ongenadig van langs kon krijgen. En als God dat niet deed, dan deed je het zelf alvast maar. Dan kon het alleen maar meevallen.

Ik herken me in het werk van Aleid en Bep Schilder, van Franca Treur en Marieke Lucas Rijneveld; qua generatie sta ik tussen hen in

Gereformeerde meisjes

Aleid Schilder schreef het boek Hulpeloos maar schuldig, Bep Schilder de trilogie De poort, de paljas en het meisje. Franca Treur en Marieke Lucas Rijneveld schaar ik ook onder degenen die de zware kant van een Gereformeerde opvoeding van binnenuit kennen. Gereformeerde meisjes waren ze, beïnvloedbaar, juist omdat ze zulke gevoelige zielen waren. In hun werk herken ik me, qua generatie sta ik tussen hen in.

Ik ben bij het geloof gebleven, ik ben ook in de kerk gebleven, ik ben zelfs dominee geworden en preek met volle overtuiging de genade van God. Dat er met liefde naar je gekeken wordt. Dat je niet klein hoeft te blijven, maar uitgenodigd wordt om rechtop en fier door het leven te gaan, vertrouwend op je waarde voor God en voor een ander. Ik heb geleerd om van mezelf te houden, al is het laagje zelfvertrouwen soms nog dun.

Ik weet niet hoeveel Gereformeerde meisjes er nog zullen komen, hoeveel vrouwen en mannen, die zich steeds weer opnieuw hebben te verhouden tot een straffende, oordelende God. Het zullen er steeds minder zijn, of misschien ook wel niet: in strenge orthodoxe geloofsgemeenschappen zitten nog vele potentiële slachtoffers.

Na diepe verlorenheid is er de zekerheid dat de Heer mijn roep om erbarmen hoort, en mijn smeekbede aanneemt.

Tegelijk ben ik intens dankbaar voor wat ik in mijn Gereformeerde opvoeding ontving. Het Woord heeft mijn leven gevormd. De rijke taal, de verhalen. Ik heb intussen de ruimte om Bijbelteksten anders te lezen, op een nieuwe manier toe te laten. En daarmee keer ik terug naar Psalm 6.

Nogmaals Psalm 6

Wat een prachtige Psalm is het eigenlijk. Een boetepsalm, toegeschreven aan David, en je kunt er de pijn om zijn zonden in lezen. Waarschijnlijk is het ontstaan in de ballingschap, en je kunt er ook de spijt in terughoren om het afdwalen van de Eeuwige. Sprekend in elke tijd, dan lees je een Psalm die weet van ziekmakende spijt om verkeerde dingen die je in je leven kunt hebben gedaan en dat je in een biecht God als Ontschuldiger mag aanroepen.

Een Psalm die weet van tranen, tranen van spijt, tranen van verdriet, tranen van angst en benauwdheid. En een Psalm die weet van verhoring. Na diepe verlorenheid is er de zekerheid dat de Heer mijn roep om erbarmen hoort, en mijn smeekbede aanneemt.

Ik heb het een keer aangedurfd Psalm 6 te laten zingen, als openingslied op Goede Vrijdag. Op die dag past het immers. “Mijn volk, wat heb Ik u gedaan?” De Eeuwige wiens Zoon onschuldig door de hand van mensen stierf had alle reden om zijn mensen ter verantwoording te roepen. Daarbij was dit sterven ook genadig. Ik stond versteld toen ik die moderne gemeenteleden van mij gewoon deze Psalm zag zingen. Ze zongen het onwetend van de impact die het had op mijn kinderziel. En ik was weer even terug in de kerkbank van mijn jeugd, op een zondagmorgen, waar – Goddank – het   zonlicht als een Jakobsladder door de muurhoge zijramen binnenviel.

Laatst preekte ik bij een huwelijk over 1 Korintiërs 13. Ik wilde de overwegend ongelovige luisteraars graag verrassen met iets wat ze niet zo bij het christelijk geloof zouden zoeken. Die missionaire kans werd me in de schoot geworpen, aangezien de bruidegom dol was op zijn oldtimer trekker en de bruid wiskunde gaf. Voordat ik het wist werden het voetsporen naar God en ‘de liefde die blijft’. ‘Vergezocht,’ zei een eigentijds stemmetje in mij. ‘Toch maar doen,’ fluisterde Bonaventura. Ja, misschien wil Hij het gebruiken, tegen alle kansberekening in.

Nooit heb ik niets met U

In Nooit heb ik niets met U voert Henk Veltkamp persoonlijke gesprekken met 25 verschillende mensen over wie God voor hen is. Die vraag levert heel diverse antwoorden op. De een krijgt een warm gevoel en raakt niet meer uitgepraat. De ander haalt de schouders op. Gesprekken met Stevo Akkerman, Nora Asrami, Tamarah Benima, Stef Bos, Tijs van den Brink, Heino Falcke, Jacobine Geel, e.a.

nooit heb ik niets met u

< Terug