Menu

Basis

Boven alle machten ten oordeel gesteld

Hemelvaart (Daniël 7:9-10.13-14, Efeziërs 1:17-23 en Lucas 24:49-53)

Het laatste hoofdstuk van het Lucasevangelie heeft een wonderlijk tijdsverloop. Eerst wordt er verteld over de vrouwen die in alle vroegte naar het graf gaan, dat leeg bevinden en naar de andere leerlingen terugkeren. Dan volgt het verhaal over de Emmaüsgangers, dat met de tijdsbepaling ‘op diezelfde dag’ aan het verhaal over de vrouwen bij het lege graf wordt verbonden.

Hoewel Kleopas en zijn metgezel hun onbekende reisgenoot bij zich uitnodigen met het argument dat ‘de dag ten einde loopt’, lijkt de nacht toch niet echt te vallen, want aan het einde keren ze naar Jeruzalem terug. En ‘terwijl zij nog aan het vertellen waren’ staat Jezus in het midden van de leerlingen, spreekt hen toe en neemt uiteindelijk in de perikoop van vandaag zegenend afscheid van hen. De tijd wordt opgerekt in een nieuwe dag die geen einde lijkt te hebben.

Afscheid en hemelvaart: detail?

Hoe functioneert Jezus’ hemelvaart nu in dit geheel? Allereerst: vrijwel alle handschriften hebben wel de woorden die in vertaling luiden: ‘Hij nam afscheid van hen’ (of: ‘Hij scheidde van hen’), maar lang niet allemaal ook wat in de meeste vertalingen volgt: ‘en Hij werd opgenomen in de hemel’.[1] Je kunt je voorstellen dat een ijverige overschrijver deze woorden heeft toegevoegd naar analogie van Handelingen 1, waar de hemelvaart veel uitgebreider verteld wordt. Maar ook als een vertaling voor de uitgebreidere versie kiest, vertelt Lucas toch bijna en passant over Jezus’ hemelvaart. Ook de leerlingen lijken niet erg onder de indruk, want ze keren met grote blijdschap naar Jeruzalem terug en blijven voortdurend in de tempel God loven. Met de verhalen over het lege graf en de aanwezigheid van de verrezen Heer te midden van zijn leerlingen (eerst twee, daarna allen), die allemaal op één en dezelfde dag plaatsvinden, lijken afscheid en hemelvaart te functioneren als kleine details en bijna vanzelfsprekende onderdelen van de happy ending van het Evangelie, na het passieverhaal met het tragische lijden en sterven van Jezus.

Afscheid en hemelvaart: voorbode

De combinatie van deze perikoop uit het Lucasevangelie met de lezing uit Daniël werpt nog een ander licht op de zaak. In de eschatologische en apocalyptische bijbelboeken, waarvan Daniël een voorbeeld is, worden het onrecht en de vervolging waaronder een rechtvaardige of het volk Israël te lijden heeft, uitvergroot tot wereldwijde, zelfs universele of kosmische, tijd en ruimte omvattende dimensies. Perioden van vervolging en lijden in het verleden worden overtroffen door een lijden dat nog komen gaat. Maar toch zal, net zoals in het verleden, dat nog komende lijden niet de overhand krijgen of het laatste woord hebben. Het is slechts een tijdelijke beproeving van de heiligen of uitverkorenen, die daardoor gelouterd en gezuiverd worden om deel te krijgen aan een heerlijkheid die alle aardse tijd en ruimte overstijgt.

Met dit visioen van Daniël in het achterhoofd wordt ook de happy ending van het Lucasevangelie meer dan alleen de werkelijkheid van Jezus’ eerste leerlingen, die getuigen waren van de verrezen Heer die op een bepaald moment en een bepaalde plaats afscheid van hen nam. De tenhemelopneming van Jezus is de voorbode van wat al zijn volgelingen na het lijden aan deze tijd bij de voltooiing van Gods schepping in tijd en ruimte te wachten staat.

De kerk als lichaam van Christus het hoofd

Het eschatologische beeld van de gerechtigheid van de Heer God, die uiteindelijk de overwinning op alle kwaad zal behalen, bepaalt ook de visie van de apostel Paulus op de kerk. In Efeziërs 1:17-23 wordt Jezus’ hemelvaart niet genoemd, maar wel zijn opwekking uit de dood en zijn plaatsnemen aan Gods rechterhand. Dat is de positie van de meest vertrouwde raadsheer, degene die deelt in het vellen van het oordeel over vorsten en heersers, machten en krachten, en alles wat met welke naam dan ook genoemd wordt. Die machten worden Hem – met een citaat uit Psalmen 8:7 – als voetbank ónder zijn voeten gelegd, terwijl Hijzelf als hoofd bóven alles aan de kerk gegeven wordt. Om de grenzeloze reikwijdte van zijn verhevenheid aan te duiden, wordt in de drie verzen 21-23 tot zes keer toe het woord ‘alles’ gebruikt, en krijgt de tekst in de laatste zin een bijna extatische intensiteit: ‘de volheid van Hem die alles in allen vervult’. Als ‘Hem’ slaat op Christus die alles in allen vervult, dan heeft de bijstelling als geheel betrekking op de kerk, die daarmee geroepen is om de volheid van de vervulling in het hier en nu te representeren.

Welk beeld van de kerk houdt Paulus de christenen van Efeze via deze woorden nu voor? De kerk is niet het pragmatisch opererende en efficiënt ingerichte instituut dat aan zichzelf betekenis moet geven door gezien te worden of iets te presteren, en daarmee feitelijk blijk geeft van haar gebrek aan vertrouwen op de leiding door Gods werkzame macht in Christus. Ook is de kerk niet de groep van uitverkorenen die het allemaal (vooral voor zichzelf) goed voor elkaar heeft en zich terugtrekt in eigenliefde of een tijdloze liturgie, terwijl de wereld in brand staat. Voor Paulus is de kerk de gemeenschap die als lichaam van Christus voortdurend en in alles leeft naar en vanuit die Christus als haar hoofd. Daarmee is alles wat de kerk doet en laat doortrokken van de lofzang aan God, die Hem uit de dood heeft opgewekt en Hem geplaatst heeft aan zijn rechterhand: machten en krachten die deze wereld nog regeren zijn geoordeeld, en wij, wij zullen leven in eeuwigheid.

Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon.

Voetnoot

[1] De OKV 1953 kiest bijvoorbeeld voor de kortere tekstvariant en vertaalt: ‘En het geschiedde terwijl hij hen zegende, dat hij van hen scheidde.’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken