Christenen-uit-de-gojiem
Heidenen onopgeefbaar verbonden met Israël
Israëlzondag
Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God. (Efeziërs 2:19, HSV)
Schriftlezing: Efeziërs 2:11-22
Liturgisch kader
Discussies over het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn in Nederland vaak emotioneel en verhit, zowel in de kerken als in het publieke debat. Toch staat ook dit jaar de Israëlzondag weer op de kerkelijke kalender. En waar de aandacht daarvoor in de polarisatie over Joden en Palestijnen nog niet is verdampt, hoor ik dat de invulling varieert van: ‘wij hebben Israëlzondag vervangen door een Midden-Oosten-zondag’ tot ‘bij ons ligt de Israëlische vlag gedrapeerd over de avondmaalstafel’. In beide gevallen gaat men voorbij aan het feit dat deze eerste zondag in oktober nooit bedoeld is geweest als een ‘zondag van/voor de staat Israël’, maar als een zondag waarop de verhouding tussen de kerk en het Joodse volk centraal gesteld wordt. Israëlzondag roept het besef wakker, dat we niet slechts christenen zijn, maar christenen-uit-de-gojiem.
Uitleg
In Efeziërs 2 spreekt Paulus tot de gelovigen uit de volken. Het is opvallend dat hij de tweede persoon meervoud gebruikt als hij het over de heidenen heeft: ‘wij Joden’ en ‘jullie heidenen’.
De traditionele titel van deze brief is PROS EFESIOUS, ‘aan de Efeziërs’. Maar enkele oude handschriften laten het en Efesôi, ‘in Efeze’ in 1:1 weg. Dit heeft geleid tot de gedachte dat het om een rondzendbrief gaat, die aan verschillende gemeenten van Asia was gericht. Er wordt immers geen controverse in besproken en er worden geen speciale problemen van één gemeente in het bijzonder behandeld. De formele toon van de brief en de afstandelijke manier van uitdrukken lijken onverenigbaar met de relatie die Paulus met de Efeziërs moet hebben gehad, na zijn bediening van bijna drie jaar in die plaats. Vanwege de onpersoonlijke stijl en de verzameling van belangrijke paulinische thema’s hebben sommigen de brief beschouwd als een achteraf vervaardigde ‘inleiding’ op het corpus van paulinische brieven.
In Efeziërs 2:11-22 gaat het expliciet over de verbinding die Jezus tot stand heeft gebracht tussen gelovigen uit de gojiem en het Joodse volk. Beide hebben niet van huis uit dezelfde positie. Daarom roept de schrijver in 2:11 de gelovigen uit de heidenen op te bedenken dat zij vroeger heel veel misten wat Israël wel bezat. Toppunt van hun gemis was dat zij “zonder hoop en zonder God (atheoi) in de wereld” waren (vers 12). Hun leven was een gesloten kringloop van geboren worden en sterven, en daarom zinloos, uitzichtloos, hopeloos.
Onder Israël openbaarde zich het Koninkrijk van God. ‘Hij maakt Jakob zijn woorden bekend, Israël zijn verordeningen en bepalingen. Zo heeft Hij voor geen enkel ander volk gedaan; die kennen zijn bepalingen niet.’ (Psalm 147:19-20, HSV). Voor het Joodse volk functioneerde de tora als een ‘omheining’, een bescherming, waarbinnen zij de zegen van God konden ontvangen; tegelijkertijd was zij een afscherming ten opzichte van anderen. In de brief aan Aristeas (par. 139) lezen we over Mozes, de ‘wetgever’, dat hij de Israëlieten met een ondoordringbare omheining en met een ijzeren muur omgaf, opdat zij met geen van de andere volken gemeenschap zouden oefenen.
tò mesótoichon tou fragmou (de middenmuur van de afscheiding) is de scheiding brengende werking van de wet (vgl. vers 15) tussen de joden en de heidenen. Als illustratie daarvan stond op het tempelplein een muur, die de voorhof der heidenen afgrensde van het gedeelte waar alleen Joden mochten komen. Bij elke poort hing een bordje met als opschrift ‘Het is iedere vreemdeling op straffe des doods verboden hier binnen te treden.’ (Zie Flavius Josephus Ant.XV.11.5 en VIII.71; Bell.V.5.2; VI.2.4) Twee van deze plaquettes (4 cm hoog) zijn in 1871 en 1935 bij opgravingen op de Tempelberg gevonden. Mogelijk speelt de gedachte aan deze muur op de achtergrond mee, als Paulus deze woorden schrijft.

Dat dat nu dankzij Jezus Christus anders geworden is, is een groot wonder. Voor de volken is de weg geopend om erbij te komen, om ook met hoop en met God te leven. Vanaf vers 19 trekt Paulus een conclusie (Hára oun = derhalve, dus) en illustreert hij de eenheid van Joden en heidenen in Christus met drie beelden, namelijk: de inwoners van een stad, de leden van een huisgezin en een gebouw (tempel). Vroeger waren de heidenen xénoi (vreemdelingen), mensen zonder burgerrecht. Nu zijn ze in Christus ‘medeburgers’ met volle rechten geworden ‘van de heiligen’. Met die heiligen kunnen hier geen andere mensen bedoeld zijn dan de Joden. πάροικοι (bijwoners) zijn mensen die als vreemdeling zich blijvend in een ander land hebben gevestigd, zoals de Israëlieten in Egypte (Exodus 2:22; Handelingen 7:6).
Paulus gebruikt dit woord omdat het evenals oikeioi (huisgenoten) een samenstelling is van oikos (huis). ‘Huisgenoten van God’ zal hier betrekking hebben op het grote huisgezin waarvan God de Vader is en waarbinnen de gelovigen broeders en zusters van elkaar zijn (vgl. Efeziërs 1:5; zie ook Galaten 6:10 ‘huisgenoten van het geloof’). Vervolgens verschuift in vers 20 het beeld van een huisgezin (huisgenoten, vers 19), naar dat van een bouwwerk, waarin gelovigen uit de joden en uit de heidenen (vers 22) als bouwstenen worden ingevoegd (vgl. 1 Petrus 2:4,5)
Aanwijzingen voor de prediking
Als Israël door sommigen als een splijtzwam voor de kerk wordt gezien, vraagt dat in de verkondiging wijsheid en behoedzaamheid. Vermeden moet worden dat de verkondiging vooral een uiteenzetting wordt waarin de situatie in het Midden-Oosten van politiek commentaar wordt voorzien.
Vanuit de perikoop gaat het om het krijgen van een juist zicht op de kerk, waarbij de gemeente bewust gemaakt wordt van de bijzondere relatie die we als christenen uit de heidenen met het Joodse volk hebben.
In de preek zou de rijkdom en betekenis van de verschillende bijbelse beelden van kerk en gemeente in Efeziërs 2 en 3 verder kunnen worden uitgewerkt. Maar het is goed om juist op deze zondag in het bijzonder de vinger te leggen bij het voorrecht dat de apostel tot zesmaal toe onderstreept, dat de heidenen mee mogen delen in wat vroeger alleen aan Israël toebehoorde. Het voorvoegsel ‘mee’ (sum-) staat er immers steeds nadrukkelijk bij. Efeziërs 2:19 ‘medeburgers’ (sumpolitai); Efeziërs 2:21-22: mee deel uitmaken van het heiligdom dat groeit voor God, waarin zij mee gebouwd worden; en drie maal mee in Efeziërs 3:6 (sugklêronóma kai sússôma kai summétocha).
De grote nadruk op het voorvoegsel ‘mee’ zou niet nodig zijn geweest als Israël voortaan niet meer in eigenlijke zin ‘burger’, ‘deelgenoot’ en ‘erfgenaam’ was. De gelovigen uit de volken mogen er dankzij Jezus Christus in meedelen. De eerste zondag van oktober houdt het besef levend dat we délen in wat aan Israël geschonken is (Romeinen 15:27, vgl. ook artikel I-1 Kerkorde van de Protestantse Kerk: ‘…delend in de aan Israël geschonken verwachting…’).
Dat besef is essentieel om te begrijpen wie God is en hoe Hij is. Stel dat Gods beloften niet meer zouden gelden voor hen aan wie ze in de eerste plaats gegeven zijn, zou dat dan ook voor ons niet de basis van de hoop aan het wankelen brengen? Doen we het als christenen zoveel beter? Zou dat besef dan ook voor ons niet alles op losse schroeven zetten? Gelukkig mogen we weten dat God zijn woorden niet intrekt; dat is de garantie van de hoop voor ons, en dus ook nog steeds voor Israël.
Toch is vanaf het begin het gevaar er blijkbaar geweest dat de nieuwkomers zich verheffen boven de eerstgeborenen. Het is alsof Paulus de loop van de geschiedenis van kerk en christendom voorzien heeft, ten koste van het joodse deel van de gemeente én ten koste van het Joodse volk. Gaandeweg heeft de kerk zich van haar wortels losgezongen en soms zelfs alle banden verbroken of ontkend. Het ‘mee’ van Paulus werd al snel ‘in plaats van’. Maar de kerk is zonder Israël niet volgroeid (Henk Vreekamp).
Het is inderdaad zoals Barth het zegt: ‘Wer Jesus im Glauben hat, der kann die Juden nie nicht haben wollen, der muss sie als die Vorfahren und Verwandten Jesu mithaben. Sonst kann er auch den Juden Jeus nicht haben. Sonst verwirft er mit den Juden Jesus selber. Das und also wirklich der Grund der Kirche selber steht auf dem Spiel, wenn von den Heidenchristen zu verlangen ist, dass sie keinem Israëliten anders als mit der grössten Aufmersamkeit und Teilnahme entgegentreten sollen’ (KD, II/2, S. 318). Over een onopgeefbare verbondenheid gesproken!
Ideeën voor kinderen en jongeren
De verbondenheid van de kerk met het Joodse volk kan uitgelegd worden door te laten zien hoe Jezus zelf als Jood heeft geleefd. Hij is niet als Amerikaan of Nederlander geboren, maar als Jood. Dat was geen toeval. Dat wij door Jezus ook bij de God van Israël mogen horen, is iets om heel dankbaar voor te zijn.
Ds. Jacco Overeem is predikant en medewerker Kerk en Israël bij de Protestantse Kerk in Nederland
Geraadpleegd
Kinzer, M.S. (2020). Israel in het hart van de Kerk; Jezus in het hart van Israel. Scholten Uitgeverij.
Levine, A.J. en Brettler, M.Z. (red.) (2024). Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen. NBG.
Mulder, M.C. (2019). Israël, een mysterie… Joden en heidenen onlosmakelijk verbonden in Gods gemeente. In A. Baum en R. van Houwelingen (reds.), Theologie van het Nieuwe Testament in twintig thema’s. (p. 100) KokBoekencentrum.
Schoon, S. (2010). Botsende loyaliteiten?; Het Israëlisch-Palestijnse conflict en de joods-christelijke dialoog. In L. Mock, E. Ottenheijm en S. Schoon (reds.), Geloven in de dialoog (pp. 109-110). Amphora Books.