Menu

Basis

Dan zal ik leven

Bijbelwetenschappen

2e zondag van de zomer (Marcus 5:22-43)

‘Dan zal ik leven.’ Woorden ontleend aan het gelijknamige lied van Huub Oosterhuis, een lied van de opstanding. De tekst van Marcus lijkt wel een prelude op de opstanding. Klanken en melodielijnen worden al zichtbaar. Vertrouwen en redding klinken helder op, keren weer terug en bepalen samen de grondtoon: ‘Dan zal ik leven.’

Een kenmerk van de verhaaltechniek van Marcus is de sandwichconstructie, waarbij één verhaalepisode is ingebed in een gelijksoortige andere episode. Zo is het verhaal over de genezing van de vrouw die aan bloedingen leed, ingebed in het verhaal over de opwekking van de dochter van Jaïrus. Eerst gaat Jezus op weg naar het huis van Jaïrus (5:22-24). Onderweg volgt de episode met de vrouw (5:25-34). Als daarna blijkt dat de dochter van Jaïrus inmiddels is overleden, gaat Jezus naar binnen om haar weer te laten opstaan (5:35-41). Deze verhaaltechniek is gebruikelijk in de oudheid. De bedoeling is dat de lezer gaat zoeken naar overeenkomsten tussen beide verhalen en zo op het spoor van mogelijke betekenissen komt.

De uitgedokterde vrouw

Laten we beginnen met het ingebedde verhaal (5:25-34). Een vrouw lijdt al twaalf jaar aan bloedingen. Traditioneel geven we alle aandacht aan haar onreinheid, onder verwijzing naar de reinheidsvoorschriften van Leviticus 15:25-30. De vrouw zou door haar bloedingen maar liefst twaalf jaar lang onrein zijn en daardoor sociaal geïsoleerd. Het is goed mogelijk dat Marcus hiernaar verwijst, maar de tekst thematiseert de onreinheid niet. De tekst legt het accent op het medische aspect (er wordt een medische term gebruikt): de vrouw heeft tal van dokters geraadpleegd en is daaraan al haar geld kwijtgeraakt. We kunnen de ‘bloedvloeiende vrouw’ dan ook beter de ‘uitgedokterde vrouw’ noemen.

Bloed is de drager van levenskracht (Genesis 9:3-6; Deuteronomium 12:23-25). Na twaalf jaar zal ze niet alleen financieel, maar ook fysiek zijn uitgeput. Haar leven is op. Het aanraken van Jezus brengt precies dat wat ze nodig heeft: dunamis (5:30). Dat is lichamelijke kracht, het vermogen iets te doen, medicijn, maar ook goddelijke kracht. Het gaat met de snelheid die we van Marcus gewend zijn: ze geneest meteen, Jezus merkt het meteen (5:29.30). Juist dat herhaalde ‘meteen’ (Gr.: euthus) wijst erop dat hier, na de symbolische volheid van twaalf jaar, het Koninkrijk van God aan het werk is. Het levende woord van de Tora wordt hier zichtbaar. De vrouw leeft.

‘Jouw vertrouwen heeft je gered’ (5:34). Geloof of vertrouwen is hetzelfde woord (Gr.: pistis). Het is een wederzijds begrip, waarin zowel afhankelijkheid als verplichting meespelen (zie De Eerste Dag 44-1, 21 februari 2021, 54). ‘Redden’ (Gr.: sooizoo) betekent redden uit armoede, slavernij, fysieke kwalen en dood, maar ook redden met het oog op eeuwig leven (Marcus 8:35; 10:26; 13:13). Het gaat niet om haar gezondheid op zich, maar om herstel van leven in het hier en nu, in het perspectief van de nieuwe tijd van God die Marcus zo hartstochtelijk voor zich ziet.

Het stervende meisje

In het raamverhaal ligt de dochter van Jaïrus op sterven. Jaïrus smeekt Jezus haar te redden (Gr.: sooizoo) opdat ze leeft (5:23). Door het oponthoud met de uitgedokterde vrouw komen ze te laat: het stervende meisje is al dood. Als Jezus zegt dat het meisje niet dood is, maar slaapt, lachen de mensen Hem uit. Dat past bij Marcus, waar mensen steeds met verbazing en ongeloof reageren. Het punt is natuurlijk dat Jezus bij ‘dood’ aan een andere betekenis denkt, maar dat weten de mensen nog niet.

Vanaf dit punt wordt het behoorlijk dramatisch. Jezus neemt Petrus, Jakobus en Johannes mee, dezelfde drie die straks bij de verheerlijking op de berg getuigen zijn van Jezus’ heerlijkheid (9:2-13). Het werkwoord waarmee Hij ze meeneemt (Gr.: paralambanoo) is hetzelfde (5:40; 9:2). Krijgen we een staaltje van Jezus’ heerlijkheid te zien? Op de berg zal Jezus verschijnen in gezelschap van Mozes (Tora) en Elia (profetie) en daarna vertellen over de opstanding. Elia (1 Koningen 17:17-24) en ook Elisa (2 Koningen 4:18-37) wekten een dode tot leven. De spanning stijgt: plechtig houdt Jezus intocht (Gr.: eisporeuetai, ‘Hij trok binnen’ – 5:40). Net als bij de schoonmoeder van Petrus (1:31) neemt Hij haar bij de hand en doet haar opstaan. Het meisje leeft.

Gered door vertrouwen

In de sandwichconstructie verklaren de verhalen elkaar. De vrouw en het meisje zijn allebei ziek en hebben geen leven meer voor zich. Het meisje is twaalf jaar (5:42). Op die leeftijd moet de vrouw begonnen zijn met de bloedingen die twaalf jaar duurden (5:25). Het vertrouwen van de vader redt het meisje: hij werpt zich voor Jezus’ voeten en smeekt (5:22). Het vertrouwen heeft de vrouw gered, zij werpt zich voor Jezus’ voeten en vertelt de waarheid (5:33). Het meisje is dochter van de vader (5:23.35), de vrouw dochter van Jezus (5:34). Vertrouwen (relatie) en redding (redding van én redding tot) staan centraal.

Er zijn in de Bijbel twee soorten van leven: tot bloei komen en gerechtigheid doen. Parallel daaraan zijn er twee soorten dood: je doel missen en ongerechtigheid doen. De twee soorten leven staan niet los van elkaar: met het leven herwint de Tora zijn kracht, de Tora garandeert leven. Redding nu is zowel redding van doodskrachten als redding tot leven. In de Tora, die bij Marcus voortdurend op de achtergrond aanwezig is, betekent redding een nieuw leven. De kern, het wederzijdse vertrouwen, wordt goed zichtbaar als je beide verhaaldelen samenvoegt: de vrouw raakt Jezus aan, Jezus raakt het meisje aan. De vrouw en het meisje zijn samen het volk dat vertrouwt en redding vindt ten leven.

Deze exegese is opgesteld door Ari Troost.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken