De beloftes aan Hagar en Sara(h)
Bij Genesis 16,1-16
Terach verlaat met zijn zoon Abram en kleinzoon Lot en hun vrouwen hun geboorteland Ur op weg naar Kanaän. Ons wordt medegedeeld dat Sarai, de vrouw van Abram onvruchtbaar was: belangrijke informatie, verteld aan het begin van deze familiegeschiedenis. Terach trekt niet verder, hij zetelt en sterft in Charan (Gen. 11,30-32). Pas Abram, Sarai en Lot trekken verder.
God belooft Abram veel nakomelingen (12,2), maar hij is 75 en heeft nog geen kind. Abram en Sarai trekken Kanaän in, leven er tien jaar en nog steeds heeft God zijn belofte niet waargemaakt. Abram wanhoopt over zijn kinderloosheid (15,2-3). Sarai is er vermoedelijk dicht bij betrokken, want in en om tenten kan moeilijk iets worden verborgen. Zij hoort de stem Gods, ziet het vuur tussen de stukken (15,17), voelt de pijn van Abram en denkt bij zichzelf: ‘Ik moet iets doen.’ God zegt tegen Abram: ‘een kind dat je zelf zult verwekken’ (15,4), Hij zegt er niet bij wie (Sforno, Italiaans-joodse geleerde, 15e/16e eeuw).
Hagar: dochter van Farao?
In aansluiting aan de indrukwekkende belofte aan Abram (Gen. 15) onderneemt Sarai actie. Haar oplossing – dezelfde die na haar Lea en Rachel zoeken, die in de oude Oriënt gewoonte is: zij laat haar man bij een van haar slavinnen een kind verwekken en voedt het als haar eigen kind op, met het verschil dat Sarai haar aan Abram tot echtgenote geeft (16,3). Een grote vertrouwdheid moet Sarai met haar slavin hebben verbonden, anders zou ze het risico niet nemen een ‘concurrente’ naast zich te plaatsen. Hagar, bij name genoemd, is niet zomaar een slavin. Zij komt uit Egypte, waar Sarai in de harem van Farao terechtgekomen was. Volgens de midrasj en verschillende joodse commentatoren was Hagar een dochter van Farao. Hij zou zo onder de indruk van Sarais gedrag en schoonheid zijn geweest, dat hij het beter vond dat zijn dochter in haar huis slavin was dan in een ander huis meesteres (Midrasj HaGadol 45,1). Misschien wordt het gedrag van Hagar daardoor begrijpelijker. Zij ziet in haar zwangerschap een ontsnappingsmogelijkheid uit haar onwaardige situatie.
Slavin of echtgenote?
In het verhaal wordt met de woorden slavin/echtgenote gespeeld. Hagar wordt zes keer slavin genoemd, zelfs de engel doet het; en zijzelf blijft Sarai meesteres noemen, ook als zij zich ver van haar bevindt (16,8-9). Pas als zij de zoon gebaard heeft, staat er even niet ‘slavin’ (16,15.16). In het gesprek tussen Sarai en Abram blijft Hagar Sarais slavin, ondanks dat zij Abrams echtgenote is. Een conflictsituatie. Abravanel (Spaans-joodse geleerde, 15e eeuw) geeft dit dilemma als reden voor Sarais roep om Gods oordeel (16,5): ‘Ik kan niet tegenover haar optreden, omdat zij jouw echtgenote is net als ik. Sta in voor mij tegenover haar, als je dat niet wilt, laat God tussen jou en mij richten! Ik heb tegenover jou rechtvaardig gehandeld (nl. ik gaf haar jou als echtgenote), maar jij tegenover mij niet.’ Abram werpt tegen: ‘Ik ben haar echtgenoot en kan niets doen. Het is jouw slavin, jij kunt met haar doen zoals je goeddunkt’ (Radak, Frans-joodse geleerde 12e/13e eeuw; Ha’amek Davar, commentaar op de Tora, 19e eeuw).
Sarai: vorstin
Sarai, de meesteres, is ‘(mijn) vorstin’, zoals haar naam zegt. En als zodanig ‘antwoordt’ (Hebr.: ta‘annèha) zij Hagar (16,6). Meer staat er niet. Rashi (Frans-joodse geleerde, 11e eeuw) vertaalt: ‘Zij heerste over haar met strengheid.’ Hirsch (Duits-joodse geleerde, 19e eeuw) legt uit: het werkwoord ‘anah kan ook ‘afhankelijk maken’ betekenen. Over de manier waarop en mogelijke drama’s die zich afspelen staat in de bijbeltekst niets. Het klinkt lapidair: Sarai pakt haar hard aan en zij vlucht. Sarai is
de vorstin, zij kan de respectloosheid van een lid van haar huishouden niet over haar kant laten gaan. In onze ogen komt zij onsympathiek over. Maar God grijpt niet in. Haar gedrag hier heeft geen invloed op zijn relatie met Sarai. Hij verandert de naam Sarai, ‘mijn vorstin’, later in Sarah, ‘vorstin’, met de hé uit de Godsnaam, als het ware een verbondsteken voor haar (17,15). Zo lijkt het verbondsteken dat bij mannen in de besnijdenis zichtbaar wordt, bij Sarah in haar naam tevoorschijn te komen.
De belofte aan Hagar
God grijpt bij Sarai en Abram niet in, de twee moeten het zelf oplossen. Hij verschijnt daarentegen aan Hagar na haar vlucht. Toch noemt ook Hij Hagar via zijn bode ‘slavin’ (16,8). Hij vraagt of zij een plan heeft: ‘Waar ga je naartoe?’ Geen antwoord. Hier is van het beeld van een opstandige vrouw (16,4) niets over en wordt een vrouw geschilderd die ook van bínnen een slaaf is. Zij kan geen toekomstperspectief ontwikkelen. Daarom stuurt de engel haar terug ‘onder de handen’ van Sarai, onder haar ‘dominantie’ (16,9). Want Hagar zal een zoon baren en uit het kind zal een groot volk voortkomen. Zij ontvangt de belofte nog voordat Sarai de belofte toegesproken wordt (17,16; 18,10.14). Voor het toekomstperspectief lijkt het God beter dat zij teruggaat en het kind bij Sarai en Abram opgroeit, dan dat zij en het kind om haar besluiteloosheid in de woestijn ‘verloren’ gaan. Blijkbaar is haar geboorteland op dat moment geen optie.
Na de tweede en definitieve scheiding (Gen. 21,8-21) leert Hagar een toekomstperspectief op te bouwen en te overleven, en keert ze zich naar haar geboorteland toe om er een vrouw voor haar zoon te zoeken. De zoon die zij baart krijgt een bescherming mee: hij zal sterk zijn en zich tegen iedereen kunnen verdedigen (16,12). Zijn wezen, de drang naar vrijheid en onafhankelijkheid ten koste van alles en iedereen weerspiegelt Hagars behoefte om uit haar slavenbestaan uit te breken. Tegelijk blijft God haar in zijn naam Jisjma‘’el (= ‘God hoort’) verzekeren dat Hij naar haar (en hem?) luistert.