De engel, de gekooide vogel en Sanherib
Engelen zijn in het psalter opvallend schaars aanwezig. In twee psalmen is er sprake van ‘De engel des Heren’: Psalm 34:8 en 35:5 en 6. Daarnaast worden er nog op één plaats in het psalter (wel op een heel belangrijke plaats) beschermengelen vermeld. ‘Zij zullen jou op handen dragen, zodat je je voet niet aan een steen zult stoten’, Psalm 91:11v. In twee andere psalmen moeten engelen als ‘sterke strijders, volvoe rend zijn woord’, de Eeuwige uit alle macht loven: 103:2 0v. en 148:2. Dat zal zogezegd een soort repetitie voor Kerst zijn.
Dit is geen grote oogst. Je zou denken: hier in deze ‘theo-poëzie’, in deze bundel met geloofsgedichten vol verbeelding, vervoering en gevleugelde woorden, krijgen engelen als hemelse boden volop de ruimte. Maar nee, het psalter is er zuinig mee. Toch, wát er gezegd wordt is wel ‘veelzeggend’. Om dat toe te lichten, maak ik een omweggetje langs twee relevante gegevens over het psalter als zodanig.