De hoorder in de homiletiek van E. Thurneysen
Inleiding
De titel van dit artikel kan om twee redenen verbazing oproepen. In de eerste plaats vanwege de combinatie ‘hoorder’ en ‘Thurneysen’. Het gangbare beeld van Thurneysens homiletiek is immers dat de hoorder daarin geen rol van betekenis speelt. Berucht is de tweede preekregel uit zijn artikel van 1921: niet ingaan op de zogenaamde behoefte van de hoorders.[1] Vanwege dit beeld kan de lezer zich er in de tweede plaats over verbazen dat er in deze tijd nog aandacht wordt gevraagd voor de homiletiek van Thurneysen. Als we letten op de thema’s die in de huidige homiletische discussie een rol spelen, zoals het belang van de retorica en van de esthetiek, of het onderzoek naar de hoorders en hun pluriformiteit,[2][3] dan zijn dat geen onderwerpen waarover men bij Thurneysen nieuwe inzichten verwacht.
De verbazing illustreert een drievoudige eenzijdigheid in de gangbare weergave van de homiletiek van Thurneysen. die weergave wordt sinds de jaren zeventig de focus vrijwel uitsluitend gericht op zijn artikel ‘Die Aufgabe der Predigt’ uit 1921.[4] Daardoor is er onvoldoende aandacht voor zijn andere publicaties over de prediking en blijft de ontwikkeling van zijn homiletiek buiten beschouwing. 2. Als gevolg van deze beperkte focus wordt ook het theologische profiel eenzijdig weergegeven vanuit een dialectisch of eschatologisch perspectief, dat in de jaren twintig van de vorige eeuw dominant was. Zodoende komt bijvoorbeeld het christologische perspectief van zijn homiletiek in de jaren dertig niet ter sprake.[5] 3. Beide beperkingen hangen samen met de eenzijdig systematische benadering van Thurneysens homiletiek als gevolg van de verbinding met Karl Barth. De homiletische visies van Barth en Thurneysen worden dan besproken als twee varianten van de openbaringstheologie.[6] Thurneysen staat daarbij in de schaduw van Barth.[7]Op die manier komt de praktisch-theologische benadering van Thurneysen niet uit de verf.[8] Daarin verschilt hij van de systematisch-theologische benadering van Barth. Door de verschillende focus zetten Barth en Thurneysen verschillende accenten in hun homiletiek. Omdat Thurneysens praktisch-theologische interesse in de gangbare weergave buiten beschouwing blijft, is er onvoldoende aandacht voor deze accentverschillen.
In deze bijdrage wil ik daarom de aandacht vestigen op het eigene van Thurneysens homiletiek en daarin voornamelijk zijn visie op de rol van de hoorder in het preekgebeuren.[9] Zijn opvatting komt samengevat hierop neer dat de hoorder medeverantwoordelijk is voor de ‘rechte prediking’.[10] De vraagstelling in deze bijdrage is wat Thurneysen verstaat onder deze medeverantwoordelijkheid van de hoorder. Daarbij richt ik mijn focus op het verslag van het preekseminarie, dat Thurneysen in het wintersemester van 1932/33 in Bazel heeft gehouden, gepubliceerd onder de titel ‘Die drei homiletische Grundregeln’. Voor zover mij bekend wordt dit artikel in de homiletische literatuur over Thurneysen nooit genoemd. Het gaat mij hier in het bijzonder om het derde deel van dit artikel over ‘het woordkarakter van het preekwoord’, dus de preek als toespraak.[11]
Om het eigene van zijn visie beter te laten uitkomen, begin ik met een schets van Barths homiletiekcolleges uit hetzelfde semester.[12] De ontwikkeling in Thurneysens homiletiek laat ik zien door zijn ‘homiletische grondregels’ uit 1932/33 te plaatsen tegen de achtergrond van zijn artikel uit 1921. Vervolgens beschrijf ik zijn visie op de hoorder in ‘de drie homiletische grondregels’. Voor de uitwerking van deze visie maak ik gebruik van enkele andere artikelen uit de jaren dertig. Tot slot ga ik aan de hand van een preek na hoe Thurneysens visie op de hoorder vorm krijgt in zijn preekpraktijk. Het onderzoek leidt tot de conclusie dat Barth en Thurneysen in 1932/33 blijk geven van een verschillende visie op de rol van de hoorder in het preekgebeuren.
De hoorder in Barths homiletiekcollege
Om het profiel van Thurneysens visie op de hoorder scherper in beeld te krijgen, leg ik het verslag van zijn preekseminar naast het collegedictaat van Barth uit dezelfde tijd. Terzijde merk ik op dat de beperking tot Barths homiletiekcollege uit 1932/33 als nadeel heeft dat zijn visie op de hoorder hier eenzijdig in beeld komt. Over zijn homiletiek is vanuit zijn dogmatisch werk meer te zeggen, maar dat is voor het doel van mijn betoog hier niet nodig.[13] De schets van zijn homiletiekcollege dient enkel als vergelijkingsmateriaal om de blik op Thurneysens visie te scherpen.
In het wintersemester van 1932/33 zijn Barth en Thurneysen beiden bezig met een preekseminar, maar in een verschillende context. Barth geeft zijn colleges als hoogleraar systematische theologie in Bonn.[14] In het preekseminar verwerkt hij zijn systematisch-theologische visie op de kerkelijke verkondiging uit het eerste deel van zijn Kirchliche Dogmatik, dat kort daarvoor is gepubliceerd in augustus 1932.[15] Thurneysen is als predikant van de Münsterkerk in Bazel in 1929 aangesteld als deeltijd docent voor praktische theologie en zet in dat kader een homiletisch seminar op.[16] Ze zijn van elkaars colleges inhoudelijk op de hoogte doordat ze elkaar hun manuscripten laten lezen.[17]
In hun colleges stemmen beiden overeen in de kerugmatische (verkondigende) visie op de prediking. Het uitgangspunt van de verkondiging is dat God heeft gesproken. De preek wordt primair gezien als een menselijk getuigenis van dit goddelijke gebeuren. De zin van het preekgebeuren is dat God zelf zich openbaart en de mensen aanspreekt. De preek als mensenwoord is daaraan dienstbaar. Barth duidt dit uitgangspunt aan als de ‘Offenbarungsmäßigkeit’ van de prediking.[18] Thurneysen bedoelt hetzelfde als hij spreekt over het ‘geheimenis’: ‘Es wird klar bleiben müssen, daß in der Mitte alles Predigens der Kirche schlechthin ungreifbar das Geheimnis des Hervortretens Gottes selbst steht, der das schwache Werkzeug des Menschenwortes benützen will, um sein Wort hinein zu legen’.[19] Dit uitgangspunt in de preekvisie bedoelt het primaat van Gods werkelijkheid en de vrijheid van Gods Woord te erkennen.
In het verlengde van het criterium van de ‘Offenbarungsmäßigkeit’ stemmen Thurneysen en Barth in hun preekcolleges ook overeen ten aanzien van het karakter van de preek als schriftuitleg, het criterium van de ‘bibliciteit’. Preken is ‘nazeggen’ wat de Schrift voorzegt.[20] Thurneysen benadrukt dat het mensenwoord in de preek geen ‘Selbstwort’ is, waarbij de mens uit eigen ideeënrijkdom of geestelijke ervaring put, maar genadewoord dat van elders komt, van Godswege. Ook Barths criteria van kerkelijkheid, confessionaliteit en ambtelijkheid vinden we bij Thurneysen terug op de noemer van de tweede grondregel van de gelijktijdigheid.[21] Vanwege de vraag naar de rol van de hoorder laat ik deze aspecten hier rusten.
Met erkenning van de overeenkomsten vraag ik nu aandacht voor het verschil tussen Barth en Thurneysen in de benadering van de hoorder in 1932. Dat blijkt vooral bij een vergelijking van Barths criterium van de ‘Gemeindemäßigkeit’ met de derde grondregel van Thurneysen over het ‘woordkarakter van het preekwoord’. Het verschil in benadering van de hoorder hangt samen met verschillen in context en focus van de preekcolleges. Bij Barth gaat het om ‘wezen en voorbereiding van de preek’ in het kader van het onderwijs in de systematische theologie. De colleges sluiten aan bij zijn dogmatische onderzoek betreffende de ‘leer van Gods Woord’ in KD I/1. Uit de indeling van zijn betoog blijkt dat zijn focus gericht is op de theologische criteria (deel B) met het oog op preekvoorbereiding door de predikant (deel C). Thurneysen geeft ‘ho
Vanuit Barths theologische perspectief en zijn gerichtheid op de preekvoorbereiding komt de hoorder als hoorder slechts terloops ter sprake. ‘Ein Mensch wird Hörer des Wortes Gottes! Das ist unsere Heiligung. Der Mensch, Prediger und Predigthörer sind nicht sich selber überlassen…’ (curs. RJdV).[23] Hier komt de hoorder even in beeld binnen de lichtkring van de openbaring. Het horen van de mens wordt theologisch ingebed in het aangesproken zijn door God. De hoorder wordt daarbij in een compleet nieuwe situatie verplaatst. De rol die de hoorder theologisch gezien vervult, wordt gekenmerkt door gehoorzaamheid. Het is menselijk werk, gedaan in alle voorlopigheid, net als het werk van de predikant. In de uitwerking spreekt Barth echter alleen over de predikant. Zijn visie op het horen is vergelijkbaar met wat hij in de dogmatiek schrijft over de menselijke kennis van Gods Woord.[24] Net als de kennis van God wordt het horen van de verkondiging alleen door God mogelijk gemaakt. Maar door God gebeurt het dan ook werkelijk, dat mensen de verkondiging horen.
Verder komt de hoorder indirect ter sprake in verband met de ‘Gemeindemäßigkeit’ van de prediking.[25] Barth bedoelt daarmee dat in de preek de hoorders worden benaderd als lid van de gemeente. Dit criterium houdt in dat de predikant zich open moet stellen voor de ‘werkelijke situatie van de gemeente’. Daarbij gaat het overigens niet om de laatste nieuwtjes uit het dorp, maar om het leven van de gemeente in het licht van Gods Woord. ‘Was erfordert die Situation, in der wir jetzt miteinander sind? Ich erlebe mit der Gemeinde eine Geschichte. Die Gemeinde sagt mir, was sie auf dem Herzen hat. Darauf soll meine Predigt die Antwort finden’.[26] Met dit criterium wil Barth de taak van de predikant scherper afgrenzen. Hij/zij moet zich rekenschap geven van de situatie waarin de preek klinkt, maar zich niet aanpassen aan de smaak of de wensen van de hoorders. De kerk is geen serviceinstituut (‘Dienst am Kunden’). De prediking is echter wel gericht tot mensen van nu en moet aan hen de belofte van de hier en nu te verwachten openbaring van God verstaanbaar maken als een gebeuren dat juist hen aangaat. Daarom moet in de prediking de situatie van de hoorders aan de orde worden gesteld.[27] Daarvoor is het kennen van de hoorders een voorwaarde. ‘Wenn ich diesen Menschen das Wort Gottes sagen will, so muß ich diese Menschen lieb haben, mit ihnen sein wollen, wie sie sind.’[28] Met deze bepaling wordt opnieuw duidelijk dat Barth niet zozeer de rol van de hoorder, als wel de opgave van de predikant op het oog heeft.[29]
Terzijde merk ik op dat Barth in zijn ‘homiletische oefeningen’ van de jaren dertig terloops, maar nadrukkelijk aandacht besteedt aan de situatie en tegenwoordige tijd van de gemeente, c.q. de hoorders. De beeldvorming van de barthiaanse homiletische traditie als zou de predikant zich niet ‘al te zeer hoeven te bekommeren om de situatie van de hoorders’ doet dus geen recht aan Barths eigen visie op dit punt.[30]
Thurneysens visie in 1921
Volgens R. Bohren is Thurneysens artikel over ‘Die Aufgabe der Predigt’ uit 1921 het ‘aufregendste homiletische Traktat, den unser Jahrhundert geschrieben hat’.[31]Opwinding heeft zijn artikel zeker opgeroepen, maar dan pas vijftig jaar later, vanaf de heruitgave ervan in 1971.[32] Tot die tijd lijdt de publicatie een ‘schaduwbestaan’ en krijgt nauwelijks aandacht. Vanaf de jaren zeventig bestaat de opwinding veelal in afgrijzen over het feit dat Thurneysen blijk geeft van een ‘fundamentele verachting van de concrete werkelijkheid’.[33][34] We moeten de radicaliteit ervan verstaan in de toenmalige context. Thurneysen richt zijn focus op de predikant. De aanleiding daartoe is de onvrede over de prediking, die hij met Barth tijdens de Eerste wereldoorlog ervaart. Na de oorlog menen zij dat de crisis in kerk, theologie en samenleving een radicale verandering vereist in de beoefening van de theologie en in de kerkelijke praktijk, te beginnen bij de prediking. Thurneysen neemt de preekpraktijk waar en constateert: ‘Er is een diepe kloof … tussen het woord van de predikant en het Woord van God, dat in zijn woord aan het woord zou moeten komen’.[35] In de gangbare prediking worden ware en mooie gedachten uitgesproken; diepe en edele gevoelens worden opgeroepen. Het is voor de mensen een belevenis om naar de kerk te gaan. Maar het doel van de prediking is de mens, alles draait erom dat de mens wordt ‘opgericht’, versterkt en bevestigd, de religieuze mens, de serieuze mens, de deugdzame en de vrome mens.[36] Dat is volgens hem de wereld op z’n kop. Waar het om zou moeten gaan, is het worstelen om een nieuw respect voor God. Dat is de enige, centrale opgave voor kerk en prediking.
Vanwege deze evaluatie van de bestaande praktijk geeft Thurneysen zijn betoog de vorm van ontkenningen van de vigerende preekregels. Geen retorica, geen rekening houden met de behoeften van de hoorders, geen opbouw of stichting en geen afwisseling. Slechts door de negatie van al het menselijke kan de goddelijke positie weer in beeld komen. De afbraak is nodig om ruimte te maken voor nieuwbouw. ‘Thurneysen erhebt rechabitischen Protest, Einspruch gegen eine Predigtweise, die die Gottesfurcht vergaß und dem Hörer hörig wurde’.[37]
In verband met Thurneysens visie op de rol van de hoorder is vooral de tweede preekregel van belang: geen ‘Eingehen auf das sogenannte Bedürfnis des Hörers’. Hier wekt Thurneysen de indruk dat hij de hoorder niet serieus neemt. ‘Also keine Bemühungen um die Psychologie des Predigthörers und um sogenannte Menschenkenntnis mehr!’ In de prediking gaat het niet om mensenkennis, maar om Godskennis. Toch is deze indruk voorbarig. Even later merkt hij namelijk op dat waar God gediend wordt ook de mens niet tekort komt. ‘Der Mensch wartet ja im tiefsten auf nichts anderes als darauf, daß ihm Gott wieder als Gott verkündigt werde. Denn er wartet auf seine Erlösung von sich selber’.[38] Mensen zitten niet te wachten op bevestiging van hun vrome ervaringen, maar op werkelijke hulp. Hij heeft behoefte aan grond onder de voeten van zijn kwetsbare en onzekere bestaan. Hij wil God ontmoeten.
Volgens R. Bohren staat de tweede preekregel (niet ingaan op behoeften) in dienst van een vernieuwing van de prediking. ‘Die Freiheit vom Hörer erweist sich als Freiheit für den Hörer… Die Rücklosigkeit nimmt Rücksicht auf den Hörer’.[39] Thurneysen heeft in 1921 niet uitgewerkt hoe deze ‘vrijheid voor de hoorder’ in de prediking gepraktiseerd kan worden. Vrijheid is immers geen product van mensenhanden, maar een daad Gods.
Thurneysens visie in 1932/33
In de ‘homiletische grondregels’ van 1932/33 is de benadering van de hoorder anders. Alleen al om die reden is het te betreuren dat deze preekregels in de homiletische overzichten geen aandacht krijgen. Daardoor is het beeld van Thurneysens homiletiek eenzijdig. Zijn andere benadering van de hoorder hangt samen met zijn veranderde opvatting over het belang van preekregels in vergelijking met 1921. De grondregel blijft weliswaar dezelfde: de erkenning van het geheim dat Gods Woord geschiedt ‘in, met en onder ons menselijke woord’ waar en wanneer het God behaagt (‘ubi et quando visum est Deo’).[40] Dit geschieden van Gods Woord is aan menselijke regels onttrokken.
Het verschil met 1921 is dat Thurneysen het nu wel nodig acht om naast de grondregel te spreken ‘von Regeln menschlicher Art, nach denen die Predigt der Kirche ausgerichtet sein muß’. Zulke regels hebben de functie van een omheining en dienen een dubbel doel: enerzijds de afweer van wie al te opdringerig het geheime midden van de prediking willen betreden, anderzijds het vrij houden van dit midden, zodat het geheimenis van Gods Woord alle ruimte krijgt om te geschieden. De preekregels beschrijven geen methode om het preken in de vingers te krijgen, maar zijn regulatief bedoeld om de handen vrij te houden. Nog anders gezegd: de regels beschrijven niet een weg om het geheim van Gods Woord te ‘be-treden’, maar om het te ‘om-treden’ en zo zijn wezen als geheim te eerbiedigen.
Zoals gezegd schrijft Thurneysen zijn ‘homiletische grondregels’ met het oog op de preek als menselijke toespraak (‘das menschliche Wort des Predigers’). Daarbij wijst hij op meerdere manieren op de hoorder. Allereerst door predikant en hoorders voorturend samen te nemen. Ik geef twee voorbeelden. Direct bij de eerste grondregel horen we: ‘Die Bibel ist der Ort, an den man sich hinbegeben muß sowohl als Prediger wie als Hörer der Predigt, wenn es zum Reden des göttlichen Wortes ko
Thurneysen wijst nog op een tweede manier op de hoorder door op meerdere plaatsen zijn richtlijnen te schrijven vanuit het hoorderperspectief. Zo merkt hij op dat de preek getuigenis is aangaande Jezus Christus, in de derde persoon, ‘aber ich höre dieses Wort von und über Jezus Christus so, als ob es in der ersten Person zu mir geredet an mich käme. Das heißt, ich höre es so, als ob Jesus Christus selbst zu mir geredet hätte’.[43] Thurneysen ziet hier zichzelf als hoorder onder de hoorders. Het is alsof Jezus Christus zelf via de man op de kansel het woord neemt en zelf tot mij spreekt.
Een derde verwijzing naar de hoorder hangt samen met het ‘woordkarakter’ van de preek. Het gesproken woord betekent een dubbele indirectheid.[44] Het gaat bij het preken niet alleen om de bemiddeling van Gods spreken door de predikant, maar ook om de bemiddeling door de gemeente. De predikant komt immers zelf op uit de gemeente en was als gemeentelid eerst zelf hoorder. ‘Predigt ist also wirklich nie und nimmer das vereinzelte Tun eines Einzelnen, sondern durch und durch das Werk der Gemeinde. Es ist immer schon Predigt vorausgesetzt, aus der heraus Glaube kommt, und dieser Glaube erzeugt dann seinerseits wieder Predigt’. Als teken daarvan ga ik naar de kerk, waar ik met anderen Gods Woord hoor in de vermomming van het mensenwoord.
De preek als toespraak
Wat betekent nu de derde grondregel, namelijk het ‘werkelijke woordkarakter van het preekwoord’, voor de rol van de hoorder in het preekgebeuren? Deze derde preekregel moet begrepen worden tegen de achtergrond van de eerste twee. Daarin verwoordt Thurneysen een visie op preken als getuigen.[45] De eerste regel bindt de prediking aan de Bijbel, de tweede regel plaatst de prediking in de ruimte van de kerk. In de eerste plaats is prediking getuigen: getuige worden van het getuigenis van profeten en apostelen, dus de herinnering dat God toen heeft gesproken in de verwachting dat dit getuigenis ook nu in de prediking levend zal klinken. Het getuigenis van de prediking wil de hoorders deelgenoot maken van ‘de ontmoeting van God met de mensen’. Thurneysen noemt dit het ‘mededelingskarakter’ van de preek. In de tweede plaats is de prediking betuigen: een getuigenis afleggen dat hoorders hier en nu aanspreekt en aangaat. Hij noemt dat het kenmerk van de ‘gelijktijdigheid’. Dat wil zeggen: het gebeuren van Jezus Christus komt niet uit de hoorders zelf op, het betreft een vreemd gebeuren van buitenaf, maar het komt wel op hen toe: ‘es kommt als das Ferne aus seiner Ferne her auf mich zu, wird mir nahe, begegnet mir, so daß ich merke: ich bin da mit dabei, bin mit meinem eigenen Selbst getroffen und gemeint durch dieses andere, fremde Geschehen, das mir da bezeugt wird’.[46]Daarom vindt de prediking plaats in de kerk, een ruimte buiten mijzelf, waar ik anderen ontmoet.
Tegen deze achtergrond van preken als getuigen (van het gebeuren toen en daar) en betuigen (aan de hoorders hier en nu) benadert Thurneysen in zijn derde grondregel de prediking als spreekact. Dit gezichtspunt kenmerkt het eigene van Thurneysens homiletiek in 1932; het ontbreekt in de preekcolleges van Barth. Dat de preek werkelijk gesproken moet worden (het ‘woordkarakter’) ligt besloten in de bepaling dat het preekwoord van elders komt (regel 1) èn dat het nu mensen aanspreekt (regel 2). ‘Das heißt sie (nl. de woorden van de Schrift als ‘levende woorden van God zelf’) dürfen nun eben nicht nur in der Form von aus uns selber aufsteigenden Gedanken zu uns kommen, sondern sie müssen zu uns kommen als wirkliche Worte, und das heißt dann immer, sie müssen gesagt werden in menschlicher Sprache und in expliciter Rede’.[47]Dat betekent niet dat met het uitspreken van de prediking ook Gods Woord geschiedt. Het houdt wel in dat het uitspreken een teken is dat verwijst naar het tot ons komen van Gods Woord.
Om die reden begint Thurneysen zijn bespreking van het woordkarakter met een kleine communicatietheorie avant la lettre,waarbij hij het spreken opvat als tekenhandeling.[48][49] Anders dan het lineaire communicatiemodel van de kerugmatische homiletiek bij Barth gaat Thurneysen uit van een elementair model van symboolcommunicatie.[50] Binnen de kerugmatische traditie is dit op zich al opvallend, zeker in 1933, minstens zo verrassend is dat hij daarbij redeneert van het algemene (‘das profane Wort’) naar het bijzondere (‘das Wort der christlichen Verkündigung’), ook al leest hij het algemene wel met een theologische bril. Hij zet eerst uiteen dat profane taal gebruik maakt van woorden als tekens, die verwijzen naar een bepaalde zaak; het woord be-tekent deze zaak. De betekenis van het woord wordt hier door drie factoren bepaald: niet alleen de spreker, maar ook de tussenmenselijke communicatie en de situatie waarin de ander zich bevindt.
In de eerste plaats geeft de spreker aan ‘de paar consonanten en vocalen die het woord vormen’ een bepaalde betekenis. Vanwege het intentionele karakter van de taal als aanspraak is een woord pas een ‘volwaardig teken’ als het tot een ander wordt gesproken. ‘Nur als Zeichen zwischen Menschen hat es seine Bedeutung. Erst dann, wenn der Andere, zu dem hin ich rede, mein Zeichen sieht und aufnimmt, ist mein Wort zum wirklich zeigenden Zeichen geworden’.[51] Tot zover wijkt Thurneysens uiteenzetting niet af van het model van de lineaire communicatie. De zender codeert de boodschap en verzendt die naar een ontvanger/hoorder, die de boodschap decodeert.
Vervolgens gaat Thurneysen een stap verder. De boodschap van de spreker is namelijk een woord dat in verantwoording wordt gesproken, dat dus een ‘tegenover’ op het oog heeft, die mij kan antwoorden. Dat betekent dat menselijke woorden pas hun volwaardige betekenis krijgen in de tussenmenselijke communicatie van ver-antwoordelijk spreken en antwoordend horen. Om die reden worden woorden ook hardop uitgesproken.
Het derde kenmerk van het gesproken woord is dat het als ‘Anredewort’ altijd een bepaalde situatie veronderstelt, een bepaalde plaats waar de ander staat. ‘Oder vielmehr, es schließt diese Lage, diesen Ort in seine Anrede ein. Es könnte gar nicht an diesen Anderen ergehen, wenn es ihn nicht dort aufsuchen würde, wo er in seinem Anderssein steht, es muß ihn also in seiner je und je verschiedenen Lebenswirklichkeit wirklich treffen’.[52]
Deze algemene taal- en communicatietheorie acht Thurneysen nu van toepassing op de preek als toespraak. Ook in de prediking krijgen woorden pas hun volwaardige betekenis in de tussenmenselijke communicatie. Niet alleen de predikant, ook de hoorder bepaalt de betekenis. ‘Es muß ein Wort sein, das nicht ins Leere hinaus gesetztes Zeichen ist, sondern das zwischen zwei Menschen sich ereignet. Es gehört zum wirklichen Wortcharakter des Predigtwortes, daß es mindestens Zwei dazu braucht, einen Redenden und einen Hörenden, damit es zur Predigt komme’.[53]Bovendien moet daarbij de context van de ‘telkens verschillende levenswerkelijkheid’ bedacht worden. ‘Das ist für die konkrete Darbietung und Ausrichtung des Predigtwortes von weittragender Bedeutung’.
Nu onderscheidt het ‘woord van de christelijke verkondiging’ zich echter op twee punten van de ‘profane taal’, zowel wat betreft de betekenisverlening door de spreker als wat betreft het verstaan in de communicatie. Het woord van de predikant is dienstbaar aan het woord van God en ontleent daaraan zijn eigenlijke betekenis. Met andere woorden: in de prediking krijgt de taal betekenis als geloofstaal. De zaak waarnaar de menselijke woorden verwijzen kan alleen door God geschonken worden en zo betekenis krijgen.
Het tweede punt betreft het verstaan. In de profane communicatie geschiedt het elkaar verstaan in de ‘gemeenschappelijke ruimte van het redelijke denken’. Dat veronderstelt dus het continuüm van ‘het gemeenschappelijke van de menselijke geest’. Volgens Thurneysen betekent dat in feite dat ik in de ander mezelf versta, wat in het Duits tot uitdrukking komt in het wederkerige werkwoord ‘Sich-verstehen’.[54][55] Dat verklaart waarom mensen ondanks hun vele gesprekken niet uitkomen boven de eenzaamheid van hun zelf. De verkondiging veronderstelt weliswaar ook de gemeenschappelijkheid van de menselijke geest in de breedste zin van het woord (daarom is de taal- en communicatietheorie hier ook van toepassing), maar tegelijk is er een andere veronderstelling van kracht, namelijk dat de tussenmenselijke communicatie wordt omsloten door de werking van de heilige Geest. Anders gezegd: de tussenmenselijke gemeenschap is opgenomen in de gemeenschap die God sticht.
Thurneysen onderstreept dat daardoor de profane veronderstelling van de menselijke redelijkheid niet wordt opgeheven. ‘Es wird weiterhin “vernünftig” geredet, d.h. logisch und grammatisch richtig, sinnvoll und verständlich’. De nieuwe veronderstelling betekent echter dat het mensenwoord dat wordt gesproken en gehoord, wordt verstaan als een in de heilige Geest gesproken en gehoord woord, als woord van God zelf. In een ander artikel vergelijkt Thurneysen dit gebeuren met de avondmaalsleer: God bedient zich van het mensenwoord als teken waarin, waaronder en waardoor Hij zijn Woord laat gebeuren.[56] Profaan gezien is hier geen continuïteit meer aan de orde, de menselijke verstaansvoorwaarden voldoen niet meer. Het ‘continuüm’ dat hier geldt, wordt in de acte van Gods spreken zelf geschapen.[57] Omdat dit woord niet opkomt uit de menselijke geest, verlost het mij uit mijn ‘ik-eenzaamheid’.
Deze benadering van het woordkarakter van de preek onderbouwt Thurneysen theologisch met behulp van de incarnatie.[58] Om dit woord tot mij te spreken is God mens geworden en bedient hij zich van de andere mens. Dat betekent ook dat ik in deze andere mens, die ik tegenover mij vind in de ruimte van de kerk, ook werkelijk de andere mens vind, en niet slechts mijzelf in de ander. In die zin is de context waarin de tussenmenselijke communicatie plaats vindt, bepalend voor de betekenis van de woorden. ‘Hier im Raume der christlichen Kirche kann ich mit diesem Andern sprechen, kann ich diesen Anderen verstehen, ohne daß dies Verstehen des Andern dann doch wieder nur ein im Andern mich selber Verstehen wäre’.[59]
Kortom: met het ‘woordkarakter’ van de preek doelt Thurneysen op het talige en communicatieve aspect van de preek. Hij onderscheidt daarbij twee niveaus. Het is kenmerkend voor zijn praktisch-theologische benadering dat hij uitgaat van de tussenmenselijke communicatie en zijn artikel voor een groot deel schrijft vanuit het perspectief van de hoorder. ‘Er zijn er minstens twee nodig, een spreker en een hoorder, om tot een preek te komen’. Bovendien wijst hij er met nadruk op dat de betekenis die de hoorder aan de woorden van de preek geeft, bepaald wordt door diens concrete levenswerkelijkheid. Tegelijk wordt in de prediking de taal gesproken en gehoord in het geloof dat Gods Woord daarin tot ons spreekt. Door de gemeenschap die God zo met ons sticht, vormen mensen ook een gemeenschap onder elkaar, waardoor ze elkaar werkelijk als de ander kunnen verstaan.
Met deze twee niveaus verbindt Thurneysen een algemene communicatietheorie met een theologische theorie en hij onderbouwt deze verbinding christologisch. Daarmee volgt hij in 1932/33 in aanzet een interdisciplinaire benadering van de praktische theologie. Ik onderstreep dat het om een aanzet gaat. In de praktische theologie is nu een meer genuanceerde benadering van hedendaagse communicatietheorieën nodig.[60] Waar het me om gaat is dat het beeld van Thurneysens homiletiek correctie behoeft.
De medeverantwoordelijkheid van de hoorder
We zien dus dat Thurneysen in de ‘Grundregeln’ wijst op de rol van de hoorder in het preekgebeuren, maar we horen niets over de inhoud van deze rol. Daarvoor ga ik nu te rade bij zijn andere publicaties over de prediking in de jaren dertig. Daarin duidt hij de rol van de hoorder aan met het begrip ‘medeverantwoordelijkheid’. Wat verstaat hij daaronder?
Een jaar voor de homiletiekcolleges in het wintersemester 1932/33 schrijft Thurneysen een bijdrage aan de Zwinglikalendervan 1932 over de vraag wat een preek is.[61] Ook daarin stelt hij dat de preek een aan de Bijbel gebonden toespraak is en dat dit gegeven verwijst naar het wezen van de preek, namelijk dat niet de predikant het woord neemt, maar God. Van daaruit bespreekt Thurneysen de taak van de predikant èn de taak van de hoorders. Voor beiden gaat het in de kern om het juiste horen. De predikant spreekt wel, maar als hij zijn taak goed verstaat, spreekt hij op grond van wat tot hem gezegd is door de Bijbel van Godswege. ‘Auch der Pfarrer ist also ganz und gar aufs Hören angewiesen, und seine Predigt besteht in nichts anderem als darin, daß er darin ausspricht, was er gehört hat aus der Bibel’. Ook in een ander artikel uit 1932 wijst hij op de predikant als hoorder: ‘wir werden auch als Prediger zugleich und vor allem immer wieder Hörer sein müssen’.[62] In een lezing uit 1938 noemt hij de predikant ‘ein erster Hörer des Wortes’.[63]Steeds sterker benadrukt Thurneysen in de jaren dertig dat preken in de kern horen is. Zo formuleert hij in 1936: ‘Predigen will nichts anderes als aus eigenem Hören andere hineinbringen in dieses Hören’.[64]
We keren terug naar het artikel in de Zwinglikalender. Van belang is hier vooral het tweede deel, over de rol van de hoorder. Thurneysen spreekt hier van ‘Mitarbeit’. De hoorder werkt mee aan de preek door de juiste instelling. ‘Ebenso klar ist aber nun wohl auch, daß man als Zuhörer in einer ganz bestimmten Absicht in die Kirche gehen muß’. Niet als toeschouwer, maar als kritische en opmerkzame hoorder. Je gaat niet naar de kerk alsof je naar een interessante lezing of naar een mooi concert gaat. De preektekst is niet een turntoestel, waarop de predikant laat zien hoe behendig hij is, maar het woord dat God dit uur tot ons wil spreken. Als je met die verwachting naar de kerk gaat, let je niet meer zo op de persoonlijkheid van de predikant. Je luistert dan kritisch en oplettend of en hoe Gods Woord in de preek aan het woord komt. Hoorders bederven de predikant als ze niet op de juiste manier toehoorders zijn en de predikant in z’n eentje met Gods Woord laten worstelen. Hoorders kunnen dus meewerken aan de preek door met de predikant niets anders te willen horen dan wat God in de Bijbel wil zeggen. Die medewerking van de hoorder is geestelijk van aard. ‘Der Pfarrer auf der Kanzel braucht diese Mitarbeit; er spürt es von Mal zu Mal, ob seine Zuhörer wirklich im rechten Geiste dabei sind und
In 1936 neemt Thurneysen deze typering van de rol van de hoorder met vrijwel gelijke woorden en gedachten opnieuw op in een artikel over ‘Gottes Wort in der Predigt’,[66]maar nu spreekt hij niet van meewerken, maar van medeverantwoordelijkheid. Men weet tegenwoordig niet meer ‘daß man als Zuhörer mit verantwortlich is dafür, ob die große Bemühung, aus der Schrift Gottes Wort wirklich zu Gehör zu bekommen, gelingen wird oder nicht’. De medeverantwoordelijkheid van de gemeenteleden bestaat erin dat zij de predikant ‘meehelpen’ bij de prediking door ‘das ernste Hörenwollen’, de prediking beluisteren met het doel om daarin ‘Gods Woord uit de heilige Schrift te horen’.[67]De essentie van de prediking is immers dat God ons aanspreekt, omdat hij gemeenschap met ons wil.
Al eerder, in een preek die is gepubliceerd in 1934, komt de ‘Mitarbeit’ van de hoorders ter sprake als medeverantwoordelijkheid.[68] De predikant is er niet alleen verantwoordelijk voor dat Gods Woord tot leven komt. Het is eerder omgekeerd, want de gemeente krijgt de predikant die zij verdient. De gemeente is de homiletische werkplaats. ‘Wenn man Zuschauerhaft, unernst, unbeteiligt an das Hören des Wortes Gottes hintritt, dann hört man auch nichts, und nichts wird laut werden. So sind wir alle mitverantwortlich, so sind wir, die Gemeinde, die Arbeitsstätte, an der es um das wirkliche Hören und Bewegen des lebendigen Wortes Gottes gehen soll’. In verband met de preektekst (Ef. 6, 18) duidt Thurneysen de medeverantwoordelijkheidals bidden, dat wil zeggen persoonlijk ernst maken met de waarheid dat God leeft en dat ik in zijn handen ben. De medeverantwoordelijkheid van de hoorders wordt hier dus opgevat als geloofsgehoorzaamheid.
In 1937 bespreekt Thurneysen de ‘medeverantwoordelijkheid’ op vergelijkbare wijze, als hij zich tot de gemeente richt: ‘Ich möchte fragen seid nicht auch ihr mitverantwortlich dafür, wenn nicht recht gepredigt wird?’[69] Predikanten hebben om op het rechte spoor te blijven hoorders nodig, ‘die zur Predigt gehen und die ihm mit ihrem Hören innerlich zur Seite stehen als seine ihm beigegebenen Helfer’. Hij werkt de verantwoordelijkheid van de hoorders nog wat verder uit in die zin, dat de uitleg van de Bijbel in de prediking niet alleen een zaak is van ‘de man op de kansel’, maar evenzeer van de hoorders ‘die onder de kansel zitten’. Naast de juiste geestelijke instelling noemt Thurneysen nu nog drie andere manieren waarop de hoorders kunnen helpen. 1. De deelname in de uitleg van de Bijbel, doordat de hoorders ‘innerlich Mitbeteiligte sind an dem Ringen darum, daß das Wort aus der heiligen Schrift heraus lebendig werden möchte’. 2. De communicatie over de preek doordat zij deze deelname ook aan de predikant kenbaar maken. 3. De voorbede voor de predikant: dat het hem gegeven wordt het woord te spreken ‘mit fröhlichem Auftun seines Mundes’.[70] De medeverantwoordelijkheid staat hier in het kader van de opbouw van een levende gemeente. In die context gaat het niet alleen om persoonlijke betrokkenheid, maar ook om communicatie tussen predikant en gemeenteleden. In 1938 wijst hij er in een voordracht op dat het soms nodig is de predikant te steunen door hem vragen te stellen.[71]
Ook hier is nuancering op haar plaats. Tegenwoordig beschouwen wij het perspectief van de hoorder en diens medeverantwoordelijkheid als vanzelfsprekende uitgangspunten in de homiletiek. Nu zeggen wij: dat moet verder gaan dan een voorbede voor de predikant en het geven van een reactie op de preek. Echte communicatie over de preek veronderstelt tweerichtingsverkeer. De predikant moet ook reageren op hoe de hoorders de Bijbel verstaan in hun leven. De recente oproep van de synode van de Protestantse Kerk in Nederland om in de gemeente met elkaar te spreken over de preek sluit hierbij aan.[72] En laat de predikant ook bidden voor de gemeente om het woord te horen met een vrolijk openen van de oren. Deze nuancering neemt niet weg dat het boeiend is om te zien hoe Thurneysen een aanzet geeft voor deze gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de prediking.
Preekpraktijk
Het onderzoek naar Thurneysens ‘homiletische grondregels’ leidt tot de conclusie dat Barth en Thurneysen in 1932/33 blijk geven van een verschillende visie op de rol van de hoorder in het preekgebeuren. Bovendien nuanceert het onderzoek het gebruikelijke beeld van Thurneysens homiletiek, dat gebaseerd is op het artikel over ‘de opgave van de preek’ uit 1921. De drie belangrijkste punten waarop ik hier de aandacht heb gevestigd, zijn de preek als toespraak, de rol van de hoorder en diens medeverantwoordelijkheid.
Tot slot ga ik na of en hoe Thurneysens visie op de preek als toespraak (1) en op rol van de hoorder (2) vorm krijgt in zijn preekpraktijk. Ik doe dat aan de hand van een preek die hij in december 1932 heeft gehouden, dus in de tijd van het preekseminarie.[73] De preek over de tekst ‘Wees getroost, je zonden zijn je vergeven’ heeft als boodschap dat de vergeving de bron is van heling en hulp in de nood van ons leven en heeft als doel de hoorders te troosten.
1. Thurneysens visie op de preek als toespraak komt in deze preek op drie punten tot uitdrukking. Allereerst krijgt de preek op verschillende momenten de vorm van een gesprek, waarbij de predikant de situatie van de mensen, hun vragen en verlangens ter sprake brengt. In de presentatie komt zo tot uiting dat de woorden betekenis krijgen in de tussenmenselijke communicatie en in de context van een bepaalde ‘levenswerkelijkheid’. In het gesprek schaart de predikant zich de ene keer onder de hoorders, bijvoorbeeld wanneer hij ingaat op het woord van de vergeving der zonden: ‘Nicht wahr, uns scheint das etwas unendlich Kleines zu sein. Und es ist ja auch unendlich klein; denn was ist da eigentlich geschehen? Überlegen wir es uns doch’. De andere keer worden de hoorders direct aangesproken: ‘Du suchst Gott, du hast das Gefühl Gott sei dir verborgen, dicke Mauern trennen dich […]’.[74]
In de tweede plaats is het kenmerkend voor de preek als verkondiging dat de woorden hun betekenis ontlenen aan het woord van God. Een voorbeeld hiervan is de passage waar Thurneysen ingaat op de vraag waarom Jezus met het woord van de vergeving voorbij lijkt te gaan aan de lichamelijke ellende van de verlamde: ‘wir fragen, warum redet Jesus hier so mit diesem Menschen?’ Thurneysen brengt dan de nood van de levenswerkelijkheid van de hoorders ter sprake: ziekte, werkloosheid, de vernietiging van de ‘scheppingsheerlijkheid’, de economische crisis (1932!). Maar vervolgens maakt hij duidelijk dat deze nood pas betekenis krijgt als keerzijde van een diepere, innerlijke nood, namelijk de zonde.
‘[Jesus] sieht, wie das alles nur die Außenseite ist einer ganz anderen inneren Not. Diese verborgene, innere Not, diese unsichtbare Geißel, mit der die Menschheit geschlagen ist, die greift er an, auf die geht er zu mit einem Schritt wie der Feldherr, der die Schlacht antritt, um der Gegner zu schlagen. Diese Not meint er, bezeichnet er, faßt er ins Auge, packt er an mit dem rätselhaften Wort Sünde, deine Sünde’.[75]
In de derde plaats veronderstelt het verstaan aan de kant van de hoorder niet alleen een gemeenschappelijk taalveld, maar ook de gemeenschap met God. ‘Und wenn es geschieht, daß du an diesem Ort deiner Schuld hintrittst zu ihm und sprichst: ja, meine Schulden, meine Schulden, du mußt sie mir vergeben, dann hast du Gott gefunden. Damit ist er dir begegnet, und damit kann Heil und Leben in dein Dasein hineinbrechen’.[76]
2. De visie op de rol van de hoorder en diens medeverantwoordelijkheid kunnen we in de preek analyseren aan de hand van enkele richtvragen.[77] Hoe worden de hoorders aangesproken: als adressant of als participant? En hoe worden de hoorders gezien: als subject of object in het preekgebeuren?
a. In deze preek worden de hoorders meer aangesproken dan toegesproken. In de aanspraak overheerst de eerste persoon meervoud, waarbij de predikant zich opstelt ‘als hoorder onder de hoorders’. Daarnaast wordt de hoorder rechtstreeks aangesproken in de tweede persoon enkelvoud: ‘Du’. We zagen hiervan al enkele voorbeelden. Er wordt ook in algemene zin gesproken over de mensen, de jeugd, men, maar dan worden er wel concrete voorbeelden genoemd. Meer dan eens krijgt de aanspraak de vorm van een kleine dialoog. Inhoudelijk heeft de aanspraak betrekking op verschillende punten. Ik noemde al de reactie op de betekenis van de zondevergeving en de vragen die Jezus’ vergevingswoord tot de verlamde oproept. Andere voorbeelden zijn de vragen naar Gods afwezigheid, de kritiek op kerk en christendom, vooral bij de jeugd, het verlangen naar verlossing van de nood in de wereld, de ik-zucht en de moeite om elkaar te vergeven. Meerdere keren wordt daarbij het perspectief van de hoorder ingenomen. ‘Wenn wir uns das überlegen, so mutet uns der Vorgang dieser Anrede einfach ein wenig hart an’.[78]De vragen worden als echte vragen besproken, zoals de kritiek van de jongeren op kerk en christendom.
‘Ich denke daran, daß gerade die Jugend von heute in diesem Fragen drin steht nach ganz anderen Kräften dieses Christentums. Sie findet immer wieder, daß die Kirche die Antwort schuldig bleibe. Sie hat ganz recht, so zu fragen. Ich möchte sagen, es wäre geradezu hoffnungslos, wenn diese Frage nach etwas, das geschehen müßte, nach dem Hervorbrechen von Heil und Wahrheit unter uns nicht da wäre. Es ist hoffnungsvoll, wenn diese Frage aufsteht, vielleicht kritisch, stürmisch, vielleicht abwehrend dem ganzen christlichen und krichlichen Leben gegenüber’.[79]
De leefwereld van de hoorders wordt op een realistische en herkenbare wijze ter sprake gebracht, bijvoorbeeld in de al genoemde schets van de nood van de tijd. De conclusie van deze analyse is dat de hoorder vooral als participant wordt aangesproken.
b. Het beeld van de hoorder is in deze preek ambivalent. Op inhoudniveau wordt de hoorder objectief benaderd als zondaar die de boodschap van Gods vergeving ontvangt. De preek roept op om met deze boodschap in te stemmen, want dan vindt men echte hulp. Het is God die tegen ons zegt: ‘du geh hin, dir sind deine Sünden vergeben! Und nun darfst du das festhalten en darauf dein Leben bauen’.[80] Hierin herkennen we de objectieve preekstijl van de verkondigende homiletiek. De hoorder wordt gezien in het licht van de openbaring.
Op betrekkingsniveau is het beeld anders. De hoorders worden benaderd als mensen op zoek naar Gods hulp in hun leven. De predikant toont pastorale aandacht voor de vragen en moeiten met betrekking tot de werkelijkheid van de vergeving. ‘Warum kommt es nicht dazu, daß es Menschen gibt, viele einzelne, die vor Gott hintreten […]’? ‘Warum fällt es uns denn so schwer, an diesen Punkt uns heranführen und dort uns festhalten zu lassen’? ’Warum sehen wir das denn nicht’?[81] De vragen functioneren niet als beschuldigingen, maar vormen de aanleiding voor een nadere analyse van de moeilijkheden. Op die manier doet de predikant een beroep op de medeverantwoordelijkheid van de hoorders. Zij zijn medesubject van de prediking. Of en hoe zij de boodschap verwerken, blijft uiteindelijk open. De preek eindigt met een bede: ‘Gott schenke uns, daß das geschehe’, namelijk dat de troost van God oplicht in onze wereld en in ons leven. De preek nodigt uit tot openheid voor God.
De objectieve verkondiging van de boodschap van vergeving en de subjectieve vertolking van de vragen en verlangens van de hoorders vormen een dynamisch samenspel in deze preek van Thurneysen. Duidelijk wordt dat de predikant niet alléén zorg draagt voor de rechte prediking. Er zijn er twee nodig, de predikant en de hoorder, anders wordt het geen preek. Predikanten doen er goed aan, deze regel van Thurneysen steeds weer te bedenken als zij de kansel opgaan.