Menu

Premium

De kinderjaren van Jezus

Een intertekstuele zoektocht naar Coetzees verborgen boodschap

Wat is er zo fascinerend aan de kindheid van Jezus, dat dit onderwerp schrijvers door de eeuwen heen heeft weten te inspireren? Een hele reeks van zogenaamde kindheidsevangeliën vol fantastische verhalen over de heilige familie is uit de oudheid overgeleverd en bleef gelovigen boeien en kunstenaars fascineren. Tot aan de nieuwste roman van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee, De kinderjaren van Jezus, toe.

Afgezien van de eerste twee hoofdstukken van de evangeliën van Lucas en Matteüs heeft geen van de vroegchristelijke documenten over de avonturen van Maria, Jozef en het kindeke Jezus ooit de canonieke status gekregen. Kerkvaders en moderne theologen hebben zich vaak heel kritisch over deze documenten uitgesproken, maar de Wirkungsgeschichte ervan is enorm. Mariadogma’s en -feesten, schilderijen over de geboorte in een grot en van Maria in de tempel, noem maar op. En nu Coetzee, die zijn roman over het vijfjarige vluchtelingenkind David, gesitueerd in een fictief Spaanstalig land in een niet nader te bepalen tijd waarin men zich met auto’s verplaatst, een titel geeft die de lezer aanzet dit leven van de kleine David in het licht van de kindheid van Jezus te lezen. Of moeten we het leven van Jezus herlezen in het licht van het verhaal van David? Een boektitel als leeswijzer, die de lezer in toenemende mate irriteert, want het blijft raadselachtig wat de bedoeling van de vergelijking moet zijn.

Ik heb geen naam

De verhaallijn is snel geschetst: er wordt geschreven vanuit het perspectief van een net gearriveerde vluchteling, die de nieuwe naam Simon krijgt en die zijn nieuwe leven deelt met een ongeveer vijfjarig jongetje, dat de naam David krijgt. Het jongetje heeft zijn vader nooit gekend en heeft op de vlucht zijn moeder voorgoed verloren. Nog op het schip heeft hij in Simon een peetvader gevonden, die zich over hem ontfermt en het als zijn taak beschouwt het kind naar ‘zijn moeder’ te brengen en deze van afstand te ondersteunen bij de opvoeding. In de tijd van de installatie in hun nieuwe omgeving en de zoektocht naar de moeder raken Simon en David zeer aan elkaar gehecht. Deze verbinding wordt abrupt onderbroken door de overdracht naar de uiteindelijk door Simon puur intuïtief als moeder gekozen Inés, die de jongen isoleert en met een verstikkende liefde verzorgt. De jongen, intelligent, maar eigenwijs en van zijn bijzonderheid overtuigd, verliest steeds meer het contact met leeftijdsgenoten en met de realiteit, wat tot een crisis leidt als hij na zijn zesde verjaardag naar school moet. Een weinig begripvolle leraar laat hem tegen de weerstand van de (pleeg)ouders in een inrichting voor bijzonder onderwijs onderbrengen, waaruit David wegloopt. Vervolgens slaat de familie op de vlucht naar het noorden, om daar, vergezeld door de lifter Juan (Johannes!), die David als ‘zijn broeder’ aanwijst, opnieuw een nieuw leven te beginnen. Maar de voortekens zijn al overduidelijk: ‘ons nieuwe leven’, dat Simon en Inés beogen, is niet ‘het andere leven’, dat David voor zichzelf en zijn broeder Juan zoekt. Onder welke naam David in de toekomst door het leven zal gaan, laat het verhaal open: ‘Ik heb geen naam. Ik moet mijn naam nog krijgen’ (p. 311). Maar de lezer weet het natuurlijk al vanaf de titelpagina.

Don Quichot

Een vluchtelingenkind met een peetvader en een maagdelijke moeder (wier toekomstige maagdelijkheid twijfelachtig schijnt; een parodistische omkering van de christelijke obsessie met de maagdelijke ontvangenis!), overtuigd van zijn missie een mensenredder te worden, op zoek naar ‘het andere leven’. In De kinderjaren van Jezus zijn naast veel makkelijk herkenbare verwijzingen naar bijbelse tradities ook apocriefe Jezusverhalen verwerkt. Deze zijn minder bekend en zullen daardoor ook minder makkelijk herkend worden. Meest fundamenteel voor de plot van de roman is het verhaal van de leraar, wiens onderwijs alleen maar op verzet van de leerling stuit en die uiteindelijk moet erkennen dat Jezus allang lezen en schrijven en dat die de leraar in wijsheid overtreft. Meerdere varianten van dit verhaal zijn in het Kindheidsevangelie van Thomas (6-8; 14; 15), in het Kindheidsevangelie van Pseudo-Matteüs (30-31, 38, 39) en in het Arabische Kindheidsevangelie overgeleverd (48-49), waarbij de leraar óf de wijsheid van zijn leerling erkent, óf voor zijn ignorantie zwaar gestraft wordt. Doden vallen er bij Coetzee niet, maar de strijd om het gezag van de leraar en het gelden van de wet aan de ene kant, en het recht van de leerling op zijn eigen interpretatie van literatuur en wereld aan de andere wordt ook hier onverbiddelijk uitgevochten. De eerste leraar, die David uiteindelijk voor zich wint, is de welwillende en libertijns ingestelde Simon; geoefend wordt met het boek waaruit David zich zelf heeft leren lezen, Don Quichot. Het onderwerp is complex: God en Dulcinea, de ideale vrouw, die de ridder aanbidt en vereert en die de lezer makkelijk als symbool voor de maagdelijke Maria – product van vrome verbeelding – herkennen. Cervantes’ tekst, die in een grappige dialoog deel voor deel wordt uitgelegd, luidt:

God weet of er een Dulcinea in de wereld is of niet en of zij verbeelding is of niet. Bij dat soort dingen kun je het naadje van de kous beter niet weten. Ik heb haar verwekt noch gebaard, maar aanbid haar zoals betaamt bij een vrouwe die alle deugden bezit om haar beroemd te maken over de hele wereld. (p. 249)

De jongen vraagt onder andere naar de betekenis van ‘Dios’ (God). Simon antwoordt dat ‘Dios sabe’ (God weet) een uitdrukking is, ‘een manier om te zeggen dat niemand het weet’:

‘Is God niemand? (…) God is niet niemand, maar hij woont zo ver weg dat we niet met hem kunnen converseren of omgaan. En of hij ons in de gaten houdt, Dios sabe.’ (p. 250251)

Ironie, die een soort Godsbewijs vanuit het taalgebruik oplevert. En wat Maria betreft, wier maagdelijke geboorte in partu en post partum in het Proto-Evangelie van Jacobus en latere kindheidsevangeliën door het bewijs van de vroedvrouwen bevestigd wordt, is de vergelijking met Dulcinea, die een literaire figuur én tegelijk een verzinsel van Don Quichot is, natuurlijk veelzeggend. Maar deze boodschap is voor de lezer. David zit er niet mee, integendeel, hij wenst zelfs dat Inés broers voor hem baart, want hij identificeert zich met ‘de derde broer’ uit een sprookje dat zijn moeder hem ’s avonds vertelt. Deze derde broer laat zijn hart opeten door een beer, om het medicijn te kunnen vinden dat zijn moeder nodig heeft.

Ik ben de waarheid

Het tweede lerarengesprek, met de rigide Señor León, verloopt minder prettig, want nu staan niet God en Maria-Dulcinea ter discussie, maar Davids held Don Quichot zelf, die door Señor León als een krankzinnige wordt neergezet, die een verzonnen naam durft te dragen. Voor Señor León staat iedere fantasievolle benadering van de wereld gelijk aan liegen, net als het wekenlange zwijgen van de leerling over zijn kennis. Deze moet dan ook ter boetedoening op het bord schrijven: ‘Ik moet de waarheid spreken.’ David gehoorzaamt en schrijft de waarheid. Deze luidt: ‘Yo soy la verdad, Ik ben de waarheid’ (p. 257, zie Joh. 14:6).

Jezus Zoon van God

Sommige van Coetzees allusies naar de canonieke en apocriefe evangeliën zijn subtieler dan deze, zo subtiel dat er zelfs twijfels over zouden kunnen bestaan of er een verwijzing is, ware het niet dat de titel van het boek als een steeds aanwezige paratekst de interpretatie stuurt. Een van de bekendste apocriefe verhalen uit het Kindheidsevangelie van Thomas is de allereerste scène na de proloog, waarin de latere sabbatconflicten uitgebeeld worden. De vijfjarige Jezus speelt met andere kinderen; hij leidt water door kanalen en kuilen, en vormt uit natte klei twaalf vogels. Zijn vader krijgt daarover een verwijt van een farizeeër, omdat ‘hij doet op sabbat wat niet geoorloofd is’. Door Jozef daarop aangesproken klapt Jezus met zijn handen, waarna de vogels levend worden en wegvliegen. Jezus toont zich hier als Zoon van God, die in de scheppingsmacht van zijn vader participeert, en tegelijk als kind, dat op speelse manier het conflict uit de weg gaat door de bewijzen van zijn ‘misdaad’ te doen verdwijnen en te ontkennen dat er überhaupt iets gebeurd is. Bij Coetzee lijkt deze traditie van haar wonderjasje ontdaan te zijn, waardoor een andere, universelere theologische duiding op de voorgrond komt, die tegelijk een van de basisovertuigingen van het hoofdpersonage Simon verwoordt. Het kind staat bij de voorman aan de havenkant zijn pleegvader te observeren, die als stuwadoor werkt en de hele dag zware zakken graan over een wankele loopplank naar de kade sjouwt. Simon stelt David voor in de toekomst met andere kinderen te gaan spelen in plaats van bij hem te zijn. David zegt dat hij niet met andere kinderen wil spelen. ‘Ik wil niet, dat je in zee valt. Ik wil niet dat je verdrinkt.’ Simon antwoordt:

‘Maak je geen zorgen, ik zal heel goed oppassen dat ik niet verdrink, dat beloof ik je. Je kunt dat soort donkere gedachten wegjagen. Je kunt ze laten wegvliegen als vogels. Zul je dat doen?’ (p. 28)

De mens als schepper van zijn eigen gedachtewereld, medebevolkt door zelfgeschapen angsten, die je moet leren te beheersen. Dat is de les die David moet leren. Het vervolg zal tonen dat het kind het eerste gedeelte – het uitvinden van zijn eigen wereld, waarin hij de onbetwiste koning is – makkelijker onder de knie krijgt dan het omgaan met zijn angsten. De wereld waarin hij leeft zit vol met barsten, gaten en onzichtbare vulkanen, die op ieder moment open kunnen breken en hem zullen verslinden. Ondanks dit steeds aanwezige gevoel van bedreiging ontwikkelt de jongen het idee dat hij anderen zou kunnen en moeten redden. Dit idee komt op velerlei manieren terug, waarbij de bijbelse tradities maar een van de bronnen vormen. Don Quichot vormt een tweede bron en Davids lievelingssprookje van de drie broers een derde.

Abracadabra

We kijken nog een keer naar de zojuist geciteerde scène bij de haven. David denkt dat zijn aanwezigheid bij het water Simon (!) bij zijn hachelijke tocht over de zee beschermen en hem voor verdrinken behoeden. Een knipoog naar het verhaal van (Simon) Petrus die over de zee naar Jezus toe wandelde? Later is David ervan overtuigd dat hij een overleden paard, een door kinderen gedood kuikentje en zelfs een verstikte arbeider zou kunnen doen herleven als het hem maar zou worden toegestaan deze wezens zijn adem in te blazen (p. 229-230, 279) respectievelijk de rook uit de longen te zuigen (p. 183) – makkelijk herkenbare verwijzingen naar de schepping (Gen. 2:7). Er is ook een soort parodie op de synoptische verhalen van genezingen van verlamden. De van een valpartij herstellende Simon, die zich nog amper bewegen, zegt: ‘Voor jou ik alles… Je hoeft alleen het woord maar te zeggen.’ Het toverwoord, het woord dat hem kan ‘genezen’, waardoor hij naar zijn rolstoel kan lopen, blijkt ‘Abracadabra!’ (p. 278).

Terwijl David zeker weet dat hij bovenmenselijke krachten en kennis heeft (‘Ik ben onzichtbaar’, p. 311; ‘Ik kan zien wat je denkt!’, p. 216) en dat niets een toekomst als tovenaar, goochelaar en ontsnappingsartiest in de weg staat, laat het verhaal duidelijk zien dat dit allemaal ongegronde grootheidsfantasieën van een onschuldig jong kind zijn, aangewakkerd door zijn enige leesvoer: de avonturen van Don Quichot.

‘Het andere leven’

De vraag is natuurlijk wat met het oog op Jezus de bedoeling is van deze afschildering van het kind dat zich terugtrekt uit de realiteit en in fantasieën van almacht en alwetendheid zwelgt. Zeker als men er rekening mee houdt dat alle apocriefe kindheidsevangeliën een Jezuskind schilderen dat met het grootste gemak de opzienbarendste en ook wreedste wonderen volbrengt. Wil Coetzee laten zien dat de auteurs van deze verhalen niet volwassener van geest waren dan de kleine David?

Coetzees verhaal van David-zonder-echte-naam en het ver-haal van Jezus, over wiens identiteit men het zoals bekend ook niet makkelijk eens kon worden (zie Mar. 6:14-16; 8:27-30; 14:61-62; 15:39), raken met elkaar verstrengeld. Dat is de kracht van de expliciete intertekstuele leesaanwijzing die in de titel gegeven wordt. Maar wat is de hoofdrichting waarin de interpretatie zich gaat voltrekken? Wordt David door Jezus of Jezus door David ingekleurd? Welke nuance voegt Don Quichot, de redder van maagden en beschermer van de armen tegen de rijken en machtigen (p. 281), toe? Er is niet één voor de hand liggende interpretatie. Dat komt ook doordat dat het verhaal net zo abrupt eindigt als het begon. Waarheen zal de zoektocht naar ‘het andere leven’ leiden? De kindheidsevangeliën doen vermoeden dat David eerst nog meer leraren zal verslijten. Het enige echte spoor waarop de lezer voor de langere toekomst gezet wordt, is het leven van Jezus zoals bekend uit de evangeliën. Simon droomt van een hemelvaart (p. 271) en houdt David, die alleen zijn eigen taal wil spreken voor: ‘Dan moet je in een eigen wereld leven. Dan heb je geen vrienden. Dan word je geschuwd. (…) Je zult nergens je hoofd te ruste kunnen leggen’ (p. 216, zie Mat. 8:20).

Literatuur

J.M. Coetzee, De kinderjaren van Jezus, Amsterdam: Cossee 2013.

G. van Oyen, De kleine Jezus, in: G. van Oyen en P. Kevers (red.), De apocriefe Jezus, Leuven: VBS-Acco 2006, 53-78.

Antike christliche Apokryphen in deutscher Übersetzung (Bd 1/1-2), hg. von C. Markschies / J. Schröter, Tübingen: Mohr Siebeck 2012.

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken