Menu

Premium

De kwijnende vlam zal Hij niet doven

Bij Micha 4,1-5, 1 Johannes 1,1-7 en Johannes 21,15-24

De derde van Pasen. De indrukken van het grote feest van de opstanding beginnen te tanen. Het nieuwe leven wordt minder sterk aangevoeld. Tijd voor bemoedigende beelden van Gods toekomst. Voor de bevestiging dat het wél uitmaakt wat je gezien, gehoord en gevierd hebt. En voor het troostende voorbeeld van Petrus, die de jaren met de mens Jezus nog niet tot een visser van mensen en dé herder van Jezus’ kudde konden maken.

Een schets van Gods toekomst kan een tegenbeeld zijn van de eigentijdse situatie. Zo ook in het boek Micha. De aan onze tekst voorafgaande verzen hadden duidelijk de misstanden in de samenleving aan de kaak gesteld: Sion wordt ‘gebouwd op bloed’ en Jeruzalem ‘op onrecht’. Bij de rechtspraak zegeviert corruptie; geld bepaalt de inlichtingen door de priesters en de voorspellingen van de profeten (Mi. 3,7-12). Wanneer de machthebbers er een zooitje van maken en er ook nog ten volle van overtuigd zijn dat God hun beleid steunt – wie wil het dan de kleine man kwalijk nemen als hij des te kleurrijker van Gods toekomst begint te dromen?

Vredeseconomie

Maar toch is eschatologie veel meer dan een vlucht van machtelozen in een droomwereld. Want de toekomstbeelden knopen juist ook aan bij het heden. De tempel van de Heer bestaat al. Zeker, hij staat niet in het centrum van de wereld, oogt bescheiden en wordt niet op de juiste manier gebruikt. Maar hij is er. Een schets van wat de tempel allemaal zou kunnen (en in de toekomst gaat) betekenen geeft moed en energie voor een eigen bijdrage aan de verandering van het heden naar Gods toekomst. Eschatologie brengt de mensen in actie. En juist daarom is eschatologie voor sommigen een bedreiging. Wat moet er van de economie worden als er inderdaad vrede komt? Als er geen zwaarden en speren meer nodig zijn? De hele ijzerindustrie (let wel: deze tekst komt uit de ijzertijd!) zou in de crisis kunnen storten! Maar de verbeelding van Gods toekomst voorziet ook in een perspectief voor de economie. IJzer heb je altijd nodig. Ook in vredestijden. Wanneer de mensen weer hun akkers bewerken, wijn en vijgen verbouwen, stijgt de vraag naar ploegijzers en snoeimessen.

Geloofsgrammatica

Het leven is verschenen. Dit verschijnen heeft met Pasen plaatsgevonden en is nu afgerond. Wij hebben het gezien en gehoord en dit bepaalt nu ons leven. Wij getuigen en verkondigen (1 Joh. 1,1-2). De schrijver maakt duidelijk verschil tussen gebeurtenissen in het verleden en het effect van vroegere handelingen. De Griekse grammatica stelt hem hiervoor verschillende werkwoordvormen ter beschikking. Opvallend in onze tekst is het gebruik van het perfectum: een werkwoordvorm die focust op een huidige toestand als gevolg van een voorafgaande gebeurtenis of handeling. Deze lading kan vaak moeilijk ten volle in een Nederlandse vertaling worden weergegeven, maar bevat in onze tekst een belangrijke boodschap voor de derde na Pasen: wat wij met Pasen gezien en gehoord hebben, is niet over en voorbij. Het drukt zijn stempel op het heden.

Leeshulp

Johannes 21 begint met het verhaal van een wonderbaarlijke visvangst bij het meer van Tiberias. Zo veel vis in het net dat het niet omhoog kon worden getrokken – net als bij Petrus’ roeping in Lucas 5, waar de netten dreigden te breken. Als de leerlingen met de enorme vangst aan land komen, ligt daar vis en brood op een kolenvuur. De opgestane vraagt Petrus drie keer of hij Hem liefheeft. Met driemaal bijna dezelfde woorden bij een kolenvuur had Petrus in Johannes 18 ontkend bij Jezus’ aanhangers te horen. Jezus spreekt Petrus aan met ‘Simon, zoon van Johannes’, net als bij zijn eerste ontmoeting met Petrus (Joh. 1,42).

Subtiel en speels, maar niet mis te verstaan wijst de schrijver erop dat hoofdstuk 21 een (tweede) roeping van Petrus bevat, die opweegt tegen de verloochening voor het paleis van de hogepriester. De ware bekering van Petrus vond pas na Pasen plaats. De woorden ‘Volg Mij’, die anderen bij hun roeping tot discipel te horen krijgen, zegt Jezus tegen Petrus na Pasen. De tijd als discipel van Jezus was niet genoeg om van Petrus de herder van Jezus’ kudde te maken. Pas na de verloochening en na Pasen was hij hiervoor geschikt.

Christusliefde

Jezus weet dat Petrus Hem liefheeft – ondanks zijn verloochening. Goede herder die Hij is, vertrouwt Hij Petrus zijn kudde toe. Een tweede keer zou deze niet ontkennen dat hij bij Jezus hoort. Jaren later zou blijken dat Petrus zijn liefde niet alleen met de mond heeft beleden. In Rome werd hem door anderen de gordel omgedaan en moest hij zijn armen uitstrekken – om samen met andere gelovigen de marteldood te ondergaan. Niemand heeft grotere liefde dan wie zijn leven inzet voor zijn vrienden (Joh. 15,13).

In de johanneïsche geschriften heeft liefde voor Christus nog een andere dimensie: Christus liefhebben betekent Christus in zijn identiteit erkennen en zich aan Hem hechten. Petrus heeft begrepen wie Jezus is en is bereid Hem te volgen. Hij zal niemand aan een verkeerd beeld van de goede herder helpen. Daarom mag hij op Jezus’ kudde passen.

Taakverdeling

Petrus werd de eerste, de herder, de discipel die waarschijnlijk de grootste invloed op het ontstaan van het christendom heeft gehad. Maar deze invloed berustte niet op het geschreven woord. Slechts twee kleine brieven in het Nieuwe Testament claimen Petrus als schrijver. De gezaghebbende geschriften hebben anderen opgesteld. Het Johannesevangelie zou zijn geschreven door degene die Jezus reeds volgde toen Petrus pas zijn roeping kreeg (Joh. 21,19-20). De een krijgt het herdersambt, de ander mag door de geschreven leer het geloof bevorderen. Het een is niet belangrijker dan het ander. Eenieder zijn taak.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken