De moed om te zijn
Moed is een waagstuk, schreef Paul Tillich, want moed kijkt altijd in de ogen van alles wat het bestaan (het zijn) bedreigt. Je loopt niet weg voor datgene waar je bang voor bent, maar je gaat het aan. Je blijft het bestaan bevestigen door de manier waarop je leeft en keuzes maakt. Maar waar haal je zulke moed vandaan wanneer alle grond onder je voeten is verdwenen? Tillich zelf komt uit bij een uiterste vorm van geloof: absoluut geloof, ontdaan van alle zekerheden.
Angstige samenlevingen
De Lutherse Tillich heeft de opkomst van het nationaalsocialisme meegemaakt: een democratisch gekozen regering die een terreurbewind ging uitoefenen over heel Europa. Het maakte hem gevoelig voor angsten die in mensen en in hele culturen spelen. Later, in Amerika, constateerde hij hoe de kerken geen werkelijk antwoord hadden op de zoektocht van de nieuwe generatie naar zin en betekenis. Een ander soort geloof was nodig.
Wat zijn eigenlijk die bedreigingen waar we moed voor nodig hebben? Tillich ziet hoe in de geschiedenis van de westerse beschaving drie typen ‘oerangst’ kenmerkend waren. Grote culturele veranderingen beïnvloedden deze collectieve angsten. In de oudheid was er weinig verweer tegen ziekte en dood. Het noodlot kon ieder mens zomaar overvallen. In de Middeleeuwen, onder invloed van pestepidemieën en de dominantie van de kerk, werd de angst voor schuld en verdoemenis het meest overheersend. Vanaf de 19e eeuw wordt de levenskracht van de samenleving meer en meer bedreigd door twijfel en zinloosheid. De structuren waarmee deze angsten in bedwang werden gehouden, werkten niet meer.
Het lijkt mij dat er in deze tijd weer verschuivingen aan de gang zijn, met name door de klimaatcrisis. Daarin komen angst voor noodlot en dood, angst voor eigen schuld en verdoemenis en de angst veroorzaakt door leegte en zinloosheid op onheilspellende manier samen.
Angstige mensen
Oerangsten overheersen niet alleen hele culturen maar ook individuen. Er is geen ‘zijn’ zonder de afgrond van het ‘niet-zijn’: het bestaan zoals je dat kent, kan altijd eindigen. Dat werkelijk beseffen roept een natuurlijke oerangst op. Dat is iets anders dan de vrees voor iets concreets, zoals bijvoorbeeld pijn. Wat kun je doen aan het noodlot of de dood? Het is maar toevallig dat je er bent en je bestaan is ook niet noodzakelijk. Je bent echt niet het middelpunt van de wereld. Ontneemt dat niet ook de zin van het bestaan? En als je naar de wereld of jezelf kijkt en je ziet het onvermijdelijke kwaad? Maken we niet allemaal keuzes die achteraf gezien de verkeerde waren? Wie zal je verlossen van de ambivalentie van het leven? En wat als kerken leeglopen en levensvisies onder invloed van influencers elke maand weer wisselen? Hoe kun je jezelf en het bestaan op een eerlijke manier bevestigen in het licht van dit altijd aanwezige ‘niet-zijn’?
Er is geen ‘zijn’ zonder de afgrond van het ‘niet-zijn’: het bestaan zoals je dat kent, kan altijd eindigen
Een goed evenwicht tussen participatie en individuatie
Tillich meent dat mensen hun angsten overwinnen door zich met elkaar te verbinden en door hun unieke zelf te ontwikkelen. Er ligt een spanning tussen jezelf zijn en jezelf verbinden. Beide zijn nodig om werkelijk mens te zijn. Deelnemen (participatie) aan iets dat groter is dan jezelf vraagt moed. Je overwint de angst voor zelfverlies en verbindt jezelf met een collectiviteit. Je vormt een gezin, je treedt toe bij een kerk, je wordt lid van een vakbond of politieke partij, etc. Dat grotere geheel waar je toe behoort, geeft je op zijn beurt moed en betekenis.
Er blijft een risico dat je al teveel eigenheid inlevert onder druk van het collectief.
Een andere manier om bestaansangsten te overwinnen, is om je te onderscheiden van anderen (individuatie). Je kiest een eigen weg om je individuele zelf te ontwikkelen en uit te drukken en creëert een unieke bijdrage. Je baart een kind, schrijft een boek, ontwikkelt een bedrijf – en dat bevestigt de waarde van je bestaan. Zo overwin je de angst voor je eindigheid en je bijdrage geeft betekenis aan je leven. Het risico van te sterke individuatie is dat je de verbinding verliest en eenzaam wordt.
Samenlevingen die er niet in slagen om een goed evenwicht tussen verbinding en individuatie te vinden, zijn vatbaar voor ideologieën en demagogen, dat zag Tillich al in zijn thuisland. Een cultuur die bedreigd wordt door al te veel verschillen, zal dan geneigd zijn om haar eigenheid (maar wie bepaalt dat?) te benadrukken: ‘de echte Nederlander’, die van zwarte pieten, haring en blonde vrouwen houdt. Angstige mensen en culturen zijn herkenbaar aan hun wij-tegenover-zij-denken, zonder dat er mogelijkheid is voor dialoog.
Angstige mensen en culturen zijn herkenbaar aan hun wij-tegenover-zij-denken
Moed en geloof
Kerken vormden van oudsher collectieven die hielpen om de angst voor dood, schuld en verlies van betekenis te overwinnen. Die functie hebben ze voor velen nog steeds. Tillich ziet echter scherp dat deze collectieve vorm van geloof niet houdbaar is in een samenleving die overal vraagtekens bij zet en absolute waarheden ontkent. Twijfel aan alle traditionele vormen van religie, angst voor de ondergang van je cultuur, de menselijke schuld tegenover de aarde en de armen: ze schrijven één groot NEE over het bestaan. Wat betekent ‘geloof’ als je dat allemaal echt onder ogen ziet?
Voor Tillich hangen moed en geloof samen. Geloof is niet hetzelfde is als een serie ongelooflijke dingen voor waar aannemen. Tillich wil terug naar de grondbetekenis van vertrouwen. Is er een vorm van geloof, van levensvertrouwen, dat de waarheid van onze tijd in zich op kan nemen en toch JA kan zeggen tegen het bestaan? De moed daartoe ligt in het ‘zijn’ zelf.
Is er een vorm van geloof, van levensvertrouwen, dat de waarheid van onze tijd in zich op kan nemen en toch JA kan zeggen tegen het bestaan?
Desondanks geloven
De moed om te ‘zijn’ wordt gegeven door de werkelijkheid zelf. God is de naam van de ultieme werkelijkheid: the really real van wat het ‘zijn’ ten diepste is. Geloof is de toestand van gegrepen-zijn door de macht van het zijn zelf. De moed om te zijn is zelf uiting van het geloof, zo schrijft Tillich. Met andere woorden: in het bestaan zelf ligt een kracht die er wil zijn. Geloof is door die kracht gegrepen zijn en dat wordt zichtbaar door jezelf levensbevestigend in te zetten. Dit noemt Tillich elders de ‘werking van de Heilige Geest’, maar hier houdt hij het bij filosofische taal. Zo probeert hij een frisse blik op oude dogma’s te ontwikkelen.
Zinloosheid aanvaarden is een geloofsdaad die in zichzelf al het bestaan van zin bevestigt. Als je aan alles twijfelt, kun je geen moed ontvangen door nieuwe zekerheden voorgeschoteld te krijgen. Alleen de daad van desondanks geloven biedt een uitweg. Het grote voorbeeld is uiteraard Christus, die zich toevertrouwt midden in zijn Godverlatenheid. Alleen de kerk die de Gekruisigde preekt, kan zulk soort geloof bemiddelen, aldus Tillich. God die aan alle concepten voorbij is, kan alleen in ‘stille taal’ (symbooltaal) verkondigd worden.
Zinloosheid aanvaarden is een geloofsdaad die in zichzelf al het bestaan van zin bevestigt
Absoluut geloof
Er bestaat een soort van geloof dat kan samengaan met twijfel en zinloosheid. Men aanvaardt zichzelf als iemand die aanvaard wordt ondanks zijn wanhoop omtrent de zin van deze aanvaarding. Aanvaarden dat je aanvaard bent, zonder dat je weet wie jou aanvaardt en zonder dat je weet waarom dat van belang is. Je gelooft, je vertrouwt, je bevestigt het leven, maar zonder reden. Het is een geloof zonder inhoud, niets anders dan de daad van geloven in een God-boven-God, een God losgemaakt van alle beelden: een absoluut geloof.
Dit geloof wordt geboren in de afgrond van zinloosheid. De God-boven-alle-godsbeelden rijst op daar waar alle zingeving wegvalt. Je gelooft ondanks dat je eigenlijk nergens meer in gelooft. Absoluut geloof overstijgt het dualisme: God – mens; subject – object. Kennen in de gewone betekenis van het woord is dus niet mogelijk. Het is de uiterste grens van menselijke mogelijkheden en eerder een beweging dan een toestand, zegt Tillich. Het is zonder de veiligheid van woorden of begrippen. Er zijn geen gedachten, ervaringen, opvattingen, zekerheden waarin je nog wonen kunt. Daarom noemt hij het een ‘gegrepen zijn’.
In iets andere taal gezegd, de onkenbare God spreekt zichzelf uit: ‘Ik ben er – wees jij er!’ Die gebiedende dynamiek doordringt de hele schepping en bezielt met levensbevestigende moed, juist waar zinloosheid zich toont. Je zegt moedig JA tegen het leven, zonder enig waarom.
De onkenbare God spreekt zichzelf uit: ‘Ik ben er – wees jij er!’
Mystiek
Tillich is geïnspireerd door de mystiek, in het bijzonder het denken van Meester Eckhart, die ook spreekt over deze diepste grond van de werkelijkheid: de ‘grond van het zijn’. Hier vallen alle onderscheidende concepten weg, zelfs God ‘ontwordt’. Tillich meent dat het absolute geloof verder gaat dan mystiek. Dat geldt wellicht voor de meeste vormen van godservaringen waar er nog steeds een ‘ik en een Jij’ overblijft. Bij veel mystici lees ik ook iets anders.
Het ‘absolute geloof’ waar Tillich over spreekt, doet mij erg denken aan wat de ‘mystieke dood’ wordt genoemd. John Arblaster schreef daar recentelijk nog een mooi artikel over. Of lees het mystieke werkje ‘De Wolk van niet-weten’. Daar wordt uitgelegd hoe de weg van contemplatie je steeds verder van huis brengt. Eenheid met God is alleen te vinden in een wolk van niet-weten. Ruusbroec, de 14e-eeuwse Nederlandse mysticus, noemt dit ‘de afgrond van ongenaamdheid’, waar alle namen en duidingen wegvallen. Daar is de liefde tot God ‘ontbloot’, zonder ‘wijze’. Dat wil zeggen: ik kan mij niet eens meer hechten aan God. Mijn liefhebben, mijn geloven, is Gods-activiteit-in-mij geworden, maar daar heb ik zelf geen weet meer van. God zelf sleurt mij mee in een eindeloze stroom van beminnen.
Ik leef, zeg en doe JA, ook al klinkt overal NEE. Ik heb geen moed meer, maar moed heeft mij.
Paul Tillich

De Duitse theoloog Paul Tillich (1886-1965) diende als legerpredikant in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Later werd hij hoogleraar filosofie in Leipzig en hoogleraar theologie in Frankfurt. Hij was een fel tegenstander van het nazisme en toen Hitler aan de macht kwam, werd hij direct ontslagen. Met zijn gezin emigreerde hij naar Amerika en daar doceerde hij systematische theologie in New York, aan Harvard en in Chicago. Hij publiceerde een reeks invloedrijke boeken, waaronder The Eternal Now, Theology of Culture, Systematic Theology I-III en The Courage to Be (De moed om te zijn). Dit laatste boek is feitelijk een bundeling van een aantal lezingen die Tillich in de jaren vijftig hield aan de universiteit van Yale. Het maakte hem bij het brede publiek bekend.
*De citaten komen uit ‘De moed om te zijn’ van Paul Tillich, Bijleveld (2023)
Marianne Vonkeman is emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland en sinds jaar en dag verbonden aan Theologie.nl. Ze is redactielid van de redactie Spiritualiteit en beheert de website www.sporenvangod.nl.