Menu

Premium

De navolging van Jezus

Bij Matteüs 16,21-27(28) en (Nieuwe) Liedboek voor de kerken 2013, 941

Matteüs 16,21-27(28) is onderdeel van een groter geheel, dat ook bij Marcus en Lucas als een geheel voorkomt (Matteüs 16,13-17:23, Marcus 8,27-9:32, Lucas 9,18-45). Dat moet een belangrijke overlevering uit de vroege kerk zijn. Wie is Jezus? Welke weg ‘moet’ Jezus vanaf hier gaan? Wat is de weg die allen moeten gaan die Jezus willen volgen?

Naast de verhalen over Jezus zijn zeker ook de ervaringen van onze eerste broeders en zusters in de Heer de bronnen van de antwoorden voor ieder die sindsdien de Heer wil volgen en toch niets begrijpt van het ‘geheim’ (Nieuwe Bijbelvertaling) van God (Romeinen 11,25.33-35).

Waarom ‘moet’ Jezus deze weg gaan?

In de omgeving van Caesarea Filippi begint Jezus in de kring van zijn vertrouwde leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem ‘moet’ gaan en veel lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zal worden, maar op de derde dag uit de dood zal worden opgewekt. Waarom ‘moet’ Jezus dit vreselijke lijden ondergaan? Waarom blijft Hij niet gewoon veilig in de omgeving van Caesarea Filippi, ver van Jeruzalem, ver van zijn vijanden?

Allereerst kiest Hij er zelf voor om tot in Jeruzalem Gods liefde aan de mensen te laten zien. Zo verstaat Hij zijn opdracht. Er zijn vervolgens geen ingewikkelde dogmatische gissingen naar Gods eeuwig raadsbesluit of de rol van Jezus in de eschatologie nodig om te weten waarom Hij ‘moest’ lijden en sterven. Het staat gewoon in het evangelie. Na een genezing op de sabbat lezen we (Matteüs 12,9-14): ‘De farizeeën dropen af en besloten Hem uit de weg te ruimen.’ Met overleg en geduld zorgen ze ervoor dat het bevoegde rechtscollege, het Sanhedrin, het doodvonnis uitspreekt. Jezus ‘moest’ lijden en sterven, omdat ménsen het wilden en besloten hadden Hem uit de weg te ruimen! Daar komt God niet aan te pas.

Drie dagen later ‘moet’ Jezus worden opgewekt uit de dood! De Eeuwige had zelf uit de hemel geroepen: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in Hem vind Ik vreugde’ (Matteüs 3,17). Hij laat toch die geliefde zoon niet ver weg, in het dodenrijk, alleen, en zijn lichaam in een graf! Daarom ‘moet’ Jezus worden opgewekt. Wat God wil is niet wat de mensen willen. De mensen willen Jezus dood. God wil dat zijn zoon leeft. Jezus moet doorgaan om onder de mensen op aarde Gods liefde uit te roepen als de enig geldige wet, voor altijd.

De dingen van de mensen en de dingen van God

Petrus protesteert – en wie van ons niet? Wij mensen weten toch wat we onze medemensen kunnen aandoen? Natuurlijk mogen ze dat niet doen met iemand van wie we houden, zeker met Jezus niet! Wij stemmen in met Petrus, nog voor Jezus is uitgesproken. Zo horen ook wij niet: ‘maar op de derde dag wordt Hij uit de dood opgewekt.’ Het is maar al te waar wat Jezus tegen Petrus zegt. Wij mensen kunnen ons immers alleen bezig houden met de dingen van de mensen. God en zijn dingen liggen ver buiten ons bereik. De Nieuwe Bijbelvertaling interpreteert hier ‘wat God wil’ en ‘wat de mensen willen’. Een dode weer tot leven wekken? Ondenkbaar voor mensen! We kunnen niet anders dan Jezus’ woorden ‘maar drie dagen later worden opgewekt’ over het hoofd zien en er enkel een ‘lijdensaankondiging’ in zien. Maar het is beter te spreken van ‘de eerste opwekkingsaankondiging’, ook bij de tweede en de derde (Matteüs 17,22-23; 20,17-19). Zo worden we meteen op de weg gezet van ‘je bezighouden met de dingen van God/wat God wil’. Ménsen willen immers dat de Messias, de Zoon van God, sterft. Gód wil dat Jezus leeft en doorgaat met zijn opdracht in de wereld. God laat zijn werk en zijn Koninkrijk echt niet doodlopen omdat mensen de Gezalfde ombrengen.

‘Achter mij!’

Petrus wil gewoon dat de Messias, de zoon van de levende God, blijft leven, nu. ‘Ga weg, achter Mij, satan!’ zegt Jezus tegen hem. Petrus brengt Hem in verzoeking zijn leven te redden door zijn opdracht uit de hemel te verzaken – net als eens in de woestijn satan zelf. Ook nu zwicht Jezus niet. ‘Ga weg, achter Mij!’ Hij stuurt Petrus niet weg, maar terug naar de plaats waar hij hoort: achter Jezus aan. Meteen laat Jezus aan al zijn leerlingen zien wat het betekent als je zijn volgeling wilt zijn. Als je dat wilt, dan zal jouw weg dezelfde zijn als de weg van de Messias: lijden en dood – en opstanding uit de doden.

Jezelf verloochenen, dat is het eerste. Dat betekent niet dat je jezelf maar moet wegcijferen tot er niets van je over is. Het betekent dat je Jézus niet moet verloochenen als jij in de knel komt, als je leven misschien gevaar loopt omdat je Hem volgt. Dat was soms de dagelijkse werkelijkheid voor de christenen in het oude Rome. Een rechtbank eiste dat je zei: ‘Niet Jezus is mijn Heer – de keizer is mijn Heer! Zeg je dat niet? Dan vergaat het jou net zoals jouw Heer!’

Zo kon voor hen ook het ‘kruisdragen’ een harde werkelijkheid worden. Het evangelie bedoelt niet dat je het lijden dat je overkomt maar moet dragen als een ‘kruis’ dat de hemel je zendt. Ook hier geldt: laat je niet weglokken van de weg achter de Messias aan. Die weg kun je gaan in naam van de Heer, met al de gaven en gebreken van jouw leven in zijn dienst. Het kan door diepe dalen gaan, je kunt in doodsnood raken, maar je eindigt levend, net als Jezus.

In LB 941 zijn we bij iemand die Jezus volgt en beleeft hoe ‘je leven verliezen’ betekent ‘je leven behouden’. Heel het oude vertrouwde leven is weggenomen. Toch weet hij: dit is de weg van Jezus, de weg van het leven. Wie ook de platgetreden maar veilige paden moet verlaten omwille van de Heer, is dit lied uit het hart gegrepen en op het lijf geschreven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken