Menu

Premium

De neergang van Davids koningschap

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij 2 Samuel 15,1-12 en 1 Petrus 1,22-2,10

Op de twee laatste zondagen van de Veertigdagentijd, de ‘Passie-zondagen’ Judica en Palmarum, lezen wij een verhaal vol passie en tragiek uit de Davidsgeschiedenis. 2 Samuel 15 is een verhaal over vaders en zonen en over ouderschap. Tevens lijkt de schrijver impliciet de vraag aan de orde te stellen of er een verband is tussen deze gebeurtenissen en Davids zonde met Batseba. Uitgestelde straf? Tegelijkertijd is het een verhaal over de neergang van het koningschap van de grootste koning die Israël ooit gekend heeft.

Dat koningschap begint in 2 Samuel 5, wanneer alle stammen David tot koning zalven. Daarna gaat het snel in opwaartse lijn: ‘En David nam steeds toe in grootheid en de Ene, God der heirscharen, was met hem’ (2 Sam. 5,10). David brengt de ark naar Jeruzalem terug, boekt grote militaire successen en handhaaft recht en gerechtigheid in het land (2 Sam. 8,15). Kortom: hij beantwoordt aan zijn roeping als messiaanse koning. Maar daarna lijkt het hoogtepunt gepasseerd te zijn. Een van de factoren is dat er inmiddels een ingewikkeld netwerk van relaties en machtsfactoren is ontstaan binnen het koninkrijk – onder andere rondom de afstammelingen van Saul, de ‘zaak Mefiboset’ – en het is de vraag of David als koning in staat is dat allemaal in de hand te houden. Daarnaast rijdt David zelf sociaal en godsdienstig gezien een buitengewoon scheve schaats in zijn affaire met Batseba – die dan ook niet zonder gevolgen blijft, ook al heeft de Ene volgens de profeet ‘zijn zonde voorbij laten gaan’ (2 Sam. 12,13): David zelf zal niet sterven.

Ontsporende zonen

Daarna beginnen de zonen van David uit de pas te lopen. Het begint met de affaire van zoon Amnon met zijn halfzus Tamar (2 Sam. 13). Amnon is smoorverliefd en begeert haar vanwege haar schoonheid. Hij weet haar via een list – met toestemming van David zelf – in zijn slaapkamer te krijgen. Ondanks haar smeekbeden om eerst naar behoren de koning om haar hand te vragen, zodat haar verhouding met hem tenminste gelegaliseerd zal zijn, dwingt Amnon haar om ter plekke meteen het bed met hem te delen. Direct na de daad slaat zijn verliefdheid echter om in afkeer; liefde en haat liggen helaas dicht bij elkaar. Hij laat zijn bedienden Tamar op straat zetten en de deur achter haar vergrendelen (2 Sam. 13,17). Nu komt Absalom, de broer van Tamar, ten tonele. Tamar zoekt haar toevlucht in het huis van deze broer. Is koning David zelf op zijn zachtst gezegd ontstemd over de gang van zaken, Absalom haat Amnon met een zeer diepe haat vanwege de vernedering die zijn zuster Tamar is aangedaan. Hij doodt Amnon en moet daarna vluchten voor zijn vader. Het familiedrama is in gang gezet. We zien hoe David zijn kinderen één voor één verliest en niet meer bij machte lijkt om noch de dynastie, noch het eens zo bloeiende rijk in stand te houden. Absalom is naar het noorden gevlucht en oefent daar invloed uit, en David laat hem begaan. Hij lijkt al zijn doortastendheid van vroeger verloren te hebben.

Zoon tegen vader

In 2 Samuel 15,1-12 lezen we hoe Absalom, inmiddels weer in genade aangenomen en in het paleis in Jeruzalem woonachtig, een opstand tegen David voorbereidt. Daarbij gaat hij zeer gewiekst te werk. Hij zit dagelijks in de stadspoort en weet daar in het gevlei te komen bij het volk, dat naar de koning toekomt om rechtspraak. Hij geeft ze heel persoonlijke aandacht (2 Sam. 15,1): ‘Hij sprak iedereen aan die op weg was naar de koning om een uitspraak te vragen in een rechtsgeschil en vroeg ze: Waar komt u vandaan?’ en maakt ze vervolgens diets dat ze bij de koning beslist geen gehoor zullen vinden. Was hij, Absalom, maar koning…! En wanneer ze zich eerbiedig voor hem willen neerbuigen, omarmt hij ze hartelijk alsof ze zijn vrienden en niet zijn onderdanen zijn. Zo palmt hij het volk in (2 Sam. 15,6). Vier jaar later is zijn positie zo sterk geworden dat hij daadwerkelijk een staatsgreep durft te plegen. Absalom gaat – wederom met medeweten van David! – naar Hebron ‘om een gelofte na te komen’. Hebron is de plaats waar David zelf tot koning is gezalfd, maar er gaat geen belletje rinkelen in het paleis, noch bij David zelf, noch bij zijn raadgevers.

Dat is niet zo vreemd als het misschien lijkt. De loyaliteit van de bevolking in het noorden met Absalom zal in het paleis bekend geweest zijn, en als Absalom nu naar het zuiden gaat, lijkt dat echt alleen een zaak van godsdienstige aard, dus zonder mogelijke politieke gevolgen.

De kring gesloten?

Niets is minder waar. De gehele bevolking van Israël wordt middels handlangers opgeroepen om Absalom als koning te erkennen. Een openlijke samenzwering tegen het koningschap van David is een feit. David vlucht. Oude tijden lijken terug te keren en de geschiedenis lijkt zich te herhalen. Ooit moest David vluchten voor Saul, de koning die hem als een zoon had bemind; nu vlucht hij, de koning, voor zijn eigen zoon. Macht is snel gewonnen maar al even snel verloren, en trouw op de lange duur lijkt een loos begrip. Mensen gokken graag op een populist die hun naar de mond praat, zoals Absalom. Een verhaal van alle tijden (deze exegese werd geschreven voor de verkiezingen van september 2012, toen de campagnes in alle hevigheid waren losgebarsten).

Is er een moraal in dit verhaal te vinden? Wordt het oude liedje alleen maar herhaald tot het definitief spaak loopt? Of kan het anders? Op deze eerste Passiezondag, twee weken nog tot Pasen, lezen we hoe Petrus in zijn brief Jesaja (28,16) citeert: ‘In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit’ (1 Petr. 2,6). Wie oren heeft om te horen, die hore!

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken