De oude Mozes in het Psalter
Als de oude Mozes na veertig jaar de tocht door de woestijn ten einde heeft gevoerd, heeft hij de leeftijd bereikt van het drievoudige van die woestijnreis: honderdtwintig jaar. Zijn ogen waren niet verzwakt, meldt de verteller. Anders gezegd, hij kon vanaf de Nebo heel goed zien wat bijna niemand ooit te zien gekregen heeft, daar en toen niet, nergens en nooit. Eerder schreef ik over deze visionaire vertelling al iets in Interpretatie 13/8. Aan het verhaal, in Deuteronomium 34, gaan twee lange poëtische stukken vooraf. Het eerste staat bekend als ‘het lied van Mozes’, het tweede als ‘de zegen van Mozes’: Deuteronomium 32 en 33. Beide teksten zijn echt oud, in een verheven Oudhebreeuws geschreven, ook thematisch interessant. Ik ga daar niet op in, wijs alleen op twee bijzondere uitspraken. De ene is de omschrijving van Mozes als hij de stammen van Israël gaat zegenen: ‘Mozes, de man Gods’, Deuteronomium 33:1. De andere staat aan het slot van de inleiding op die zegeningen, in vers 5.