Menu

Premium

De Protestantse Kerk in Nederland en het oud-kerkelijk Credo

De betekenis van de oud-kerkelijke traditie is binnen de internationale oecumene volop onderwerp van gesprek. Dat geldt zowel voor de bezinning in het kader van Faith and Order, het breedste gespreksforum, als bijvoorbeeld voor de bilaterale dialogen. Tegen de achtergrond van enkele actuele voorbeelden van deze discussie wordt de vraag interessant, welke rol de oudkerkelijke traditie feitelijk speelt binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Dan komt vooral de plaats van het oud-kerkelijk Credo in de kerkorde in een ander licht te staan.

Tradition and traditions

Als het gaat om de internationale oecumenisch-theologische bezinning is de Faith and Order Commission van de Wereldraad van Kerken nog altijd verreweg het meest representatieve orgaan. Niet alleen alle in de Wereldraad zelf vertegenwoordigde confessionele families – vooral protestanten in alle soorten en maten, en Oosters- en Orientaals-Orthodoxen – zijn daarbinnen met elkaar in gesprek, maar ook de Rooms-Katholieke Kerk is volledig lid van deze commissie, en ook vanuit de Pinksterbeweging en de evangelicale geloofsgemeenschappen wordt aan het werk deelgenomen.

Een van de drie grote studieprojecten waarmee Faith and Order zich in deze jaren bezighoudt, betreft ‘Tradition and traditions – Sources of Authority for the Church’.[1][2] Het onderscheid tussen ‘Tradition’ met een hoofdletter en ‘traditions’ met een kleine letter heeft sinds de vierde Wereldconferentie van Faith and Order (Montreal 1963) een vaste plek in het oecumenisch-theologisch spraakgebruik. Bij ‘Tradition’ gaat het om het door de heilige Geest bewerkte doorgeven van het Evangelie door de eeuwen heen, bij ‘traditions’ denken we aan de afzonderlijke kerkelijke en confessionele tradities die nooit samenvallen met de Traditie, maar wel als instrumenten in het doorgeefproces beschouwd kunnen worden. Het nu lopende studieproces focust op de vraag naar het gezag van bepaalde bronnen in dat proces. Dat de Schrift gezag heeft, zal algemeen worden erkend, maar welk gezag hebben andere documenten daarnaast – en wat betekent dat uiteindelijk voor het Schriftgezag?

Eenmaal per zeven jaar vergadert de Plenary Commission van Faith and Order. De meest recente ontmoeting vond plaats op Kreta, in oktober 2009. De stand van zaken in de lopende studieprojecten werd geëvalueerd. Maar belangrijker was feitelijk de wijze waarop in intensieve groepsdiscussies getracht werd een eigen bijdrage aan deze projecten te leveren. Mij is het werken aan het traditie-project het meest bijgebleven. Een tekst van een onder ons minder bekende kerkvader, Isaac van Nineveh, vormde het uitgangspunt voor een gesprek over de vraag: in welke zin heeft deze tekst voor jou (en jouw traditie) gezag? Het was boeiend om als het ware ‘aan den lijve te ervaren’ hoe voor de Oosterse kerken de Patres en de Schriften in onderling verband worden gelezen en verstaan: inhoudelijk bestaat immers een groot deel van de patristische geschriften uit directe verwijzingen naar de Bijbelse geschriften. En men realiseert zich tegelijk dat gedurende de eerste eeuwen de canon van nieuwtestamentische geschriften nog open was.

Onderscheidingsvermogen

Naast de multilaterale dialoog onder auspiciën van Faith and Order zijn er tal van bilaterale dialogen, waarin steeds twee, soms drie confessionele families met elkaar in gesprek zijn. Deze dialogen kunnen uiteraard dieper ingaan op voor de betrokken tradities meer specifieke vragen.

Met veel interesse en plezier heb ik deel uitgemaakt van de derde dialoogronde tussen de Rooms-Katholieke Kerk, vertegenwoordigd door het Vaticaan, en de WARC,[3] in de jaren 1998- die gesprekken en in het daaruit voortkomende document[4] komen vergelijkbare vragen op een heel andere manier in beeld. Primair ging het in de dialoog om de vraag hoe de kerk als gemeenschap getuigt van het koninkrijk van God. Een belangrijk discussiepunt lag daarbij in de vraag, hoe de kerk iets van het koninkrijk Gods kan onderscheiden in de gecompliceerde werkelijkheid van onze wereld. Alles draaide dus om ‘discernment’,[5] om onderscheidingsvermogen. Waar haalt men de maatstaven vandaan om te onderscheiden, en hoe doet men dat dan? Het rapport spreekt over bronnen van onderscheiding en over patronen van onderscheiding. Het laatste betreft meer het gezag van kerkelijke instanties, het eerste het gezag van de bronnen zelf. Dan komen Schrift en traditie direct in beeld, maar die niet alleen. Hoewel het in deze dialoog in het bijzonder ging om maatschappelijke en politieke vraagstukken, geldt wat gezegd wordt over de manier waarop onderscheiden wordt – dat is: waarop wordt vastgesteld wat ‘waar’ en ‘echt’ is – evenzeer voor geloofsvragen die eerder in het vlak van de dogmatiek dan van de ethiek liggen. Later kom ik daarop nog terug. Voordien wil ik een globaal beeld schetsen van de rol van het oud-kerkelijk Credo in ons kerkelijk leven.

Een herkenbaar beeld

De oud-kerkelijke traditie is in de Protestantse Kerk in Nederland eigenlijk uitsluitend een levende werkelijkheid – voor zover dat trouwens gezegd kan worden – door de drie oecumenische symbolen, genoemd in artikel I lid 4 van de kerkorde, de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea en de Geloofsbelijdenis van Athanasius.De betekenis die deze documenten hebben in het kerkelijk leven in de Protestantse Kerk in Nederland, laat zich eenvoudig beschrijven. De meeste lezers, afkomstig uit de calvinistische traditie binnen de Protestantse Kerk in Nederland, zullen het volgende beeld wel herkennen.

In de liturgie heeft in de praktijk vooral de Apostolische Geloofsbelijdenis een plaats. Vanouds wordt deze in de zondagavonddiensten gelezen of – de laatste jaren steeds vaker – gezongen. Naarmate in meer gemeenten de avonddiensten vervallen, krijgt dit Apostolicum soms een vaste plaats in de morgendienst, maar dikwijls ook niet. Dan klinken deze woorden veelal alleen nog in die morgendiensten waarin de doop wordt bediend of het heilig avondmaal wordt gevierd. Het Dienstboek van de Protestantse Kerk in Nederland geeft de Apostolische Geloofsbelijdenis een vaste plaats in de doopliturgie,[6] en in de orde van dienst bij het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis.[7]

De Geloofsbelijdenis van Nicea werd vanouds in avonddiensten nog wel eens gelezen ‘voor de afwisseling’, in plaats van de Apostolische Geloofsbelijdenis, en dan in het bijzonder bij meer feestelijke diensten, zoals de dienst op de avond van Eerste Kerstdag of Eerste Paasdag. Volgens het eerste deel van het Dienstboek zou het Nicenum – overeenkomstig de oude liturgische traditie – gelezen of gezongen moeten worden in de avondmaalsdiensten,[8] maar dit is zeker geen algemeen gebruik. Over de Geloofsbelijdenis van Athanasius kan ik kort zijn: die is feitelijk totaal in onbruik geraakt, en zal sporadisch nog wel eens in een kerkdienst gelezen worden als alternatief voor de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Het laatstgenoemde symbool staat ook in de catechese centraal, voor zover daarin wordt teruggegrepen op de oud-kerkelijke symbolen. Niet alleen de Catechismus van Heidelberg behandelt de inhoud van het geloof door middel van een toelichting op de achtereenvolgende elementen van Apostolische Geloofsbelijdenis;[9] dezelfde structuur vinden we ook in de Catechismus van Luther[10] en de veel minder bekende Catechismus van Genève,[11] die alleen bij de Waalse gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland in gebruik is. Let wel, ‘voor zover in de catechese wordt teruggegrepen op de oud-kerkelijke symbolen’. Vandaag de dag wordt bij mijn weten in de catechese in het algemeen nauwelijks nog direct gebruik gemaakt van deze catechetische geschriften uit de Reformatietijd. Mogelijk zijn bepaalde moderne catechisatiemethodes er qua structuur nog wel op gebaseerd.

Voor de andere kerken binnen de gereformeerde gezindte in Nederland zal wat hierboven als de klassieke praktijk staat omschreven, vaak nog wel opgaan. Moeilijker is het zich een beeld te vormen van de praktijk in de wereldwijde protestantse traditie. Immers, niemand is bevoegd en in staat voor die traditie als geheel te spreken, nog afgezien van het feit dat ‘het protestantisme’ op tal van manieren gedefinieerd kan worden. Het kent in elk geval geen internationale organisatie met een Vaticaan als haar universele spreekbuis: organisaties als de World Communion of Reformed Churches en de Lutheran World Federation hebben geen ook maar enigszins vergelijkbare rol. Maar vanuit de genoemde bilaterale dialoog tussen gereformeerden en katholieken valt wel iets te zeggen.

Ik doe dat door aandacht te besteden aan twee klassieke gereformeerde adagia, nl. sola Scriptura en ecclesia reformata semper reformanda. De leus sola Scriptura -‘door de Schrift alleen’ – lijkt een principiële relativering van elk ander document en dus ook van de oud-kerkelijke symbolen te impliceren. En ecclesia reformata semper reformanda – de kerk is hervormd om altijd weer hervormd te worden – wijst eerder op de noodzaak van een blijvende oriëntatie op mogelijke veranderingen in de toekomst dan op die van een heroriëntatie op de kerk van de eerste eeuwen. Het zijn twee kanten van één medaille.

Sola Scriptura

Zoals gezegd spreekt het dialoograpport achtereenvolgens over bronnen van onderscheiding en over patronen van onderscheiding. Hier is vooral wat gezegd wordt over de bronnen relevant.

Verschillende bronnen spelen een rol, zoals het Woord van God, de Heilige Schrift, de traditie, maar ook de stem van de armen en het getuigenis van mensen van goede wil die geen christen zijn. Maar er zijn belangrijke verschillen in de rol die deze bronnen spelen. Hoe het in de katholieke traditie precies werkt laat ik hier onbesproken, maar het is denk ik verhelderend hier te citeren hoe in het rapport gesproken wordt over de kenmerken van de gereformeerde traditie in het omgaan met de verschillende ‘bronnen van onderscheiding’.

Het sola Scriptura komt in de betrokken paragraaf direct in beeld. Ik citeer:

“The Reformed tradition is well known for its insistence that, in the last analysis, it is only Scripture, read and understood in specific times and places, by people and church assemblies marked by those times and places, that can be the final authority in the communal discernment process. This is not to say that Scripture is the only authority, but it is the ultimate authority. The pattern of discernment regularly emerges from the dialogue between Scripture and life. New insights may emerge when Scripture is read with new eyes or when contradictions appear between certain conditions of life, on the one hand, and the received interpretation of Scripture, on the other. Such discernment is also enriched by the witness of other traditions within the Christian faith and beyond. The fact that Scripture alone has the authority of Jesus Christ in the church means that the other authorities from the past – the creeds and conciliar decisions of the “undivided” church and the recorded convictions of those adjudged to be “fathers”, as well as the pre-eminent confessions of the Reformed churches themselves – can be regarded only as “subordinate standards”. The degree to which these speak in conformity with Holy Scripture is the degree to which they have authority. Reformed believers see such an approach as the proper way to give due place to the Word of God”.[12]

‘Alleen de Schrift’ heeft het uiteindelijke gezag – zo klinkt het direct bij de inzet van deze paragraaf. Dat de Schrift altijd in een historisch en contextueel bepaalde situatie gelezen en geïnterpreteerd wordt, doet daar niet aan af – integendeel! Het gaat immers niet om een tijdloze letter, maar om de levende stem van het Evangelie dat hier en nu verkondigd wordt. Zó wil de Heer bij ons zijn. De Schrift, en alleen de Schrift, heeft het gezag van Jezus Christus in de kerk.

Daarmee zijn andere bronnen van waarheid en echtheid niet van tafel, maar ze zijn wel principieel ondergeschikt aan de Schrift. Er word een aantal andere bronnen genoemd: voorop (!) het getuigenis van andere tradities binnen het christelijk geloof en daarbuiten, dan de ‘andere autoriteiten van het verleden’ zoals de Credo’s en conciliaire beslissingen van de ‘ongedeelde’ kerk, de kerkvaders, en de gereformeerde belijdenisgeschriften. Hun gezag wordt bepaald – en beperkt – door de mate waarin ze in overeenstemming zijn met de Heilige Schrift.

Natuurlijk zijn daarbij heel wat vragen te stellen. Dat is gebeurd in de dialoogcommissie, vooral maar zeker niet alleen vanuit rooms-katholieke hoek, en dat vindt men terug in het rapport. Ik noem er enkele:

  • wordt hiermee niet elke historische continuïteit in de leer van de kerk ondermijnd?

  • zet deze benadering de deur niet wijd open voor volstrekt individualisme?

  • ligt hier niet de hoofdoorzaak voor de versplintering van de gereformeerde traditie in tal van grote en kleine kerkgenootschappen?

  • is de Schrift wel zo duidelijk als de gereformeerde traditie graag heeft gesteld?

  • en vooral: is deze positie in het licht van wat we nu weten over de ingewikkeldheid van tekstinterpretatie (het ‘hermeneutische vraagstuk’) inmiddels niet volstrekt onhoudbaar?

Het zijn stuk voor stuk vragen die gereformeerden te denken moeten geven, en dat doen ze ook. Toch laat ik ze onbesproken, omdat het me gaat om de plaats van het oud-kerkelijk Credo in deze traditie: dat is dus die van een aan de Schrift zelf ondergeschikte bron van waarheid en echtheid.

Daarin staan oud-kerkelijk Credo en reformatorische belijdenisgeschriften op hetzelfde ondergeschikte niveau. In de praktijk was er echter wel altijd een verschil. Over het oud-kerkelijk Credo was men het bij mijn weten altijd wel eens: ik weet niet van grote discussies of conflicten in de gereformeerde traditie over de inhoud en draagwijdte van bijvoorbeeld het Apostolicum. Dat lag anders bij de reformatorische belijdenisgeschriften. Die hebben veelvuldig aanleiding gegeven tot spanning. Eigenlijk was de vraag steeds weer: zijn ze maatgevend omdat ze in overeenstemming zijn met de Schrift (wat dan als het ware bij voorbaat vast staat), of voor zover ze in overeenstemming zijn met de Schrift (wat dan steeds maar weer de vraag is!). Is het ‘omdat’, dan dreigt het beroep op de Schrift zelf overbodig te worden, en dan neemt dit stukje traditie al gauw de plaats van de Schrift in. Is het ‘voor zover’, dan moet onmiddellijk de vraag gesteld worden, hoe men dan bepaalt of een bepaalde gedachte in een belijdenisgeschrift in overeenstemming is met het getuigenis van de Schrift.

Ecclesia reformata semper reformanda

De andere kant van dezelfde medaille is gegeven met de leuze: Ecclesia reformata semper reformanda: de kerk is hervormd (of ge-reformeerd) om altijd weer hervormd te worden. Die gedachte bepaalt – althans officieel! – ook de wijze waarop de gereformeerden met hun eigen traditie omgaan: in beginsel kan alles – in het nieuwe licht van de Schrift – anders moeten dan het is geweest.

Van Ruler heeft dit beginsel met recht en reden op zijn eigen wijze nogal gerelativeerd. Er zit in een reformatie ‘iets tumultueus’, zegt hij, en vervolgt:

“Daarom is de leuze ‘ecclesia reformanda quia reformata’ (…) ook zo diep aanvechtbaar. Natuurlijk, er zal altijd vernieuwing, verfrissing, zuivering nodig zijn in de kerk. Er zit ontwikkeling in de geschiedenis, ook in de kerkgeschiedenis. En de kerk moet zien mee te komen met deze ontwikkeling, anders haalt zij het eschaton, de toekomst van Jezus Christus niet. Maar moet dat altijd en elk ogenblik in die verschrikkelijke zin van de Reformatie van de zestiende eeuw? Moeten elk jaar de gezagsinstanties verbroken worden? Dat is geen geringe zaak! Dat is een ontzettende zaak, als het echt nodig is! De kerk mag wel bidden: spaar ons voor een nieuwe Luther”.[13]

Maar in de praktijk ligt het veeleer omgekeerd: gereformeerden zijn veelal evenzeer geneigd tot behoudzucht als andere mensen, en niet zelden bepaalt zulk conservatisme eerder de uitleg van de Schrift dan dat een nieuw verstaan van de Schrift leidt tot vernieuwing van de kerk. Het lastige is in de gereformeerde traditie ook altijd geweest, dat hoe dan ook onmiddellijk naar de Bijbel werd gegrepen: die moest als bewijs dienen dat de omstreden verandering of vernieuwing wel of juist niet Bijbels te verantwoorden was, waarbij soms heel wat inlegkunde in plaats van uitlegkunde werd toegepast.

Overigens is er ook een andere kant: gereformeerde kerken zijn meer dan kerken in andere tradities in staat gebleken om deel te nemen aan kerk- verenigingsprocessen en daarbij soms in verregaande mate afstand te doen van vertrouwde vormen en gewoonten! Bij verreweg de meeste kerkverenigingen die wereldwijd de laatste decennia hebben plaatsgevonden, waren calvinistische kerken betrokken. Dat heeft met dat semper reformanda alles te maken.

Revisibele confessie?

Opnieuw spits ik de vraag toe op de Credo’s en de belijdenisgeschriften. Principieel betekende het semper reformanda, dat ook zulke belangrijke kerkelijke documenten veranderd kunnen (moeten) worden. Ze zijn, zoals dat heet, ‘revisibel’. En het is ook mogelijk dat andere, nieuwere documenten op hetzelfde niveau worden geplaatst. Bij beide aspecten plaats ik een enkele kanttekening.

Wijziging van de tekst van de oud-kerkelijke symbolen is in onze traditie bij mijn weten nooit aan de orde geweest. Zelfs de kwestie van het eventueel schrappen van het ‘filioque’ in de Geloofsbelijdenis van Nicea heeft nooit op een synodale agenda gestaan – en misschien is dat wel jammer.[14]

Met wijziging van de tekst van een reformatorisch belijdenisgeschrift is wél ervaring opgedaan. In 1905 schrapte de synode van de GKN een zinsnede uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, over de overheid, omdat deze werd ervaren als in strijd met moderne opvattingen over godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat.[15] Uitgangspunt van het betreffende artikel is dat God overheden heeft ingesteld om de ongebondenheid van de mensen te laten bedwingen en alles in goede orde te laten toegaan. De daarop volgende woorden hebben in de latere geschiedenis een grote rol gespeeld. De oorspronkelijke Nederlandse vertaling van de Franse tekst die eraan ten grondslag ligt, luidde (licht aangepast aan de huidige spelling):

“En haar ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan de heiligen kerkendienst, * om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen *, en het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het Woord van het evangelie overal te doen prediken, opdat God van een ieder geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn woord gebiedt”.[16]

De tussen asterisken geplaatste woorden werden door de synode van 1905 geschrapt.[17] Een eeuw later werd deze beslissing ongedaan gemaakt, met het oog op het samengaan met NHK en ELK in de Protestantse Kerk in Nederland, maar vooral vanuit het besef dat men historische documenten niet zo maar kan aanpassen aan nieuwere inzichten. Een interpretatie in historisch perspectief verdient de voorkeur boven een aanpassing van de oorspronkelijke tekst aan het heden.

De mogelijkheid bestaat ook dat andere, nieuwere documenten een zelfde plaats krijgen toegemeten als de reformatorische belijdenisgeschriften. In 1986 aanvaardde een Zuid-Afrikaanse gereformeerde zusterkerk uit de kleurlingengemeenschap, de toenmalige Nederduits Gereformeerde Sendingkerk, een nieuwe confessie, de Belijdenis van Belhar. Verschillende andere kerken, waaronder de Verenigde Protestantse Kerk in België, namen die confessie over, ieder op eigen wijze. In de Protestantse Kerk in Nederland staat de vraag welke rol de ‘Belhar’ kan spelen sinds tien jaar op de synodale agenda – of eigenlijk ondanks een tien jaar oude afspraak nog altijd niet! Voor het meer behoudende deel van de kerk is de principiële mogelijkheid van een nieuw belijdenisgeschrift een puur theoretische: men kan zich feitelijk niet indenken dat aan de reformatorische belijdenisgeschriften nog iets toe te voegen zou zijn.

Zowel de gedachte dat belijdenisgeschriften kunnen worden gewijzigd als die dat nieuwe belijdenisgeschriften kunnen worden aanvaard, wijst niettemin op een principiële openheid voor verandering in de gereformeerde traditie en kerkvisie. Ik citeer opnieuw een passage uit het eerder genoemde dialoograpport:

“Reformed people may commit themselves to new interpretations and expressions of the Christian faith, provided these new claims conform to the message of the Scripture, communally interpreted in dialogue with the Reformed tradition. This Reformed position shows a clear awareness of the presence of the Holy Spirit. In the Reformed understanding, church assemblies play a decisive role in discerning, but Reformed Christians know that all ecclesial statements are subject to revision and all institutions are subject to reform, because of the continuing guidance of the Holy Spirit through history. This is precisely the reason why all believers, themselves prophets, priests and kings (servants), are called to become mature in their own faith and able to discern and judge for themselves in all spiritual matters. Ultimately, this is the rationale behind the conciliar system of church governance, widely spread through Reformed churches”.[18]

Verandering is mogelijk: juist het besef van de aanwezigheid en leiding van de heilige Geest is hierin van doorslaggevend belang. Iedere gelovige is hierin geroepen tot verantwoordelijkheid. Dat kan neigen naar het eerder genoemde individualisme, maar het heeft in elk geval ook doorgewerkt in een grote nadruk op gezamenlijk beraad, tot in de kerkelijke structuur toe!

Artikel I van de kerkorde

Om te laten zien hoe de zaken er vandaag voorstaan, ga ik ten slotte in op artikel I van de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland.

In lid 4 vindt men de door mij reeds genoemde documenten terug: de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea en de Geloofsbelijdenis van Athanasius, de Catechismus van Heidelberg, de Catechismus van Genève en de Catechismus van Luther. En dan ook nog de voor het wereldwijde Lutheranisme maatgevende Onveranderde Augsburgse Confessie, alsmede de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Zo dadelijk wil ik op de verhouding tussen deze documenten dieper ingaan, maar dat doe ik tegen de achtergrond van de daaraan voorafgaande kerkordebepalingen.

Elk van de drie kerken die in de Protestantse Kerk in Nederland zijn samengegaan – NHK, GKN en ELK – had haar eigen traditie en wijze van omgaan met het kerkelijk belijden. Artikel I van de Kerkorde doet een poging deze verschillen te overstijgen in een nieuw raamwerk voor de relatie van de kerk tot haar belijdende opdracht en de geschiedenis die daarin meekomt. Het woord ‘belijden’ of ‘belijdenis’ komt tienmaal voor in artikel I. De kern staat in lid 3: De kerk “belijdt (..) in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest”. Primair belijdt de kerk immers geen leer, maar een Ander, God. Dit belijden geschiedt, zo zegt vervolgens lid 4, “in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht, zoals die is verwoord” in de drie oecumenische symbolen en een zestal reformatorische confessies. In dit perspectief wordt vervolgens in lid 6 gesproken van het actuele belijden in het vieren, spreken en handelen van de kerk. Weer staat de persoonlijke relatie centraal: “De kerk belijdt (…) Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld, en roept daarmee op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat”. Artikel I sluit af met de zelf-verplichting te blijven in de weg van het belijden, en het belijden te toetsen bij het licht van de Heilige Schrift. Dat daarin een verwijzing ligt naar het sola Scriptura, is duidelijk.

Ik concentreer me op artikel I lid 4, waarin we drie aspecten kunnen onderscheiden. Het (1) actuele belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met (2) de belijdenis van het voorgeslacht die (3) verwoord is in de belijdenisgeschriften.

In de overgang van (1) belijden naar (2) de belijdenis van het voorgeslacht wordt een zekere ruimte gepostuleerd tussen het actuele belijden en de historische belijdenis. Vervolgens wordt binnen de belijdenis van het voorgeslacht een onderscheid gemaakt tussen de belijdenis en de geschreven confessie, de negen belijdenisgeschriften: de belijdenis gaat dus niet op in de confessies.

Over beiden stappen nog iets meer. Het (1) belijden van de kerk en (2) de belijdenis van het voorgeslacht vallen niet samen. De ‘belijdenis – niet: het belijden – van het voorgeslacht’ verwijst naar wat op bepaalde momenten in de geschiedenis van de kerk aan de orde was. Anders gezegd: het belijden is de doorgaande stroom van tweeduizend jaar christelijk geloof, een belijdenis vormt daarbinnen een stroomversnelling. Met ‘belijdenis’ wordt het besef ingebracht dat op bepaalde momenten noodzakelijk geachte beslissende keuzes zijn gemaakt, die in de confessies hun neerslag gevonden hebben. Er was sprake van een status confessionis, een situatie waarin naar de beleving van de betrokkenen de integriteit van het christelijk getuigenis op het spel stond. Christologische discussies leidden daarom in de jaren 325 en 381 tot de formulering van het Nicenum. De centrale vragen van de Reformatie leidden vervolgens tot het ontstaan van de zes genoemde reformatorische belijdenisgeschriften.

In de eerste eeuwen én in de zestiende/zeventiende eeuw ging het erom tegenover andere posities de kern van de zaak ter sprake brengen. Daarmee is dus een antithetisch element verbonden. Het is niet alleen een belijden vóór en van, maar dikwijls ook een belijden tégen. Dat geldt in de afwijzing van de Ariaanse visie op Jezus Christus in het Nicenum, en het geldt op centrale punten ook voor de gereformeerde en de lutherse Reformatie, die met twee fronten te maken had, de Rooms-Katholieke Kerk enerzijds en de doperse beweging anderzijds.

Maar met deze keuzes kan het laatste woord niet gezegd zijn. We moeten dus ook kritisch blijven omgaan met deze geschiedenis. Dat klinkt door in de openingswoorden van lid 4: “Het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht”. Het valt er niet mee samen. Uit de meest behoudende hoek van de kerk kwam bij de vaststelling van deze tekst de suggestie liever te zeggen ‘in overeenstemming met’, maar daarmee zou de noodzakelijke distantie miskend zijn. Historische beslissingen vallen nooit volstrekt samen met de geloofswaarheid – in de terminologie van Faith and Order: een traditie valt nooit samen met de Traditie. Daarmee zijn we bij de tweede stap. Want hoe bepaalt men dan wat tot die ‘belijdenis van het voorgeslacht’ behoort? Welnu, zegt lid 4, het gaat om de belijdenis van het voorgeslacht, ‘zoals die is verwoord in..’, en dan volgen de namen van negen documenten ‘waardoor de kerk zich verbonden weet met’ respectievelijk de algemene christelijke Kerk, de lutherse traditie en de gereformeerde traditie. De formulering ‘zoals die is verwoord’ maakt al duidelijk dat de vraag wat precies tot de belijdenis van het voorgeslacht behoort, niet met een simpele optelsom van documenten en teksten is te beantwoorden.

Confessie en traditie

In lid 4 valt tot twee maal toe het woord ‘traditie’, zoals we eerder zagen sleutelwoord in de oecumenische dialogen. Protestanten gebruiken die term overigens niet zo snel, vanuit een historisch verklaarbare maar in het licht van de oecumenische stand van zaken niet meer goed vol te houden vrees dat alleen daardoor al de traditie naast de Schrift komt te staan, in een soort concurrentieverhouding. Daarom spreken ze liever over ‘het belijden van de kerk’. Toch vinden we de term ‘traditie’ hier, en een aantal malen ook in de aan deze Kerkorde ondergeschikte ordinantiebepalingen.

Door middel van twee lutherse en vier calvinistische belijdenisgeschriften weet de Protestantse Kerk in Nederland zich ‘verbonden’ met de lutherse traditie en de gereformeerde traditie. In lid 5 worden nog twee documenten genoemd die van belang zijn voor het belijden in het heden, de Theologische Verklaring van Barmen en de Konkordie van Leuenberg, maar deze documenten staan op een ander, lager niveau dan de documenten van lid 4. Maar hoe ligt dat dan met de oud-kerkelijke symbolen?

Men zou kunnen verwachten dat de kerkorde, als het gaat om de plaats van de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea en de Geloofsbelijdenis van Athanasius, zou spreken van een verbondenheid met bijvoorbeeld ‘de kerk (met een kleine letter) van de eerste eeuwen’. De belijdenis van het voorgeslacht is dan primair datgene wat door de eerste generaties in de kerkgeschiedenis, in de strijd rond triniteitsleer en christologie, wegens het bestaan van een status confessionis, als de kern van de zaak van het geloof werd vastgelegd. Parallel met de formulering inzake de lutherse traditie en de gereformeerde traditie zou ook een tekst als ‘verbonden met de gemeenschappelijke oecumenische traditie’ denkbaar zijn. Maar de woordkeus is anders, en niet toevallig, lijkt me.

Artikel I lid 4 spreekt van de Protestantse Kerk in Nederland als een kerk die ‘zich verbonden weet met de algemene christelijke Kerk’, met een hoofdletter! Ook die hoofdletter is bewust gekozen, en duidt op de kerk van het geloof, de una sancta. Zo wordt de geschiedenis van de eerste eeuwen nader gekwalificeerd. Het is niet slechts een significante periode in de kerkgeschiedenis, het betreft een formatieve periode van de wordingsgeschiedenis van de kerk, waarin beslissingen zijn genomen die op een ander niveau staan dan bijvoorbeeld de leerbeslissingen in de Reformatie. De oude kerk was, in het op formule brengen van het oud-kerkelijke dogma, in zekere zin méér ‘gestalte van de una sancta’ – om de terminologie uit lid 1 te gebruiken – dan welke kerk uit later tijd ook. De daaruit voortgekomen oecumenische symbolen hebben een meerwaarde ten opzichte van alle latere confessies en leeruitspraken. Dat roept wel de vraag op, of en in welke mate die meerwaarde dan ook niet zou gelden voor de oud-kerkelijke liturgie (het Dienstboek wijst wel enigszins in die richting), de oud-kerkelijke theologie (meer protestantse aandacht voor de Patres?) en de oud-kerkelijke kerkorde (!).

De oecumenische symbolen verbinden de Protestantse Kerk in Nederland tegelijk, synchroon, met de grote meerderheid van de andere kerken wereldwijd; daarbij blijkt in de praktijk van de internationale oecumene niet de Apostolische Geloofsbelijdenis maar de Geloofsbelijdenis van Nicea de meest significante rol te spelen, als oecumenisch symbolum bij uitstek. De kerkorde toont zich daarmee gevoelig voor een beroep op de bijzondere betekenis van de oude kerk voor het belijdend kerk zijn vandaag – in vieren, spreken en handelen.

Concluderend, voor oud-kerkelijke symbolen én voor reformatorische confessies geldt: de belijdenis gaat niet op in de teksten. Als wordt gesproken over ‘de belijdenis’, wordt daarmee het besef ingebracht van een op een specifiek moment noodzakelijk geachte beslissende keuze, die in symbolen en confessies zijn neerslag gevonden heeft. Maar kennelijk kent de Protestantse Kerk in Nederland aan de historische ontwikkelingen in de oude kerk toch een ander normatief gewicht toe dan aan de confessies die zijn geboren uit de Reformatie. De laatste staan voor de verbondenheid met twee specifieke, confessionele, reformatorische tradities, maar de eerste staan voor meer!

De verbondenheid met de lutherse traditie en de gereformeerde traditie kleurt het belijden van de kerk nader in, door te wijzen op twee specifieke confessionele wortels in de Reformatie. De belijdenis van het voorgeslacht zoals die is verwoord in de lutherse en de gereformeerde belijdenisgeschriften staat echter tegelijkertijd voor een als historisch noodzakelijk ervaren breuk met een groot deel van de wereldchristenheid. Het kan daarom niet om iets anders gaan dan om een voorlopige identiteit van een kerk als de Protestantse Kerk in Nederland: tot nader order is zij luthers en gereformeerd van karakter. Zo lang de daarin verwoorde belijdenis niet (al dan niet in oecumenisch beraad opnieuw geformuleerd) in de volle breedte van de oecumene kan worden erkend als voluit apostolisch, zal de Protestantse Kerk in Nederland zich van deze voorlopigheid bewust moeten zijn.

Maar de verbondenheid met de algemene christelijke Kerk, d.w.z. met de Kerk van Jezus Christus die zo veel verschillende gestalten heeft aangenomen, is van fundamenteler belang! Dat komt in de oud-kerkelijke symbolen tot uitdrukking.

En Lima dan?

Men hoort hier toch een wat ander geluid dan meer dan twintig jaar geleden, toen de toenmalige hervormde en gereformeerde synode gezamenlijk reageerden op de Lima-documenten, vooral met betrekking tot het ambt.

De Nederlandse rooms-katholieke bisschoppenconferentie formuleerde toen de kernvraag haarscherp: “Behoort het (…) niet tot het geloof van de Kerk door de eeuwen om de leiding van de heilige Geest te erkennen niet alleen bij het tot stand komen van de canon van het Nieuwe Testament en de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook bij het wordingsproces zowel van onze eredienst als van de kerkelijke bedieningen?”.

De gezamenlijke hervormde-gereformeerde reactie signaleerde daarentegen dat in het Lima-ambtsrapport “de historische ontwikkeling naar een meer algemeen aanvaard patroon van ambten, meer in het bijzonder naar het drievoudig ambt van bisschop, presbyter en diaken, een normatief gewicht krijgt dat historische ontwikkelingen niet toekomt”.[19][20]

De positie lijkt dus licht verschoven te zijn: er is meer openheid gegroeid voor de mogelijke relevantie van de oud-kerkelijke traditie. Maar daarbij moet wel worden aangetekend, dat de discussie rond het ambt en de apostolische successie vanuit protestants perspectief veel lastiger is dan die rond de oecumenische symbolen die wij samen hebben.

Misschien moet men zich hierbij tenslotte het volgende bedenken. De Catechismus van Heidelberg, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels worden samen vanouds aangeduid als de ‘Drie formulieren van Enigheid (= eenheid)’. De instemming met die geschriften werd veelal als bepalend gezien voor de eenheid van de gemeenten binnen één kerkverband. In die termen werd niet gesproken over de oud-kerkelijke symbolen! Natuurlijk hebben die nog veel meer een rol in de eenheid van de kerk, omdat ze immers over de eigen kerkgrenzen heen verbindend werken naar andere tradities. Maar ze zijn dus niet minder belangrijk, maar anders en in zekere zin meer, belangrijker.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken