De reikwijdte van de profetie
Alternatief bij 3e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 26,1-19)
Als alternatieve lezing staat vandaag een verheven en gedurfde lezing op het rooster. Verheven, want het is de Heer die de profeet Jeremia zendt om in de hof van het huis van de Eeuwige, de tempel, te profeteren. Gedurfd, omdat de profeet met zijn verkondiging niets minder doet dan zijn leven in de waagschaal stellen.
In deze lezing wordt de volle omvang zichtbaar van het werkterrein van de profeet. Aan de ene kant is er de verheven actie van Degene die hem heeft gezonden, met als doel het volk door hun ommekeer te redden (26,2). En aan de andere kant de lage reactie van degenen die Jeremia na zijn verkondiging vastgrijpen en roepen dat hij dood moet (26,8).
De rechtszaak
In het Dienstboek van de PKN en in het Oud-Katholiek Kerkboek wordt deze tekst gelezen op het feest van de martelaar Stefanus (26 december). Niettemin past ze ook prima in de Veertigdagentijd. Het is alsof we de roep ‘Kruisigt Hem’ hier al horen klinken. De evangelielezing van deze zondag positioneert Jezus immers net als Jeremia als een ware profeet in de tempel. Zijn woorden ‘Breek deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem weer opbouwen’ (Joh. 2,19) worden als aanklacht ingediend tegen Hem (Mat. 26,61) en weerklinken onder het kruis (Mat. 27,40).
Ook Jeremia komt na een doodsbedreiging voor een rechtbank te staan. De rechters zijn de vorsten van Juda. De priesters en profeten formuleren de aanklacht en eisen een doodvonnis. De aanklacht en de eis berusten op een uitleg van de Schrift dat iemand moet sterven als hij zich valselijk uitgeeft voor een profeet (vgl. Deut. 18,20). Valselijk profeteert iemand als hij niet de woorden verkondigt die de Heer heeft gesproken, maar woorden die hij zelf heeft verzonnen. Jeremia voert zijn eigen verdediging. Als verweer voert hij aan dat hij wel degelijk heeft verkondigd wat de Heer heeft gesproken. Juist omdat de woorden van de Heer aan Jeremia zo centraal staan in de bewijsvoering, dient in de verzen 2, 8, 12 en 16 het woordje ‘al’ (en ‘alle’) niet te worden wegvertaald, wat vaak het geval is.
In het wankele evenwicht van hoogte en diepte, van waarachtige en valse verkondiging, en van doodvonnis of vrijspraak, zijn twee zaken van groot gewicht: spreken en horen. Om te bepalen naar welke kant de balans van Vrouwe Justitia uitslaat, moeten twee zaken worden uitgezocht. Ten eerste: zijn al de woorden van de profeet door de Heer gesproken (of slechts een deel)? Ten tweede: zijn al de woorden van de profeet door de gemeente gehoord (of slechts een deel)? Het profeteren is pas volkomen wanneer de verkondiging in haar geheel is gesproken én aangenomen via het gehoor.
Pro en contra
De vorsten van Juda gaan zitten in het poorthuis om recht te spreken. Van hun afweging, het wikken en wegen van bewijzen pro en contra, worden we geen deelgenoot gemaakt. Hun uitspraak luidt kortweg: ‘Géén doodvonnis voor deze man, want in naam van de Ene, onze God heeft hij tot ons gesproken!’ (26,16). Het afwegen kunnen wij echter zelf ook doen. Wij wéten immers wat de Heer tegen Jeremia heeft gezegd. Dat lezen we in de verzen 2 tot 6, die een samenvatting zijn van de Tempelrede in Jeremia 7, en in de conclusie van Jeremia dat hij uitgesproken heeft ‘al wat de Ene had geboden tot heel de gemeente te spreken’ (26,8). In de ene weegschaal – die van het profetisch spreken – ontbreekt niets om de waarachtigheid van de profetie in twijfel te trekken.
Ook weten wij wat de priesters en profeten in de andere weegschaal – die van het horen – leggen (26,11). Daar blijkt veel aan te schorten. Want zij leggen daarin alleen het laatste deel van de profetie: dat de tempel wordt als Silo, en dat niemand meer overblijft in de stad. In Silo was ooit een tempel, waarin de cultus werd verboden vanwege de handel en wandel van de mensen van het Noordrijk (Efraïm). Een tempel waarin geen religieuze feesten meer kunnen worden gehouden, maakt de priesters en profeten die met hun dienst aan de tempel verbonden waren brodeloos.
Er zijn geen pelgrims meer. De stad raakt ontvolkt. Bij het horen van de vergelijking van de tempel en de stad Jeruzalem met Silo slaan de oren van de priesters en profeten dicht. Al het overige in de profetie van Jeremia van wat de Heer heeft gezegd – dat ze zich moeten omkeren van hun slechte handel en wandel – ontgaat hun.
Feest voor het volk
Zowel in het evangelie van vandaag (Joh. 2,13-25) als in de profetie van Jeremia is het (naderende) feest: reden voor het volk om naar de tempel te gaan. Daar wordt het getrakteerd op een profetie die de vreugde om de cultus ruw verstoort. Aanvankelijk valt het volk dan ook de priesters en profeten bij. In zijn verweer richt Jeremia zich echter tot datzelfde volk en legt zelfs zijn lot in hun handen (26,14). Het volk kan dwalen, maar het blijft het volk tot wie de Heer hem heeft gezonden.
Het lukt. Het volk wisselt van standpunt en valt nu de rechters bij. Hun wisselvallige houding doet ons denken aan het lied voor de Veertigdagentijd ‘Alles wat over ons geschreven is’, met daarin de woorden ‘Heden hosanna, morgen kruisig Hem!’ (LB 556). Desondanks legt Jezus zijn lot in de handen van het volk en vraagt vanaf het kruis om verzoening van hun zonden.
Hoe het met Jeremia verdergaat? De profeten en priesters leggen zich niet neer bij de ontlastende verklaring van de rechters. Zij voeren nieuw bewijs aan om hun aanklacht te ondersteunen. Jeremia zal moeten onderduiken. Hij gaat profeteren via geschriften en niet meer via een optreden voor ‘live publiek’.
Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.