Menu

Basis

De velden zijn wit, rijp voor de oogst

Bijbelwetenschappen

Alternatief bij 1e van de zomer (Jona 3:6-4:11, Efeziërs 2:11-22 en Johannes 4:27-42)

Overeenkomstig in de lezingen is de belofte voor ‘vreemdelingen en gasten’ (Efeziërs 2:19) om deel te hebben aan dezelfde toekomst als de ‘heiligen en huisgenoten van God’ (2:19). Bij Jona gaat het om ‘omkeer’ uit verkeerde levenspatronen, de andere stellen Jezus Christus centraal. In het evangelie speelt een Samaritaanse vrouw (Johannes 4:29.39) de rol van ‘zaaier’ bij de ‘oogst’ (4:37). De oogst bestaat eruit dat haar stadgenoten niet langer vanwege haar ‘woord’ (4:39 – NB) geloven, maar door ‘zijn eigen woord’ (4:41 – NB). Tweemaal klinkt een belijdenis (4:29.42).

De verwondering van de leerlingen over het gesprek tussen Jezus en een Samaritaanse vrouw (4:27) verwijst naar de lezing van vorige zondag (Johannes 4:5-26).[1] De vrouw zelf had zich ook verwonderd. Zowel haar vrouw-zijn als haar Samaritaanse afkomst hadden Jezus immers ervan kunnen weerhouden om met haar te spreken (4:9). Samaritanen hadden een andere traditie over het aanbidden van de Eeuwige dan de Judeeërs en werden als buitenstaanders beschouwd (zie vorige zondag). Het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw had plaatsgevonden bij een bron (4:6) in de buurt van ‘een stad in Samaria met de naam Sichar’ (4:5).

De eerste belijdenis (4:27-30)

De vrouw (4:27.28.39) gaat nu terug naar deze stad. Ze wil haar medeburgers betrekken bij de bijzondere ontmoeting die haar is overkomen: ‘Kom mee, dát moeten jullie zien! – een mens die mij alles heeft gezegd wat ik heb gedaan! – zal dat niet de Christus zijn?!’ (4:29 – NB). Zij belijdt dat zij de gezalfde in Jezus heeft herkend (zie ook 4:25-26). Zij vertelt impliciet dat Jezus niet alleen haar persoonlijke levensweg met al zijn ongerechtigheden kent, maar haar ook aanvaardt zoals zij is. De vrouw overtuigt haar stadgenoten met haar getuigenis zozeer dat zij ‘de stad uitgingen en bij Hem kwamen’ (4:30). Straks (4:39) horen we een herhaling van haar getuigenis als omlijsting van wat we nu eerst horen: de inhoudelijke uitleg van Jezus.

Inhoudelijke uitleg van Jezus

Intussen is Jezus in gesprek met zijn leerlingen (4:31-38). Twee thema’s gebruikt Jezus om zijn opdracht uit te leggen. Het eerste thema is ‘eten’ (Gr.: fagoo – 4:31.32.33) en ‘voedsel’ (Gr.: broosis, brooma – 4:32.34). De leerlingen willen heel concreet dat Jezus ‘eet’ (4:31). Hijzelf zegt: ‘Voedsel, spijze (Gr.: broosis) heb Ik te eten, dat jullie niet kennen’ (4:32). De leerlingen vragen zich af of iemand Hem ‘te eten’ heeft gebracht (4:33). Maar Jezus zegt: Mijn ‘voedsel, spijze’ (Gr.: brooma) is het ‘doen van de wil van wie Mij gezonden heeft en zijn werk voltooien’ (4:34). Het ‘doen van de wil (Gr.: thelèma) van wie Mij gezonden heeft’ komt vaker voor in het Johannesevangelie. Het gaat om de wil om ‘niet verloren (te) laten gaan’, maar om ‘opwekken’ en ‘eeuwig leven’ (5:30; 6:38-40). Dit ‘eeuwige leven’ (Gr.: zooè aioonios – 4:36) komt terug in het tweede thema: ‘oogst’ en ‘oogsten’ (Gr.: therismos, therizoo – 4:35-38).

Zaaien en oogsten

Jezus begint met de bekende uitspraak: ‘De velden zijn wit, rijp voor de oogst’ (4:35). Om te kunnen oogsten (NBV vertaalt ‘maaien’), moet er eerst gezaaid zijn: ‘De oogster krijgt zijn loon al en verzamelt de vrucht van het eeuwige leven, opdat de zaaier en de oogster zich tegelijkertijd kunnen verheugen’ (4:36 – eigen vertaling). De ‘vrucht’ (Gr.: karpos) van de oogst is eeuwig leven, ‘eeuwigheidsleven’ (LB 675), waarover Jezus eerder met de Samaritaanse vrouw heeft gesproken (4:14). Eeuwigheidsleven betekent opstaan uit doodlopende wegen en nieuwe mogelijkheden zien. Wie deze belofte zaait, kent de vreugde van de oogst al. Ondertussen staat er: ‘Hier geldt het waarachtige woord: dat de een zaaier is en de ander oogster’ (4:37 – eigen vertaling). De evangelist Johannes speelt met het verhaal van de zaaier uit de synoptische evangeliën (Matteüs 13; Marcus 4; Lucas 8). Hij verbindt het met het begrip van de oogst uit Tenach en evangeliën (Jesaja 9:2; Micha 6:15; Job 31:8; Matteüs 9:37). De rol van de leerlingen is ‘om een oogst binnen te halen, waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen’ (4:38 – NBV). ‘Anderen hebben gezwoegd en jullie zijn binnengekomen bij hun harde arbeid’ (4,38 – eigen vertaling). De leerlingen mogen oogsten wat Jezus door zijn leven heeft gezaaid. Tegelijkertijd zien we in het omlijstende verhaal hoe het zaaien en oogsten door Jezus werkt (4:27-30.39-42).

De tweede belijdenis (4:39-42)

‘Geloven’ (Gr.: pisteuoo – 4:39.41.42) begint door het ‘woord’ (Gr.: logos – 4:39) van een ander mens, in dit geval dat van de vrouw: ‘Hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan’ (4:29.39 – NB). Door dit getuigenis ‘kwamen veel Samaritanen tot geloof in Hem’ (4:39 – NBV). In eerste instantie speelt de vrouw een belangrijke rol voor het geloof van haar stadgenoten. In haar is nieuw leven gezaaid, dat zij vervolgens als zaaier verder doorgeeft. Zo gaat het met de vrucht van het eeuwigheidsleven, waarover Jezus met zijn leerlingen sprak (4:36). Haar Samaritaanse stadgenoten vragen Jezus bij hen te blijven en ‘toen bleef Hij nog twee dagen’ (4:40 – NBV). Nadrukkelijk wordt verteld dat ze ‘in veel menigte gaan geloven in zijn eígen woord’ (4:41 – eigen vertaling). Dit wordt nog eens bevestigd: ‘Tegen de vrouw zeiden ze: We geloven niet meer door jouw spreken, want wij hebben zélf gehoord’ (4:42 – eigen vertaling). Het gaat niet langer om haar woord, maar om Jezus’ eigen spreken. In antwoord daarop komen ze met hún belijdenis: ‘Wij weten dat deze is de ware redder van de wereld, de kosmos’ (4:42 – eigen vertaling). Nu ze Jezus zélf hebben ontmoet, is hun geloof gebaseerd op wie Jezus voor hen is. Dit is de oogst. De
‘vreemdelingen en gasten’ mogen meedoen aan de belofte van de Eeuwige (Efeziërs 2:19).

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

Voetnoot

[1] Zie: W. Roobol, Uiterlijke of innerlijke waarheid? In: De Eerste Dag, 44-2 (2021), 60-61.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken