De zekerheid van het geloof
8ste zondag van de zomer (Jesaja 65,17-25, Psalm 33,12-22, Hebreeën 11,1-16 en Lucas 12,32-40)
Hebreeën 11 begint en eindigt met de mededeling dat er van oudsher mensen zijn geweest die om hun geloof geprezen worden (11,2.39). Daartussen wordt eerst een reeks mensen genoemd met een voorbeeld van hun geloof: Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara, Isaak, Jakob en Esau, Mozes, Rachab, Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel. Daarna volgt nog een aantal groepen: profeten die leeuwen de muil toeklemden of vijandelijke legers op de vlucht deden slaan, vrouwen die hun doden terugkregen, martelaren en andere rondzwervende, mishandelde en vernederde geloofsgetuigen.
De briefschrijver maakt twee keer een voorbehoud bij deze lofrede op hun geloof. Zowel in de verzen 13-16 als in 39-40 vermeldt hij dat zij wat hun beloofd was geen werkelijkheid hebben zien worden. Bij de eerste keer wordt vermeld dat ze naar eigen zeggen vreemdelingen en gasten waren; en dat daaruit kan worden opgemaakt dat ze op doorreis waren naar een beter, hemels, vaderland. Bij de tweede keer wordt vermeld dat ze de belofte niet in vervulling hebben zien gaan, ‘omdat God voor ons iets beters had voorzien, en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (Hebr. 11,40).
Niet zonder ons
Wie stopt met lezen na vers 16, zou kunnen menen dat zij die de belofte niet in vervulling hebben zien gaan dus ook niet de volmaaktheid hebben bereikt. Wie doorleest tot het einde van dit hoofdstuk zal opmerken dat dit niet zo is. Want ook al zijn de gelovigen van vroeger gestorven en hebben zij de belofte niet vervuld zien worden in hun aardse leven, toch ligt de beloofde volmaaktheid niet buiten hun bereik. Alleen was die volmaaktheid voor hen, aldus de briefschrijver, niet te bereiken ‘zonder ons’. Dat zij gestorven zijn en dat zij wat hun was beloofd geen werkelijkheid hebben zien worden, doet dus niets af aan de reden om hen te blijven prijzen om hun geloof, ook al had God voor ons iets beters voorzien.
Als je met deze wetenschap vers 11-16 opnieuw leest, dan haal je daaruit een boodschap die minder negatief is dan je aanvankelijk zou denken. Want ook al hebben zij de werkelijkheid waarop zij hoopten niet volkomen werkelijkheid zien worden, dan toch wel een glimp ervan (vs. 13). En de volmaaktheid waarnaar zij reikhalzend uitkeken, hebben zij weliswaar niet in dit vaderland bereikt, maar dan toch wel op die hemelse plaats waar God voor hen een stad had gereedgemaakt (vs. 16). En ook al had God voor ons iets beters voorzien, toch schaamt Hij zich er niet voor ook hún God genoemd te worden. We mogen gerust stellen dat de briefschrijver overtuigd is van het feit dat de gelovigen van vroeger en die van nu verschillen in de mate waarin zij de belofte in vervulling hebben zien gaan,maar niet in de zekerheid van het geloof dat God hen gezamenlijk de volmaaktheid wil laten bereiken. Wat de belofte betreft is er dus verschil én overeenkomst.
De blijdschap van het geloof
Vanwege het subtiele verband dat de briefschrijver legt tussen het oude en het nieuwe verbond hebben de vertalers van de NBV21 ervoor gekozen om de Griekse woorden klèronomos en klèronomia in de verzen 7 en 8, over Noach en Abraham, niet te vertalen met het algemene ‘ontvangen’ maar met ‘als erfenis ten deel vallen/ontvangen’. Een gevolg hiervan is dat in de lijn van wat de briefschrijver beoogt, zowel het verschil als de overeenkomst met de ‘erfgenaam van alles’ in Hebreeën 1,2 (Gr.: klèronomon pantoon) herkend kan worden.
Die hemelse stad die God heeft gereedgemaakt (Hebr. 11,16) voor degenen die vertrouwen op zijn heilige Naam (Ps. 33,21), contrasteert met de steden waarin het volk van God vertrouwde op hoge, versterkte muren. Een vijand die zulke versterkte steden belegert zal namelijk daarmee net zo lang doorgaan totdat de muren zijn gevallen (Deut. 28,52). De bewoners van het aardse vaderhuis blijken – net als zij die uitzien naar een hemels Vaderhuis – hun zekerheid te stellen op hun vertrouwen. Er is echter een belangrijk verschil: de vreugde ontbreekt in hun geloof. In tegenstelling tot wie vertrouwen op zijn heilige Naam (Ps. 33,21) kunnen degenen die vertrouwen op hoge, versterkte muren niet blij zijn (Deut. 28,42).
Of de belegerde stad waaruit mensen wegvluchten, veranderd kan worden in een stad waarnaar gelovigen reikhalzend uitzien om in te wonen, blijkt af te hangen van de vreugde van de gelovigen. In een stad waar men de Heer niet dient met vreugde en niet blij is met alles wat men bezit, zijn vooral geween en geweeklaag te horen. Maar in een stad waar men vol verlangen wacht op de Heer, omdat het hart zich in Hem verblijdt (Ps. 33,20-21), daar hoort men gejubel.
Het zijn twee kanten van één medaille: de blijdschap van de gelovige, zelfs midden in alle misère, en de vreugde die dat opwekt bij God. ‘Verheug je voor altijd en jubel om wat Ik schep,’ zegt God. ‘Dan zal Ik over Jeruzalem jubelen en me verheugen over mijn volk’ (Jes. 65,18-19). Het is geen andere stad waar hier sprake van is. Nee, het is dezelfde stad Jeruzalem, maar dan herschapen van een stad van geween in een stad van jubel.
Niet onbelangrijk is dat er staat: ‘Verheug je voor altijd.’ Deze gebiedende wijs keert zich tegen elke vorm van vertrouwen waarin de gelovige ervan uitgaat dat het geluk slechts kortstondig is. Beter is het om – met vreugde – te geloven in een toekomst waarin een kind pas sterft als honderdjarige (Jes. 65,20). Of om te geloven als knechten die wachten op de Heer (Luc. 12,35-38).
Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.