Menu

Basis

Deur en stem, herder en stal

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

4e zondag van Pasen (Nehemia 9:6-15, Psalmen 23, 1 Petrus 2:19-25 en Johannes 10:1-10)

De titel van deze exegese is misschien niet zo pakkend, maar de thema’s ‘deur’, ‘stem’, ‘herder’ en ‘stal’ komen in alle lezingen van deze zondag aan de orde en worden in de evangelielezing gekoppeld aan Jezus. Eigenlijk hoort ‘weidegrond’ als voedingsbron daar ook nog bij.

Van Nehemia, die na de terugkeer uit de ballingschap als landvoogd was aangesteld en Jeruzalem moest herbevolken, mocht maar één op de tien families in de stad wonen (Nehemia 11:1). Jeruzalem: niet de stal voor iedereen. Petrus wijst erop dat buiten de stal niet alle weiden grazig zijn, maar dat je ook daar de herder moet volgen (1 Petrus 2:21). In de psalm klinkt het dankbare geluid van een schaapje uit de kudde, omdat het de deur naar zijn herder gevonden heeft.

Eigen volk eerst?

Wie was Nehemia? Nadat Babylon door de Perzische koning Cyrus II in 539 v.C. was ingenomen, mochten de ballingen die dat wilden, terugkeren naar Juda. Nehemia, die aan het Perzische hof de functie van opperschenker vervulde, werd door de Perzische koning Artaxerxes I aangesteld tot landvoogd van Juda. Onder zijn leiding werden de tempel en de muren van Jeruzalem herbouwd. Dat laatste gebeurde in 443 v.C.; de tempel kwam gereed in 515 v.C. Tegelijkertijd voerde Nehemia ook sociale en economische hervormingen door ten gunste van de armen in Jeruzalem. Daarbij ondervond hij tegenstand uit de hogere kringen. Ook op religieus gebied vonden er grote restauraties plaats. Bij hun terugkeer troffen de ballingen veel vreemdelingen aan, die vaak eigendommen van de ballingen in bezit hadden genomen. Nehemia streefde naar herstel, met name van de identiteit van Israël, waarbij de normen en waarden van de Tora maatgevend waren. Immers, het op grote schaal overtreden daarvan zou de oorzaak geweest zijn van de verwoesting van de tempel en van de ballingschap. Daarom las de priester Ezra de wet van Mozes aan alle Israëlieten voor (Nehemia 8-10) en trad Nehemia op tegen gemengde huwelijken. In het boek Ezra (10) is te lezen hoe alle uitheemse vrouwen en kinderen werden weggestuurd.

De lezing van vandaag staat aan het begin van een boeteviering die het herstel inleidt. De Israëlieten staan apart van de vreemdelingen (Nehemia 9:2). Levieten herinneren aan de reddende aanwezigheid van de Eeuwige. Alle onheil is te wijten aan ontrouw van het volk aan de Eeuwige, hun herder. De Tora is de deur naar herstel; de stem van de Eeuwige roept hen terug naar de veilige stal voor zijn kudde, zijn volk. Maar geldt alleen nationaliteit als criterium?

Ook als het moeilijk wordt de herder volgen

Het is niet zeker of Petrus zelf de naar hem vernoemde brieven geschreven heeft, maar zijn naam geeft er wel gezag aan. De eerste brief van Petrus is dan ook niet zomaar een kattebelletje, maar een troostrijk schrijven aan christenen, waarschijnlijk ergens in Klein-Azië, die het moeilijk hebben. Het zal sommige christenen in onze tijd vreemd in de oren klinken dat ze moeten lijden voor hun goede daden, hoewel daarvan ook nu genoeg voorbeelden zijn. Want is het niet gemakkelijker mee te huilen met de wolven in het bos, dan je bloot te stellen aan hun aanvallen omdat je in het spoor van Jezus, als goede herder, wilt gaan?

De Heer is mijn herder

Psalmen 23 wordt toegeschreven aan David en is een gebed van vertrouwen en overgave en van een ontroerende schoonheid. Hij wordt vaak als troost gebeden bij uitvaarten, maar hij past vooral bij het leven. Aan het woord is een schaapje dat zijn herder heeft gevonden. In de evangelielezing komen de schapen niet aan het woord, maar gaat het vooral over de tegenstelling tussen de echte herder en de fake ones. Die doen zich wel als goede herders voor, maar worden door Jezus ontmaskerd als rovers en dieven.

In discussie met Levieten en farizeeën

Jezus trekt door Galilea, omdat Judea niet meer veilig voor Hem is. Ondanks aandringen van zijn leerlingen om daar toch heen te gaan voor het Loofhuttenfeest, blijft Hij eerst nog in Galilea, maar later gaat Hij toch (Johannes 7:1-10). Er vinden verschillende confrontaties met farizeeën en Levieten plaats, zoals naar aanleiding van de genezing van een blinde man door Jezus op sabbat (Johannes 9). De sfeer waarin dit gebeurt is vijandig en zijn uitleg ervan zal de spanning zeker nog vergroot hebben, zodat overduidelijk wordt wie Jezus bedoelt met rovers en dieven (10:1.8).

In de gelijkenis schetst Jezus de kracht van zijn zending: allen door één deur, die toegang geeft tot ‘de plaats’ (Hebr.: ha maqom), de woonplaats van de Eeuwige, een gegarandeerd veilige stal. Het valt op met hoeveel nadruk en gezag Jezus zijn gelijkenis vertelt en toelicht. De verzen 1 en 7 beginnen met het pertinente ‘Voorwaar, voorwaar’ (Gr.: Amèn amèn), gevolgd door ‘Ik zeg jullie’. Het is nogal wat als je tegenover een aantal religieuze leiders van het volk, Levieten en farizeeën, jezelf poneert als enige toegang tot de Eeuwige, als enige die zijn kudde daarheen kan leiden. En de kudde van ‘de eigen schapen’ (10:4) laat zich ook leiden, omdat zij herkennen wat de stem van hun herder hun zegt: Heb lief. Je naaste zoals je zelf liefgehad wilt worden. Want dat is liefde tot de Eeuwige (15:9-17).

Die stem (10:3) is te veel bedolven geraakt onder allerlei geboden, regels en voorschriften, waar hij nauwelijks meer doorheen klinkt, maar wordt opnieuw weer zo herkenbaar in Jezus’ woorden en daden als goede herder. Die herderlijke stem moet tot zwijgen worden gebracht, voordat die de grip van rovers en dieven op de kudde verder verzwakt. Vanaf dan zal de situatie voor Jezus alsmaar bedreigender worden. En voor de kudde?

Deze exegese is opgesteld door José Vos.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken