Menu

Premium

Door de dood naar het leven

Bij Job 30:15-26 en 38,1, Psalm 107:17-32 en Marcus 4:35-41

Het boek Job heeft een eenvoudige opbouw. De proloog (Job 1-2) en de epiloog (Job 42,7-17) zijn beide geschreven in proza. De tussenliggende hoofdstukken bestaan vooral uit poëtische teksten. In het derde hoofdstuk treffen we Jobs eerste grote klacht aan. Hierna volgen in een drievoudige cyclus de dialogen tussen Job en zijn drie vrienden (4-27). In de hoofdstukken 28-31 komt Job opnieuw aan het woord. Onze eerste tekst, Job 30,15-26, valt binnen dit kader.

Job klaagt, één grote jammerklacht vanwege de ellendige toestand waarin hij verkeert. Ook betuigt hij andermaal zijn onschuld. Dit alles loopt uit op een rechtstreekse, scherpe aanklacht tegen God. ‘God heeft mij door het slijk gehaald,’ roept Job, ‘zodat ik niet meer van stof en as te onderscheiden ben’ (30,19). En: ‘U stuwt mij omhoog op de wind, laat mij los, zodat ik opga in de razende elementen. Ik weet het wel – U stuurt mij naar de dood, het trefcentrum van alle levenden’ (30,22-23). Maar het grootste verwijt treffen we aan in Job 30,20a: ‘Ik roep U aan, maar U geeft mij geen antwoord.’ De hemel blijft voor Job doof en stom. Komt er ooit een antwoord?

De grote klacht van Job: geen antwoord

Het antwoord in het boek Job blijft lang uit. In het ‘gat’ tussen onze beide teksten, zitten maar liefst zes hoofdstukken (32-37). Hier meldt zich een vierde vriend, Elihu (= ‘mijn God, Hij’). Elihu houdt een betoog dat zes hoofdstukken omvat. Wat is de functie van dit betoog? Wil de dichter het verlangen wekken naar het antwoord, dat hij in de hoofdstukken 38-41 in de mond van JHWH zelf legt? Wil hij de hoorder erop voorbereiden? Langzaam maar zeker worden we in de richting van een antwoord geleid.

Onze tweede tekst uit Job, 38,1, luidt: ‘Dan antwoordt JHWH Job vanuit het onweer en zegt’. Wat volgt is een uiterst intrigerende tekst waarbij de vraag voortdurend blijft spelen: krijgt Job wel antwoord en zo ja, wat houdt het antwoord van JHWH precies in?

Gods goedertierenheid

Of moeten we het antwoord, geconfronteerd met de vele vragen die in Job 38-41 worden opgeworpen, in de antwoordpsalm zoeken? In Psalm 107 wordt een antwoord op de vraag ‘wie is wijs?’ (107,43) gegeven: ‘Hij die de woorden van Psalm 107 ter harte neemt.’ Er springt in deze psalm één woord uit: chèsèd. Er is sprake van de chèsèd van JHWH. Het gaat over een diep menselijke ontroering. Pieter Oussoren vertaalt de pluralis van chèsèd met: ‘de bewijzen van vriendschap van de Ene’ (NB, 107,43), André Chouraqui vertaalt: ‘les chérissements de JHWH’ en de Statenvertaling: ‘de goedertierenheden des Heeren’. Je vertrouwen stellen op ‘de goedertierenheden des Heeren’, daarvan een diep besef hebben, daardoor ontroerd worden, dat is wijsheid. Dit zou weleens een antwoord kunnen zijn op de ‘crisissituaties’ in het leven en het samenleven van mensen zoals beschreven in Psalm 107. Hoe blijft een mens staande als bittere ellende je overvalt? In Psalm 107(4-5) wordt herinnerd aan de tocht van het volk Israël door de woestijn. Vervolgens gaat het over ballingschap, beschreven als duisternis, schaduw van de dood (107,10). In ons Schriftgedeelte volgen ziekte, ten dode toe (107,18) en ten slotte als beeld van volstrekte ontheemding: de mens op zee, te midden van de kolkende watermassa, in het bereik van de tehomot, de diepten van de dood (107,23-27). Geeft Psalm 107 een antwoord op deze grote crises? In welke richting moeten wij zoeken? In het besef van de chèsèd van de Heer? Ik zoek het in die richting en weet mij daarin gesteund door Willem Barnard met de woorden van lied 650 vers 2 (NLB):

Gods goedheid is te groot
voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood
door heel het leven heen.

Dooponderwijzing

De gelijkenis die Marcus 4,35-41 onder woorden brengt in het verhaal over de storm op zee, is onderwijzing over de beweging die steeds opnieuw in de doop verbeeld wordt: de beweging van dood naar leven. Het verhaal van Marcus bepaalt ons bij Jezus en zijn leerlingen die per schip, begeleid door andere schepen, in de nacht de oversteek maken naar de overkant. De beschrijving doet denken aan de doortocht door de Schelfzee, het volk Israël op weg naar de overkant. Ook dit verhaal verbeeldt de doop. Jezus, zijn leerlingen, allen die de oversteek wagen, worden overvallen door wind met orkaankracht, met als gevolg huizenhoge golven die zich werpen op de schepen en hun bemanning. Kopje onder in het water van de grote vloed.

Velen hebben erop gewezen hoe verwant het verhaal van Marcus is aan de inhoud van het profetenboek Jona, met Jezus in de rol van Jona en de leerlingen in de rol van de schepelingen, die Jona uit zijn doodsslaap (Hebr.: radam) wekken. Bij Marcus wekken de leerlingen die in doodsangst en doodsnood verkeren, Jezus uit zijn doodsslaap. Het Griekse woord egeiroo, hier vertaald met ‘wekken’, later ook het krachtiger woord di-egeiroo, staat voor deze beweging symbool.

Ben Hemelsoet heeft ooit de ogen ervoor geopend, dat Jezus in de beschrijving van Marcus, nadat Hij het graf leeg achter zich heeft gelaten (16,6), koers zet naar Galilea (1,14vv) om zich daar bij zijn leerlingen te voegen, met het doel die bezeten wereld van Galilea stukje bij beetje te veranderen, te genezen en mee te nemen in die grote, principiële omslag van dood naar leven.

Ten slotte nog iets over die uiterst scherpe vraag aan Jezus gesteld: ‘Gaat het U niet aan, dat wij te gronde worden gericht?’ (Marc. 4,38). Zijn antwoord, wat Hij doet, waar Hij voor staat, is zijn naam: JHWH redt. De stormwind gaat liggen.

Wellicht ook interessant

Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
Auteur zit met gevouwen handen op een bankje, zwart-wit beeld
None

Interview: “Ik wil een eerlijk gesprek over de doodswens”

Mensen die niet meer willen leven, krijgen niet zomaar euthanasie. Er zijn strenge eisen waaraan moet worden voldaan, voordat het eigen leven bewust gestopt kan worden. Maar als een euthanasieverzoek wordt afgewezen, is de wens om te sterven vaak niet verdwenen. Soms kiezen mensen dan voor ‘de autonome dood’, een zelfgeorganiseerd levenseinde. Hoe is dit voor nabestaanden? Krina Huisman deed er onderzoek naar en schreef het boek Nabestaan. Leven na de autonome dood. Redacteur Maartje Amelink ging met haar in gesprek.

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

Nieuwe boeken