Menu

Premium

Doorn

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

distel

Geen rozen zonder doornen – het spreekwoord brengt tot uitdrukking dat het leven mooie momenten kent, maar dat het altijd gepaard gaan met schaduwzijden. Daarom kan ook worden gezegd: het leven is vol distels en doornen. Wanneer een bepaalde situatie voor iemand een doorn in het oog is, dan lijdt het geen twijfel dat hij/zij daarmee de grootste moeite heeft.

Grondtekst

Het Hebreeuws kent een achttal woorden die met ‘doorn’ en/of ‘distel’ vertaald kunnen worden. Die verscheidenheid in terminologie doet het vermoeden rijzen dat in het land Israël in bijbelse tijden veel planten groeiden die voorzien waren van doornen en andere scherpe uitsteeksels. In alfabetische volgorde gaat het om de woorden: ‘atad (5x: vertaling is onzeker in Gen. 50:10-11: doornen-dorsvloer (NBG) of Atad-dorsvloer (Willibrord); ‘doornstruik’ in Richt. 9:14-15; en ‘doorn’ in Ps. 58:10); chedèq (2x: ‘doornstruik’ in Spr. 15:19; Mi. 7:4); choach (11x: verschillende vertalingen: o.a. ‘distel’, ‘doorn’ in: 1 Sam. 13:6; 2 Kon. 14:9; 2 Kron. 25:18; 33:11; Job 31:40; 41:2; Spr. 26:9; Hoogl. 2:2; Jes. 34:13; Hos. 9:6); na’atsoets (2x: in Jes. 7:19; 55:13); sier (5x: meestal vertaald met doorn/doornstruik: Pred. 7:6; Jes. 34:14; Hos. 2:6; Nah. 1:10; eenmaal met ‘vishaak’, Amos 4:2); tsen (2x: Job 5:5; Spr. 22:5); qots (dit woord komt het vaakst voor: 12x: Gen. 3:18; Ex. 22:6; Richt. 8:7,16; 2 Sam. 23:6; Ps. 118:12; Jes. 32:13; 33:12; Jer. 4:3; 12:13; Ez. 28:24; Hos. 10:8); sjajit (7x: Jes. 5:6; 7:23-25; 9:17; 10:17; 27:4).

In het Nieuwe Testament komt het Griekse woord akantha 12x voor (Mat. 7:16; Luc. 6:44; 8:7,14; Hebr. 6:8; voorts in de gelijkenis van de zaaier, Mar. 4:7,18; Mat. 13:7:22; en in het lijdensverhaal: ‘de doornenkroon’, Mat. 27:29; Joh. 19:2 – tweemaal wordt in dat verband het woord akanthinos gebruikt, Mar. 15:17; Joh. 19:5). Voor het Griekse woord skolops dat slechts eenmaal in het Nieuwe Testament wordt genoemd (2 Kor. 12:7), zie B-d.

Letterlijk en concreet

a.Wie dicht bij de natuur leeft, weet dat de strijd tegen doorns en distels niet gemakkelijk kan worden gewonnen. Dat wordt al in de eerste hoofdstukken van het boek Genesis duidelijkgemaakt. Tegen de mens die bezweken is voor de verleiding door de slang wordt gezegd: ‘Zwoegend zul je van hem (= de grond) eten, alle dagen van je leven. Distels en doorns zal hij voortbrengen, met veldgewas moet jij je voeden’ (Gen. 3:17-19). De bekende gelijkenis in het Nieuwe Testament waarin de zaaier centraal staat, geeft eveneens een treffend beeld van de onverwoestbare kracht van doornstruiken: ‘Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het’ (Mat. 13:7; vgl. Mat. 7:16; Hebr. 6:8).

b.Ondanks het bovenstaande mag niet worden geconcludeerd dat doornen en distels uitsluitend een last waren voor allen die het land bewerkten. Een haag van doornstruiken rondom het huis biedt een goede bescherming. De wijze Jezus Sirach spoort zijn lezer(es) aan: ‘Omhein dus je wijngaard met doorns’ (Sir. 28:24). De droge doorns en distels konden ook als brandstof worden gebruikt (Pred. 7:6).

c.In het lijdensverhaal in de evangeliën wordt gesproken over een doornenkroon: ‘De soldaten namen Hem mee in het paleis, dat wil zeggen: het pretorium, en ze riepen heel het cohort bij elkaar. Ze deden Hem een purperen mantel om, vlochten een krans van doorns en zetten hem die op’ (Mar. 16:15-16; vgl. Mat. 27:27-29; Joh. 19:2-3,5). Een dergelijke maskerade als begin van de eigenlijke executie van de veroordeelde, was in die tijd niet ongebruikelijk. Soms waren de martelingen van dien aard dat het slachtoffer meer dood dan levend aan het kruis werd gehangen.

Beeldspraak en symboliek

a.De strijd tegen doorns en distels is nooit gestreden. Het gevaar dat ze andere planten overwoekeren blijft altijd aanwezig. In profetische geschriften wordt dit beeld meermalen gebruikt om te waarschuwen tegen de gevolgen van ontrouw aan de God van Israël: ‘Op die dag zal ieder stuk grond, beplant met duizend wijnstokken, ter waarde van duizend zilverstukken, ten prooi vallen aan de distels en de doorns. Slechts met pijl en boog dringt men er binnen, want het land zal een en al distels en doorns zijn’ (Jes. 7:23-24).

b.In diezelfde geest worden ook de gevolgen van Gods gericht geschilderd. Zo wordt de verwoesting van Edom als volgt geschetst: ‘De paleizen zitten onder de doornstruiken, netels en distels overwoekeren de burchten; zij zijn het domein van jakhalzen, het verblijf van struisvogels’ (Jes. 34:13). Als doorns en distels de overhand krijgen is de rampspoed compleet: ‘Doorns en distels overwoekeren hun altaren. Dan roepen zij de bergen toe: Bedek ons! en de heuvels: Val op ons neer!’ (Hos. 10:8; vgl. Hos. 9:6; Nah. 1:10).

c.In de drie synoptische evangeliën krijgt de gelijkenis van de zaaier een vervolg in de vorm van een ‘uitleg’ (Mat. 13:18-23; Mar. 4:13-20; Luc. 8:11-15). In die uitleg wordt nadruk gelegd op de verstikkende kracht van de doorns en distels. Het gevolg is dat het goede zaad onvruchtbaar wordt: ‘Die tussen de distels is gezaaid, dat is degene die het woord hoort; maar de zorgen om het bestaan en begoocheling van de rijkdom verstikken het woord, en hij blijft zonder vrucht’ (Mat. 13:22).

d.In een van zijn brieven gebruikt de apostel Paulus een moeilijk te interpreteren beeld: ‘Mij is een doorn (skolops) in het vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen, opdat ik niet verwaand word’ (2 Kor. 12:7). Paulus blijkt van mening te zijn dat ‘die doorn’ (of stekel) hem wel last bezorgt, maar uiteindelijk toch goed voor hem is. Wat het concreet is geweest, kan moeilijk met zekerheid worden gezegd. Een ziekte? Maar welke? Epilepsie of iets met zijn ogen (Gal. 4:12-20)?

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Gezang 50; 178; 181-183; 186; 220; 406; 423; 441; Gezegend: 87; Kinderen: 31; 36; Zleven: 14; 18.

b.Poëzie:

Ida Gerhardt, De zomen van het licht, Amsterdam 1983, blz. 54: ‘Het distelzaad’. Zbigniew Herbert, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1999, blz. 89: ‘Doornen en rozen’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 32: ‘Paulus’. Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1975, blz. 521: ‘De vijand’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 18: ‘Doornroosje. Jacqueline van der Waals, Gebroken kleuren, Nijkerk z.j., blz. 89: ‘Rozenboompje.

c.Verwerking:

Wie over bijbel en doorn spreekt, denkt meteen aan de doornenkroon die de soldaten bij de kruisiging op Jezus’ hoofd zetten. Van de doornenkroon hebben de meeste mensen een beeld, hetzij door de film Jesus Christ Superstar of door kunstafbeeldingen, hetzij door prenten in de kinderbijbels of door de verhalen rondom het sterven van Jezus. Hier kunnen we bij aansluiten. Een andere manier is te laten reageren op een versregel uit het Hooglied, waar de jongen het meisje toezingt: ‘Als een lelie tussen de distels, zo is mijn liefste onder de meisjes’ (2:2). Wat roept deze vergelijking – lelie èn distels, liefste èn meisjes – bij ons op? De doorn reikt de volgende thema’s aan: oordeel, levensmoeite en -dreiging, arbeid, strijd en overgave.

Verwijzing

Naar twee woorden willen we expliciet verwijzen: naar ‘kroon‘, waar in B-f de doornenkroon van Jezus wordt genoemd, en naar ‘vinger‘, waar in B-f de doorn van Paulus’ vlees ter sprake komt. Voorts liggen er verbindingen met de woorden ‘kruis‘, ‘roos‘ en ‘zweet‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken