Menu

Premium

Dordt in ’t kort

Erezuil of schandpaal?

Laat er geen twijfel over bestaan. De bijeenkomst van een ‘nationale synode’ onlangs gehouden te Dordrecht, acht ik een belangrijk initiatief van de protestantse kerkgenootschappen en geloofsgemeenschappen in Nederland die op een of ander manier hun wortels in de reformatie hebben. Of deze bijeenkomst een ‘mijlpaal’ genoemd kan worden zal nog moeten blijken. Een mijlpaal was in ieder geval wel de Synode van Dordrecht, gehouden aan het begin van de zeventiende eeuw (1618-1619). Het valt echter niet te ontkennen dat deze ‘mijlpaal’ van geheel andere aard en intentie is geweest dan de onlangs gehouden ‘nationale’ synode. Daarom is terughoudendheid op z’n plaats wanneer ook maar enigszins de suggestie zou worden gewekt dat er enige continuïteit zou bestaan tussen Dordt 2010 en Dordt 1618-1619. Daarvoor zijn de verschillen te groot, zowel op historisch als op theologisch vlak. Bovendien is Dordt 1618- de (kerkelijke) geschiedschrijving zeer uiteenlopend beoordeeld. In de negentiende eeuw – de eeuw waarin tegenover de ‘moderne’ theologie het huidige begrip ‘orthodoxie’ werd gemunt – werd deze ‘mijlpaal’ gebruikt als middel tot versteviging en bevestiging van de gereformeerde identiteit waarvoor een ‘erezuil’ opgericht diende te worden. Door anderen uit die zelfde tijd werd deze synode beschouwd als een ‘schandpaal’, een dieptepunt in de Nederlandse kerkgeschiedenis: een identity marker van een verwerpelijke orthodoxie, die ongeneeslijke wonden had geslagen in het kerkelijk leven van het Nederlandse christendom. Dergelijke interpretaties komt men nog steeds tegen.

Hoe dit ook zij, het begrip ‘Synode van Dordrecht’ is in ieder geval zoiets als een lieu de mémoire geworden. Dat wil zeggen dat deze synode een ‘plaats van collectieve herinnering’ vormt die voor uiteenlopende religieuze groepen in verschillende perioden van de Nederlandse kerkgeschiedenis (en daarbuiten) een probaat middel was om – in positieve of negatieve zin – te komen ‘tot een eigen grensbepaling, groepsdefinitie en identiteitspolitiek.’ Dit citaat ontleen ik aan het onlangs verschenen boek Het gereformeerde geheugen waarin ‘de synode van Dordrecht’ niet ten onrechte ook een lieu de mémoire wordt genoemd, gekenmerkt door verschillende betekenislagen.[1]

Deze noties kunnen ons helpen om de beeldvorming van het gereformeerd protestantisme en het daardoor opgeroepen zelfbeeld te articuleren. Daarbij is het een eerste vereiste om terug te gaan naar de bronnen. Die bronnen laten ons zien dat de term ‘Synode van Dordercht’ verschillende connotaties had in de ogen van tijdgenoten en latere interpreten. In de eerste plaats heeft de synode een sterk politieke lading gehad. Zij werd immers bijeengeroepen door de toenmalige overheid en vond tevens plaats onder de auspiciën van diezelfde overheid. Vervolgens is er ook de theologische lading, omdat ‘Dordt’ verwijst naar een heftig debat over theologische geschillen die hun oorsprong hadden in een academisch discours. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de ‘Dordtse synode’ gaat zich steeds meer verbazen over het feit dat in de loop van het conflict deze beide betekenislagen zeer nauw met elkaar verstrengeld raakten. Het is de bedoeling van deze bijdrage om duidelijk te maken hoe en waarom deze geschillen konden uitgroeien tot een ware machtsstrijd waarin kerkelijke en politieke belangen nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden waren. Er stond blijkbaar iets op het spel. We beginnen met een korte schets van het theologisch debat. [2]

Het theologisch debat

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) raakten in de Republiek twee groepen binnen de gereformeerde kerk met elkaar in conflict. Inzet van de strijd was de predestinatieleer.

In 1604 opende de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius (1560-1609) de discussie met zijn collega Gomarus (1563-1641). Al eerder had Arminius zich in een uiteenzetting over Romeinen 7 (gedreven door praktisch pastorale en exegetisch-theologische motieven) gedistantieerd van de traditionele, door Augustinus gegeven interpretatie van de predestinatieleer. Volgens Arminius vond de wedergeboorte wel plaats door Gods Geest en genade, maar niet zonder instemming van de mens. Object van de dubbele predestinatie was volgens Arminius, als het om verkiezing ging, de gelovige mens en als het om verwerping ging de ongelovige mens. Hij ontkende dat het geloof een effect is van de verkiezing, maar beschreef dit als een noodzakelijke voorwaarde (die door God van tevoren was voorzien) op grond waarvan God besloot te verkiezen of te verwerpen. De structuur van Arminius’ predestinatieleer werd dus bepaald door het concept van Gods bepaalde voorkennis, die voorafgaat aan zijn wil. Deze voorkennis verdisconteert de vrije keus van de mens in Gods wilsbesluit.

Daartegenover stelde Gomarus in een disputatie dat aan Gods dubbele predestinatiebesluit zijn onbepaalde voorkennis voorafgaat. Onbepaald betekent hier: niet bepaald door Gods wil. Door deze onbepaalde voorkennis kent God alle mogelijk te scheppen redelijke schepselen. Zij vormen het object van de goddelijke predestinatie. Onder deze onbepaalde voorkennis van God valt zowel het mogelijke dat feitelijk wordt, als ook het mogelijke dat niet feitelijk wordt, maar het wel zou kunnen zijn. Het verschil tussen ‘mogelijk’ en ‘feitelijk’ wordt bepaald door het voornemen van de wil van God. De structuur van Gomarus’ predestinatieleer in deze disputatie wordt dus bepaald door de centrale plaats van Gods wil, die contingent is – God had ook ontelbare andere personen kunnen predestineren. De wijze waarop God volgens Gomarus predestineert, is dus niet noodzakelijk, maar contingent. Zij wordt evenmin door externe factoren bepaald. God kan in vrijheid anders handelen dan Hij doet. Op dit punt gingen de wegen van Arminius en Gomarus uiteen.

De hoofdvraag

De hoofdvraag die Arminius aan Gomarus en het orthodox calvinisme voorlegde was: Hoe kan Gods genade effectief zijn, zonder de menselijke vrijheid aan te tasten? Hij stelde dat de vrije instemming van de mens steeds voorwaarde is voor het door God geschonken geloof, waarbij hij een onderscheid maakte tussen voldoende en effectieve genade. De voldoende genade ontvangt iemand om te kunnen geloven, maar er is pas sprake van effectieve genade wanneer iemand metterdaad zal geloven. De voldoende genade kan dus samengaan met de afwijzing door de mens, de effectieve genade gaat altijd gepaard met aanvaarding. Volgens Arminius is de genade dus niet uit zichzelf effectief en onweerstaanbaar. Zonder de menselijke instemming wordt de voldoende genade niet effectief.[3]

Arminius was er overigens van overtuigd dat die menselijke instemming geheel van Gods genade afhankelijk is, hoewel ze er niet onvermijdelijk en onweerstaanbaar door tot stand wordt gebracht. In een van zijn geschriften gebruikte Arminius het beeld van de bedelaar: wanneer een bedelaar zijn hand ophoudt om de aalmoes uit de hand van de rijke te ontvangen, houdt de aalmoes niet op een pure gift te zijn omdat de bedelaar zijn hand ophoudt.[4] De gereformeerden onder leiding van Gomarus brachten als bezwaar in tegen Arminius’ opvatting dat er derhalve twee onderscheiden acten van predestinatie moeten zijn: een eigenschappenpredestinatie (mensen met de eigenschap ‘geloven’) en een predestinatie van concrete individuen. Men beschuldigde hem van pelagianisme, omdat men meende dat hij de ‘alleenwerkzaamheid’ van Gods genade ophief door de effectiviteit van die genade afhankelijk te maken van menselijke factoren.

Pastoraat en zielszorg

De implicaties die beide opvattingen hadden met betrekking tot de mensvisie, de verkondiging en de zielzorg zorgden ervoor dat wat begonnen was als een academisch geschil, uitgroeide tot een publiek debat. Terwijl Arminius meende dat in prediking en zielzorg de oproep tot een beslissende keus voor of tegen het aangeboden heil centraal diende te staan, was Gomarus van gedachte dat Arminius de heilszekerheid in gevaar bracht als God de mens verkoos op grond van het door Hem vooruitgezien geloof. Ook al werden meer dan eens de argumenten van beide hoogleraren verwisseld of verkeerd begrepen, het was in ieder geval duidelijk dat het om een vraagstuk ging dat het menselijk bestaan diep raakte. In een tijd van grote zuigelingensterfte en korte levensduur werden mensen eerder dan tegenwoordig met de dood geconfronteerd. Het sterftecijfer was ook in het midden van de Gouden Eeuw hoger dan het geboortecijfer. Zo vermeldt Van Deursen dat in het dorp Broek in Waterland in een periode van tachtig jaar van elke duizend pasgeborenen er het eerste levensjaar stierven. In de volgende vier levensjaren kwamen daar nog eens 63 sterfgevallen bij.[5] De debatten rond de predestinatie waren dus ook van existentieel belang en dat verklaart voor een deel de hoog oplopende conflicten onder de bevolking.

Remonstrantie en Contraremonstrantie

Omdat Arminius voorstander was van overheidsbemoeienis met kerkelijke zaken, bepleitte hij bij de Staten Generaal het bijeenroepen van een nationale synode ter officiële beslechting van het geschil en een eventuele herziening van de belijdenis. Op 30 oktober 1608 legde Arminius voor de Staten van Holland een Verclaringhe af, waarin hij drie gereformeerde visies op de predestinatie verwierp. Ook Gomarus kreeg gelegenheid om zijn visie voor de Staten uiteen te zetten. Ondertussen was het Twaalfjarig Bestand in de Republiek van kracht geworden. Dit betekende een overwinning voor de politiek van Johan van Oldenbarnevelt, maar tevens een verwijdering tussen hem en prins Maurits. De politieke tegenstellingen werden versterkt door de theologische verdeeldheid. In de regionale vergaderingen begon men stelling te nemen tegen Arminius. Drie maanden na zijn dood stelden zijn volgelingen onder leiding van de predikant Johannes Wtenbogaert (1557-1644) een ‘Remonstrantie’ (vertoogschrift) op, dat voor een groot deel vrijwel letterlijk overeenstemde met de kern van Arminius’ Verclaringhe. Deze Remonstrantie werd in juni 1610 aan de Staten van Holland en West-Friesland aangeboden. Op grond van dit document kregen de aanhangers van Arminius de benaming ‘remonstranten’. Het vormde de grondslag voor het debat over de predestinatie tot ver na de synode van Dordrecht. De Remonstrantie begon met het verzoek tot herziening van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. Deze herziening betrof niet specifieke wijzigingen, maar wel het verzoek om erkenning van het beginsel dat de belijdenisgeschriften regelmatig getoetst moesten worden op hun overeenstemming met de Bijbelse norm en voor verbetering vatbaar waren.

Daarnaast presenteerde de Remonstrantie een samenvatting in vijf punten van de opvattingen van hun opponenten, die men in strijd achtte met de belijdenis, de Catechismus en de Bijbel. Daarop volgden de bekende ‘vijf artikelen’, waarin de remonstranten hun eigen positie weergaven. Zij handelden over de verkiezing van gelovigen (1); het universele karakter van Christus’ offer (2); het geloof, dat de mens niet uit zichzelf heeft, maar uit genade in Christus (3); de genade als begin, voortgang en volbrenging van alle goeds, maar niet ‘onwederstandelijk’ werkend (4); de volharding der heiligen (5). Dit laatste punt handelde over de vraag of de gelovigen door nalatigheid het geloof weer konden verliezen. Over dit laatste punt had men geen zekerheid: voordat men de volharding met volle overtuiging zou durven leren, zou het ‘eerst moeten naerder uyt de Heylige Schriftuere ondersocht zijn’. De Remonstrantie werd besloten met een verzoek aan de overheid om een vrije synode bijeen te roepen en om bescherming tegen kerkelijke tuchtmaatregelen.

De vijf artikelen over de leer uit de Remonstrantie werden aan de classes toegezonden met de opdracht om bij het examineren van aanstaande predikanten niet meer van hen te vragen aangaande de predestinatie dan in deze remonstrantse artikelen stond. Vanwege de onrust die hierop ontstond in de kerken besloten de Staten van Holland en West-Friesland in december 1610 om een conferentie te organiseren met prominente voor- en tegenstanders van de Remonstrantie. In 1611 is deze gehouden als Haagsche of Schriftelicke Conferentie; toenadering bleef uit, maar de schriftelijke discussies zijn naderhand van grote betekenis geweest voor de kennisname van ieders standpunten en argumenten. De tegenstanders van de Remonstrantie, onder leiding van de Amsterdamse predikant Plancius, dienden tijdens de conferentie een ‘tegenvertoog’ in, de zogenaamde ‘Contraremonstrantie’. Daarin werd betoogd dat de Remonstrantie niet aangaf op welke punten de confessie herziening behoefde. Bovendien was men verontwaardigd over het feit dat de Remonstrantie de opvattingen van de tegenstanders in extreme bewoordingen weergaf. Tevens brachten de contraremonstranten in dit document het standpunt naar voren dat men zich bij bezwaren tegen de belijdenis niet tot de overheid, maar tot de kerkelijke vergaderingen diende te wenden. Kerkelijke zaken konden alleen in kerkelijke vergaderingen aan de orde komen.

Een meerderheid van de Statenvergadering onder leiding Van Oldenbarenevelt wenste dat Arminianen en Gomaristen elkaar zouden verdragen. Een minderheid, die later de steun van prins Maurits kreeg, wilde de calvinisten tegemoet komen en de remonstranten buitensluiten. Zo raakte de politiek in de theologische en kerkelijke strijd betrokken. Deze verstrengeling schiep een kloof die niet meer werd overbrugd en die uiteindelijk de aanleiding vormde voor de val van Oldenbarnevelt. Kerkelijke en politieke belangen waren nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden. In de regionale vergaderingen, de classes, begon men stelling te nemen tegen Arminius. Hij scheen voor rechtzinnige calvinisten de belichaming van alle kerkbederf te zijn. Sommige classes eisten van hun dienstdoende predikanten een verklaring dat zij met de Nederlandse Geloofsbelijdenis instemden en het arminiaanse standpunt afwezen. Studenten werden kritisch onderzocht op arminiaanse sympathieën en in tal van plaatsen ontstond grote beroering.

Op de rand van burgeroorlog

De tegenstellingen ten gevolge van de theologische geschillen tijdens het Twaalfjarige Bestand groeiden zo uit tot een ware machtsstrijd. Ondanks de tolerantietactiek van Van Oldenbarnevelt en de Staten van Holland namen de spanningen onder de bevolking toe. De diepgaande verdeeldheid kon niet meer overbrugd worden ondanks de resolutie tot de vrede der kercken, die op verzoek van de Staten was opgesteld door de jonge jurist Hugo de Groot, de geestelijke vader van de tolerantiepolitiek van Oldebarnevelt. Als afgevaardigde van de Staten van Holland sprak hij op 23 april een meer dan twee uur durende redevoering voor de raad van Amsterdam – centrum van het contraremonstrantse verzet – over tolerantie als de grote voorwaarde voor de bloei van de godsdienst en de welvaart van de Republiek. Zijn pleidooi mocht niet baten, maar verscherpte juist de tegenstellingen.

Dat bleek bijvoorbeeld uit Oldenbarnevelts scherpe resolutie van augustus 1617. Nadat Maurits op 23 juli van dat jaar met zijn gevolg demonstratief de contraremonstrantse kerkdienst in de Haagse Kloosterkerk had bezocht en daarmee openlijk partij koos voor de zaak der contraremonstranten, sloeg de landsadvocaat terug met een resolutie waardoor stedelijke overheden werden gemachtigd om ‘waardgelders’ in dienst te nemen. Deze waardgelders bestonden uit kleine huurlegers, die de orde moesten bewaken en onlusten in de steden de kop indrukken. De aanwezigheid van deze troepen leidde in verschillende steden tot hevige rellen. In Leiden moest voor het stadhuis in de Breestraat aan weerszijden een omheining van in de grond geslagen palen (de ‘arminiaanse schans’) worden opgericht om de overheid en de waardgelders bescherming te bieden. Tegelijkertijd werd in deze scherpe resolutie het bijeenroepen van een nationale synode afgewezen, onder protest van Amsterdam, Enkhuizen, Edam, Purmerend en Dordrecht. De protesterende steden vergaderden afzonderlijk in Den Haag en drongen aan op het houden van een nationale synode. Onder deze druk werd daartoe door de Staten-Generaal in oktober 1617 alsnog besloten. Daarop maakte Maurits onmiddellijk van zijn bevoegdheid als stadhouder gebruik om in steden met een remonstrantse meerderheid nieuwe magistraten te benoemen, die contraremonstrants gezind waren. In augustus 1618 liet hij Oldenbarnevelt gevangennemen en kreeg Hugo de Groot levenslang in de staatsgevangenis slot Loevestein. Wtenbogaert vluchtte naar Antwerpen. Op 12 mei 1619 sprak de door Maurits ingestelde Generaliteitsrechtbank van 24 rechters het doodvonnis uit over Oldenbarnevelt. In het gedrukte vonnis werd de term ‘landverraad’ niet gebruikt maar wel bedoeld. Officieel heette het dat Oldenbarnevelt werd terechtgesteld vanwege ‘subversie van religie en politie’ en ‘perturbatie van de gemene (algemene) rust’. De ochtend van de volgende dag werd hij op een schavot voor de Ridderzaal publiekelijk onthoofd.

Internationale dimensies van het conflict

In recente literatuur over de bestandstwisten is het nog steeds een punt van discussie wat de oorzaak geweest is van de val van Oldenbarnevelt. Was het kerkelijk conflict oorzaak of slechts aanleiding? Waarschijnlijk heeft Oldenbarnevelt het belang van de kerkgeschillen onderschat. Hoewel zijn theologisch standpunt op veel punten overeenkwam met dat van Gomarus, kwam het er voor Oldenbarnevelt niet op aan wie gelijk had. De theologische verschillen waren naar zijn oordeel niet van fundamenteel belang. De kwestie was wie daarover mocht beslissen.

Voor Oldenbarnevelt stond het vast dat een christelijke overheid het gezag uitoefende over de kerk. Naast het kerkelijke conflict wordt ook gewezen op de relatie daarvan met de buitenlandse politiek. Zijn hardnekkige oriëntatie op het rooms-katholieke Frankrijk maakte hem in de ogen van de contraremonstranten verdacht. Maurits daarentegen had na de dood van de Franse koning Hendrik IV (‘Paris vaut bien une messe’) al zijn kaarten op Engeland gezet, waar koning Jacobus I zichzelf beschouwde als de tegenvoeter van de paus van Rome en als de redder van het protestantisme in Europa.

De internationaal-politieke dimensie van het theologische geschil kwam naar voren in de affaire rond de benoeming van Conrad Vorstius (15691622) als opvolger van Arminius te Leiden. Ondanks protesten van Gomarus en dankzij invloed van Oldenbarnevelt en Wtenbogaert ging zijn benoeming toch door en werd hij op 24 mei 1610 als hoogleraar geïnstalleerd. De Engelse koning Jacobus, die, voorgelicht vanuit Nederland, Vorstius’ boeken te Oxford en Cambridge liet verbranden, oefende druk uit op de Staten-Generaal om hem te ontslaan. Oldenbarnevelt en de Staten kozen eieren voor hun geld en besloten Vorstius op non-actief te stellen, ondanks het verzet van de Leidse magistraat en de curatoren van de academie. De affaire-Vorstius bleef een slepende kwestie, waardoor de verhoudingen tussen Nederland en Engeland aanzienlijk verslechterden. Hoewel Maurits maar zijdelings bij deze affaire betrokken was, profileerde hij zich na kennisname van de Engelse bezwaren tegen Vorstius als vriend van Engeland en als tegenstander van de remonstranten.

Bavianen en slijkgeuzen

Dat de theologische geschillen diepe sporen achterlieten in dorpen en stad, kerk en gezin, en dus bij de ‘gewone’ kerkgangers, blijkt uit de propaganda waarbij beide groepen hun aanhang onder het kerkvolk probeerden te vergroten. De stroom van pamfletten die zowel voor als na de synode van de persen rolde geeft ons een goed inzicht over wat er speelde op het kerkelijk grondvlak. Beide groepen deden hun duit in het zakje. Omdat het in de Nederlandse (kerk)geschiedschrijving gebruikelijk is om te spreken over ‘felle’ en ‘strenge’ calvinisten, gaat men vaak voorbij aan het feit dat de remonstranten uit die tijd in veel opzichten met dezelfde termen getypeerd kunnen worden. In Alkmaar bijvoorbeeld brak een heus oproer uit onder de arminiaansgezinde, gegoede burgerij onder leiding van de predikant Adolf de Jager (Venator), dat was gericht tegen de aanhangers van de calvinistisch gezinde predikant Cornelis Hille (Hillenius), die door de Alkmaarse vroedschap werd afgezet. Hij ging te Koedijk preken, waarop zijn aanhangers, die hem door weer en wind over de beslijkte wegen daarheen volgden, ‘slijkgeuzen’ werden genoemd, welk scheldwoord interlokale verbreiding vond. De spotnaam ‘bavianen’, in de volksmond de benaming voor de remonstranten, kwam pas later in zwang en stamt volgens A.Th. van Deursen uit februari 1617, toen bij de bestorming van het huis van een prominente remonstrant in Amsterdam een van de aanwezige remonstranten vanwege zijn vreemde uiterlijk – een gerimpeld hoofd zonder baard – werd uitgemaakt voor een ‘baviaensch jongh’. De naam ‘baviaan’ kan overigens ook gewoon een klankvariatie op ‘arminiaan’ zijn geweest.[6]

Het verloop van de Synode

In 1618 werd in Dordrecht de Nationale Synode bijeengeroepen door de Staten-Generaal. De contraremonstranten verkeerden daarbij in een merkwaardige positie. Zij hadden altijd het standpunt ingenomen dat de burgerlijke overheid zich buiten kerkelijke zaken diende te houden. Nu stemden ze in met het ingrijpen van de overheid. Maar voor de remonstranten was de situatie even merkwaardig. Zij drongen steeds aan op een dergelijk ingrijpen. Zij moesten nu toezien hoe in de praktijk deze visie zich tegen henzelf keerde.[7][8][9]

Na een voorbereidende bijeenkomst met de gedeputeerden van de Staten-Generaal waarin allerlei formele kwesties werden geregeld – rangorde van zitplaatsen, manier van stemmen – kwam de synode op 13 november 1618 voor het eerst bijeen en vergaderde vervolgens tot en met 29 mei 1619. Zij duurde 29 weken. Drie weken vergaderde de synode niet: van 26 maart tot 15 april, want in die periode werden door een brede commissie de vijf artikelen ontworpen die pas na officiële afkondiging bekend werd als de canones of leerregels. Er vonden in totaal 180 sessies plaats in zesentwintig weken. Dat kwam neer op gemiddeld zeven zittingen per week. De omgangstaal was het Latijn, de internationale geleerdentaal. Dat had natuurlijk consequenties voor de keuze van afgevaardigden. Zonder kennis van het Latijn was deelname aan of kennis van de discussies ter synode onmogelijk.

Dat internationale karakter van de synode kwam naar voren door aanwezigheid van 23 buitenlandse afgevaardigden – uit Engeland, de Palts, Hessen, Genève, Nassau en de Wetterau, Zwitserland, Bremen en Schotland – die ook allen hun oordeel hebben uitgesproken. Niet ten onrechte wordt deze synode als een algemeen gereformeerd concilie beschouwd. Verder waren ter synode aanwezig: 37 predikanten, 19 ouderlingen, 18 commissarissen-politiek (afgevaardigden van de overheid) en de hoogleraren Polyander (Leiden), Gomarus (Groningen), Lubbertus (Franeker), Thysius (Harderwijk) en Walaeus (Middelburg).

De zaal van de Kloveniersdoelen in Dordrecht waar zitting gehouden werd, is bekend van prenten en penningen. Aan het einde voor de schouw zat het moderamen van de synode. Een langwerpige tafel in het midden van de zaal was voor de ‘geciteerde’ (gedaagde) remonstranten, van alle kanten omgeven door hun aanklagers. Bepaald geen opstelling die een open debat suggereerde. De kosten voor de overheid moeten enorm geweest zijn. Ze werden geraamd op meer dan honderdduizend gulden. Daarnaast waren er de dagelijkse vergoedingen voor de synodeleden inclusief de remonstrantse predikanten, gemiddeld zo’n tien tot twaalf gulden per dag. Gegeven het feit dat de minimumbehoefte voor een volwassene in die tijd tachtig gulden per jaar bedroeg, is het duidelijk dat de afgevaardigden ter synode royaal beloond werden. Zij waren trouwens niet de enige aanwezigen in de Kloveniersdoelen. Op oude afbeeldingen (bijvoorbeeld die van de Middelburgse kunstenaar François Schillemans) ziet men op de galerij bezoekers staan en een hond lopen. Soms nam het geroezemoes van de bezoekers zulke vormen aan dat de synodeleden geïrriteerd raakten.

Aanvankelijk verliep de synode uiterst moeizaam. De remonstranten onder leiding van Simon Episcopius (1583-1643) verzetten zich tegen de procedure die gevolgd werd en probeerden in ellenlange redevoeringen de bevoegdheid van de synode aan te vechten. De remonstranten voelden zich als beklaagden behandeld. Over het eigen standpunt hield men zich op de vlakte. Wel wezen de remonstranten uitvoerig op het ongerijmde van de door hen bestreden standpunten, zoals de notie van de verwerping. Daardoor zou God tot auteur van het kwaad en de zonde zijn gemaakt. Omdat men aan een bespreking van het eigenlijke leergeschil op die wijze niet toekwam, besloot de synodevoorzitter Johannes Bogerman op 14 januari 1619 na overleg met de commissarissen-politiek de remonstranten weg te zenden. Hij deed dat met de emotionele woorden: ‘Dimittimini, exite, exite’ (U wordt nu weggestuurd, verdwijn, verdwijn). Boze (contraremonstrantse) tongen beweerden later dat de remonstranten de zaak met opzet vertraagd hadden om zo het land op kosten te jagen.

De Canones

Na de wegzending van de remonstranten bogen de binnen- en buitenlandse vertegenwoordigers van het gereformeerde denken zich over de gerezen problemen. De Dordtse leerregels of canones, die in de volgende zittingen werden opgesteld, volgen in vijf hoofdstukken op de voet de vijf punten van de Remonstrantie. In elk hoofdstuk wordt eerst een positieve uiteenzetting van het gereformeerde standpunt gegeven, gevolgd door een verwerping van de remonstrantse visie op dat punt. De eerste canon handelde in achttien paragrafen over de goddelijke voorbeschikking, de tweede in elf paragrafen over de dood van Christus en de verzoening. In de derde en vierde canon, die tezamen zeventien paragrafen omvatten, werd gesproken over de verdorvenheid van de mens, zijn bekering en de wijze waarop deze tot stand komt, terwijl in canon vijf de volharding der heiligen beleden werd. Deze canones werden gebaseerd op uitspraken van alle leden van alle negentien secties waarin de synode was onderverdeeld. Men kan in dit verband terecht spreken van een consensus-document.[10]Ondanks enig protest van de afgevaardigden van Bremen en Hessen werden de canones in de 136ste zitting vastgesteld en op 6 mei een voltallige zitting in de Grote Kerk te Dordrecht afgekondigd. Het afscheidsmaal daarna – voor 130 personen en aangeboden door de stad Dordrecht – kostte meer dan 12.000 gulden, inclusief de achtergrondmuziek verzorgd door musici uit de regio en vrouwen die van achter de gordijnen zongen. De historicus J. Presser merkte hierbij op: ‘Met deze bijzonderheden is wel het meest opgewekte deel van de synode verhaald; de rest biedt een heel wat strakker, soberder beeld.‘[11] Volgens een vinnig remonstrants commentaar uit die tijd was de maaltijd echter nodig geweest om de zwaarmoedigheid van de Dordtse vaderen te verdrijven en om de ellende te vergeten die zij in het land veroorzaakt hadden door het afzetten van remonstrantse predikanten.[12]

De theologische betekenis van Dordt: erfgoed of zwerfgoed?

In onze tijd vormt deze predestinatieleer – in haar dubbele gestalte van verkiezing en verwerping- voor velen een groot struikelblok. Wijlen H.A. Oberman sprak in dit verband van een internationaal erkende ‘grens van het calvinisme.’[13] Daarmee bedoelde hij dat velen deze predestinatieleer beschouwen als een christelijke traditie van gisteren, een gepasseerd station, waarmee een echte dialoog niet meer lonend is, een hindernis op weg naar de oecumene. Hij wijst er bovendien op dat niet alleen internationaal, maar ook nationaal de opvattingen van Arminius en zijn volgelingen, de remonstranten, zich hebben doorgezet in de protestantse theologie van Nederland. Zou Arminius, gelet op de inhoud van zijn predestinatieleer, vandaag niet een goede confessioneel of bonder geweest zijn?

Blijft natuurlijk de vraag of Dordt inderdaad een geloofsgoed van eergisteren is. Heeft deze synode afgezien van de historische context waarin ik haar nadrukkelijk geplaatst heb toch een blijvende theologische betekenis? Ik wil daarover drie opmerkingen maken.

In de eerste plaats een historische opmerking: de gereformeerde orthodoxie heeft de predestinatie niet uitgevonden. De Bijbel spreekt erover. Augustinus en vele middeleeuwse theologen zoals Thomas en Duns Scotus, de reformatoren Luther en Calvijn – om slechts enkele namen te noemen – kenden de notie ook. We moeten deze leer plaatsen in een breed theologiehistorisch perspectief.

In de tweede plaats maak ik een taalkundige opmerking. Een semantische analyse van de term ‘praedestinatie’ leert dat gereformeerde scholastici en hun middeleeuwse voorgangers het voorzetsel prae- niet hanteerden als een chronologische aanduiding. Dit voorzetsel wijst niet op een vanaf eeuwigheid gefixeerd scenario voor de mensheid, waarvan God zelf en wij mensen de gevangenen zijn. Integendeel. Het voorzetsel prae- is aanduiding van een structurele categorie, die wijst op de absolute prioriteit van Gods handelend initiatief.[14] En daarin vindt een mens zekerheid. Bovendien wordt niemand op de verwerping aangekeken. Pastoraal geldt voor elk mens wie hij of zij ook is het oordeel der liefde (judicium caritatis).

In de derde plaats een meer systematische kanttekening. We kunnen niet stellen dat de gereformeerde orthodoxie een theologie construeerde die uitging van slechts één centrale hoofdgedachte, namelijk het absolute besluit van de goddelijke predestinatie, dat als een decretum horribile het hele systeem beheerst. Zo’n centraal dogma is een typisch negentiende-eeuwse constructie en werd geïntroduceerd door de school van de Zwitserse theologiehistoricus Alexander Schweizer (1808-1888), die ook in Nederland grote invloed verkreeg.[15] Wie kennis heeft van het gehele corpus van de klassiek gereformeerde theologie ontdekt dat nergens in deze theologie de leer van de besluiten van God en zeker niet de predestinatieleer aangewezen worden als het principium theologiae (uitgangspunt van de theologie) of als articulus fundamentalis (fundamenteel artikel). Ook niet in de leerregels.[16]

Ten slotte een samenvattende opmerking. Met de opstelling van de Dordtse leerregels werd ten aanzien van de predestinatie inderdaad een standpunt geformuleerd dat medebepalend werd voor de verdere ontvouwing van de gereformeerde theologie. Daarbij moet echter wel aangetekend worden dat het historisch en theologisch onjuist zou zijn om in deze leerregels een samenvatting te zien van de gehele gereformeerde theologie. Door het debat met de remonstranten zijn ze een uitvergroot fragment, maar wel een fragment dat vervolgens weer teruggeplaatst moet worden in het grotere verband van de gehele gereformeerde traditie.

Dat impliceert tevens dat de beslissingen van de synode van Dordrecht niet beschouwd kunnen worden als een ‘boventijdelijke’ of ‘eeuwige’ norm. Ze moeten in hun historische context geplaatst worden. Dat het daarbij om een voor de Nederlandse protestantse kerk om een belangwekkende gebeurtenis gaat – een lieu de mémoire – die mede de gereformeerde identiteit heeft bepaald, staat mijns inziens buiten kijf. We zullen in ieder geval in gesprek moeten blijven met de beslissingen die tijdens deze synode genomen werden.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken