Ecce Homo
Volgens het evangelie had Pilatus, om toch iets te doen, de gegeselde Jezus aan het volk gepresenteerd met de woorden: ‘Ecce homo; hier is hij, de mens’. Vestdijk construeert een ontmoeting tussen Pilatus en Maria van Magdala. Hij krijgt haar lief, maar ontdekt door de woordjes die ze in ogenblikken van sensuele opwinding fluistert, dat haar liefkozingen eigenlijk voor die ander bestemd zijn. Nadat zij door de krankzinnige keizer Caligula vermoord is, blijft Pilatus achter als een gebroken man. Zijn liefde is onbeantwoord gebleven. Vestdijk tekent hem in die situatie als een toonbeeld van menselijke ellende ‘en het “Ecce homo”, dat hij de joden had voorgehouden om hun medelijden op te wekken, was op hem meer van toepassing dan op de man, wien het indertijd gegolden had’. De tragiek van Pilatus is er een van een soort die in veel boeken van Vestdijk kan worden aangetroffen. Het is de tragiek van een man die, zoals ergens terloops wordt opgemerkt, ‘er buiten stond, zoals altijd’(p. 362).