Een blijvende relatie met God
7e zondag van de herfst (Job 19,23-27a en Marcus 12,18-27)
Bij sommige vragen ben je niet alleen nieuwsgierig naar het antwoord, maar ook naar de achtergrond van de vraag. Waar komt die vraag vandaan? Waarom komt juist die persoon met deze vraag? Is de vraag ter zake? Is het een goede vraag waarop een helder antwoord mogelijk is? Dit wordt allemaal opgeroepen door de vraag waarmee de sadduceeën proberen Jezus bijbels klem te zetten. Ze vragen naar het geloof in de opstanding der doden, maar het gaat vooral ook over wie het in dit leven voor het zeggen heeft.
De sadduceeën
Over de sadduceeën is weinig bekend, en wat we van hen weten komt van anderen. Dat zijn doorgaans tegenstanders, dus die informatie is mogelijk gekleurd. In de dagen van Jezus vertegenwoordigden zij het religieuze establishment. De naam sadduceeën is waarschijnlijk afgeleid van de naam van de eerste hogepriester in de tempel van Salomo, Sadok. In het Hebreeuws is dat – anders dan in de weergave van de namen in vertalingen – goed te zien. De hogepriesters die een belangrijke rol speelden in de veroordeling van Jezus behoorden waarschijnlijk ook tot de sadduceeën.
Theologisch gezien zou je hen fundamentalisten kunnen noemen. Ze hielden strikt vast aan de boeken van Mozes en waren wars van vernieuwing. Daarin verschilden ze van de farizeeën, die ook openstonden voor een verdere ontwikkeling van de geloofsleer. Dat leidde onder andere tot een verschil van inzicht met betrekking tot de opstanding der doden en de rol van de engelen. Paulus maakt er slim gebruik van door de sadduceeën tegen de farizeeën uit te spelen (Hand. 23,6-9). In de bredere context van het verhaal in Marcus 12 speelt het ook een rol.
De opstanding
Op het eerste gezicht is de bewijsvoering van zowel de sadduceeën als van Jezus merkwaardig. Noch in de door de sadduceeën aangehaalde tekst uit Deuteronomium 25,5-6, noch in de door Jezus aangehaalde tekst uit Exodus 3,6 gaat het immers expliciet over het leven na de dood.
Wie Deuteronomium 25 opslaat, ziet dat er in het citaat in Marcus 12 iets belangrijks ontbreekt. Er staat namelijk bij wat de achtergrond is van deze zwagerplicht. Het gaat erom dat de naam van de overledene zal voortleven (Deut. 25,6). Dat past bij de traditionele manier waarop in de Hebreeuwse Bijbel over het leven na de dood van het individu wordt gesproken: je leeft voort in het nageslacht. Abraham stierf een goede dood, omdat hij lang geleefd had en afscheid kon nemen van het leven te midden van nakomelingen met goede, mede door Abraham bewerkte vooruitzichten. Volgens de sadduceeën kon je het daar ook maar beter bij laten. Hun grootste bezwaar tegen latere opvattingen over opstanding der doden, eeuwig leven en hemelse zaligheid was dat daarmee de grens tussen God en mens wordt overschreden.
Ze waren het eens met Prediker: ‘God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn’ (Pred. 5,1). Dat betekent ook dat je beter niet kunt speculeren over zoiets als een onsterfelijke ziel (Pred. 3,18-21) en dat je maar beter gewoon moet accepteren dat een mens sterfelijk is (Pred. 9).
Binnen de Hebreeuwse Bijbel ontdekken we echter ook een heel andere benadering. Dat heeft te maken met de situatie van de gelovige. Job accepteert niet dat het voor hemzelf met de dood allemaal uit zou zijn. Hij wil dat hem hoe dan ook recht gedaan wordt. Het mag toch niet zo zijn dat met zijn dood zijn klacht zou verdwijnen. Hij wil zijn woorden wel voor altijd in een rots graveren (Job 19,23-24). Hij gaat ook tot het uiterste in zijn Godsvertrouwen, ook al kan hij niet precies beschrijven hoe dat dan gestalte zou kunnen krijgen. Dit is een heel andere en ook passender manier van omgaan met de vraag naar het leven na de dood. Het is niet iets van rationeel op een rijtje krijgen hoe het precies zit. Het is meer een sprong van vertrouwen in een blijvende relatie met God.
Zo moeten we dan ook het antwoord van Jezus zien. In het aangehaalde verhaal van Gods openbaring aan Mozes bij de brandende maar niet verterende doornstruik gaat het niet expliciet over het leven na de dood. Het gaat wel over de blijvende relatie met God. Wat dat betreft is die brandende doornstruik ook een mooi symbool. Het gaat om een vuur dat in je blijft branden zonder dat het je verteert.
De vragen
Het verhaal van de discussie met de sadduceeën is onderdeel van een drieluik. In de NBV is dat goed weergegeven door Marcus 12,13-34 samen te nemen onder het opschrift ‘Confrontatie met farizeeën, herodianen en sadduceeën’. Het begint met de nadrukkelijk als strikvraag gepresenteerde vraag van farizeeën en herodianen over belasting. Daarna volgt de vraag van de sadduceeën over de opstanding. Ten slotte vraagt een van de schriftgeleerden naar het belangrijkste gebod. Daar zit een stijgende lijn in: van geld via persoonlijk heil naar de liefde.
De vragenstellers blijken steeds beter te begrijpen waar het Jezus om te doen is. De sadduceeën krijgen te horen dat ze ‘vreselijk dwalen’, terwijl aan het slot wordt vastgesteld dat de schriftgeleerde ‘niet ver van het Koninkrijk van God is’. Jammer is het wel dat de groep van vragenstellers inmiddels wel heel klein is geworden. De volgende keer dat de hogepriesters en schriftgeleerden in beeld komen, maken ze plannen om definitief van Jezus af te komen. De tijd van vragen is bij hen voorbij.
Deze exegese is opgesteld door Klaas Spronk.