Menu

Premium

Een doophomilie?

Bij 1 Petrus 3,14-22

Als deze brief als geheel een doophomilie is, zoals sommigen veronderstellen, dan is vers 21 de climax. Daar zegt de auteur immers na een lange aanloop wat de doop volgens hem is – al is de geboden omschrijving dan nog niet zo gemakkelijk te duiden. Wel is duidelijk dat volgens de auteur in het geheim van de doop alles samenkomt: de zondvloed en de opstanding van Jezus Christus raken elkaar.

Als je op het internet gaat zoeken naar 1 Petrus 3,18-21, krijg je honderden websites die ons willen behoeden voor een verkeerd begrip van wat er staat. Op elk van die websites wordt, dikwijls met verbetenheid, de enig mogelijke uitleg gepresenteerd. Ik lees bijvoorbeeld op diverse sites dat Christus’ verkondiging aan ‘de geesten in de gevangenis’ niet bevrijdend maar beschuldigend moet zijn geweest: denk maar niet dat ze nog een tweede kans kregen.

Aansporing om Christus’ levensweg te gaan

Doophomilie of niet: de brief is volgens mij geen traktaat over het doopsacrament. Het is een aanmoediging om te durven leven op een manier die binnen de grenzen van het aardse bestaan met lijden en ondergang gepaard kan gaan. Het gaat om de weg van Jezus Christus, een leven in daadwerkelijke verbondenheid met God. De doop markeert die verbondenheid en dat is voor de auteur van 1 Petrus heel reëel: het doopwater redt je (21). Maar het betoog in de brief theoretiseert niet over de doop.

Als ik de brief goed lees, zie ik telkens terugkomen dat het de moeite waard is om die onvanzelfsprekende levensweg van Jezus Christus te leven: goed blijven doen te midden van het kwaad, goed doen ook als wie goed doet, geen goed ontmoet. Er wordt weleens gezegd dat 1 Petrus zoiets als ‘vreugde in het lijden’ predikt, maar het gaat in feite om vreugde in de verbondenheid met Jezus Christus en zijn goede levensweg, die in het aardse bestaan wel onderging in de dood, maar door de hemel werd bekroond met de opstanding.

De theologische betooglijnen en de praktische vermaningen in de brief komen ook precies op dat punt bij elkaar: dat je in de wereld aanwezig bent zoals Christus aanwezig was, ook als dat geen onmiddellijk rendement oplevert, omdat je alleen zo de verbondenheid met Christus, met God en met het ultieme levensperspectief kunt uitleven. Een goed spoor trekken in een kwade wereld, zoiets. Jezus heeft als goede voor kwaden geleden (18): dat is de ultieme goedheid waartegen het kwaad het ten slotte zal afleggen.

‘Geesten in de gevangenis’

In de verzen 18-22 komt het betoog tot een hoogtepunt, met lange lijnen en grote contrasten. Er wordt een boog gespannen tussen de dagen van Noach en de dagen van nu. We lezen over de geesten van weleer in de gevangenis (19) en de engelen, machten en krachten in de hemel (22), en deze beide uitein den van het kosmische spectrum worden verbonden doordat Christus zich aan beide presenteert door erheen te gaan (beide keren met poreutheis, 19.22). Het contrast tussen ‘vlees’ en ‘geest’, sarx en pneuma (18), lijkt daar een rol in te spelen. Naar het vlees ging Christus ten onder, maar in de geest is Hij levend gemaakt en in die levende kwaliteit is Hij naar de ‘geesten in de gevangenis’ gegaan. Gezien vanuit de grote lijnen in de brief ligt hier een aanmoediging om niet de ondergang van het vlees te vrezen, maar je te verbinden met de wereldomspannende levenskracht van de geest van Christus.

De auteur vertelt ons niet wat Christus volgens hem ‘in de gevangenis’ is wezen prediken. Maar vanuit de teneur van zijn betoog ligt het voor de hand dat het een goede boodschap is: Hij sterft als goede voor kwaden, Hij belichaamt de levensbeweging tegen de doodstrend in. De overtuiging van heel wat protestantse uitleggers, dat Christus naar de geestengevangenis ging om ze hun doem definitief in te wrijven, is van een cynische hartgrondigheid die in tegenspraak is met alle vermaningen in de brief, namelijk om goed en gunnend te leven, als het moet tegen de verdrukking in.

Antitype

Het water van de doop is volgens vers 21 een ‘antitype’ van het water van de grote vloed. Het Griekse antitupos laat twee duidingen toe: dat vloedwater en doopwater parallellen zijn, of tegengestelde grootheden. Als het parallellen zijn, dan is het in beide gevallen reddend water: het spoelt Noachs achttal naar de toekomst en het verbindt ons met Christus’ opstanding. Als het om een tegenstelling gaat, bracht het vloedwater die geesten van toen in de gevangenis, terwijl het doopwater ons redt. De tekst is dermate verknoopt, dat ik niet echt kan kiezen.

Het lijkt of de auteur in vers 21 een definitie van de doop geeft, maar op het eerste gezicht werkt die bepaald niet verhelderend: ‘niet van het vlees een aflegging van vuil, maar van een goed geweten een vraag naar God toe door de opstanding van Jezus Christus (…)’. Als dat doopcatechese is, valt er didactisch nog wel wat te winnen. Ik ben geneigd de sleutel tot het verstaan van deze woorden in de term ‘een goed geweten’ te zoeken. Het gaat misschien niet zozeer om een schoon geweten in onze betekenis van het woord, maar om, zoals de term suneidèsis letterlijk zegt, een goed ‘meeweten’, een afstemming op de golflengte van God, een ingetuned-zijn op God. Dat is de stap die de doopleerling doet: hij neemt de wereld van God, zoals Christus die voor hem heeft opengelegd, als nieuw referentiekader in plaats van de oude kaders van in zijn wereld geldende normen en waarden.

Dan is het mogelijk toch een doophomilie. Maar het gaat bij de doop niet over de doop, maar over het leven in opstandingsperspectief.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken