Menu

Basis

Een glimp van de hemel

Alternatief bij Pinksteren (Exodus 24 en Psalmen 87)

Wie de tekst van Exodus 24 rustig doorleest, krijgt de indruk dat hier meerdere reporters elkaar afwisselen, zoals je dat kent van voetbalverslaggeving op de radio: als de één achter adem is, neemt de ander het over. Maar je krijgt bovendien de indruk dat ze niet allemaal naar dezelfde wedstrijd kijken. Het kopje dat de meeste bijbeledities erboven zetten, luidt: ‘De verbondssluiting’, maar het verhaal is allesbehalve sluitend.

De verbondssluiting, de plechtige aanvaarding van de Woorden van God: dat zou een stralende bekroning van de voorgaande hoofdstukken moeten zijn, zeker nu we er op het Pinksterfeest de lezingenreeks uit Exodus mee afsluiten. Waarom moet juist die tekst zo rafelig zijn? Of is het de bedoeling dat we met Pinksteren het plaatje niet scherp krijgen? Ontstaat juist in onze onmacht om het helder vast te leggen de ruimte voor de Geest van God?

Communieviering met God

Er wordt in dit hoofdstuk veel opgeklommen en gegaan. In de eerste verzen wordt Mozes opgeroepen om met drie priesters (Aäron en zijn twee oudste zonen) en zeventig oudsten op te klimmen naar de Eeuwige – ze moeten opklimmen, maar wel op afstand blijven, alleen Mozes mag écht tot de Eeuwige naderen. Dan lezen we: ‘En Mozes ging’ (24:3), maar daar gaat hij naar het volk toe om hun alle woorden en leefregels van God te vertellen. Vervolgens schrijft hij die leefregels op, en de volgende dag volgt de grote verbondsceremonie met gedenkstenen, stierenoffers en overvloedige bloedsprenkeling. Dan wordt alweer het verbondsboek voorgelezen, en voor de tweede keer verklaart het volk dat het zich aan al die Godswoorden gebonden acht. Daarna (24:9) gaan ze dan toch, Mozes en de drie en de zeventig, en vieren ze daarboven de communie met de Eeuwige (24:11). Maar dan klinkt opnieuw de oproep aan Mozes om op te klimmen. Er klinken andere namen: Jozua is er opeens bij, en Aäron blijft met de oudsten beneden (of halverwege?), niet vergezeld van zijn zonen, maar samen met Chur. De leefregels moeten nu nog opgeschreven worden, door de Eeuwige zelf, en Mozes moet ze komen halen om ze bij het volk te kunnen brengen, zodat uiteindelijk (in Exodus 34) het verbond gesloten kan worden.

Onttrokken aan elke beschrijving

Het is, kortom, niet zo helder als we soms zouden willen, maar dat past wel bij de grote vragen van het geloof. Wie heeft de leefregels geschreven? Zijn het de woorden van God of de woorden van Mozes? Is het mondelinge overlevering (24:3) of staat het zwart op wit (24:4) of komt het rechtstreeks uit de hemel (24:12)? En ook: heeft niemand God ooit gezien (Johannes 1:18), of heeft alleen Mozes God gezien (Exodus 33), of hebben ook de drie en de zeventig God gezien en met Hem gegeten en gedronken (24:10-11)? Ik vind het wel mooi dat er staat dat ze de Eeuwige zagen en ‘onder zijn voeten was als het ware betegeling van saffier’ – alsof ze niet hoger konden zien, alsof het daar onder zijn voeten al té stralend was om de ogen hoger te kunnen heffen. Of misschien: wat daarboven was, onttrekt zich aan elke beschrijving. Van het Godsbeeld is alleen de sokkel enigszins in woorden te vatten.

God is teder, en wat doet zijn volk?

Drie zaken frapperen me als ik deze lezing beluister in het kader van het christelijke Pinksterfeest. Ten eerste dat er in 24:11 expliciet wordt gezegd dat de Eeuwige niet uithaalt naar die delegatie die halverwege is opgeklommen en God heeft gezien. Ze eten en drinken en God ‘eet ze niet op’. Bij alle vuur en verschrikking gaat de Eeuwige teder om met zijn breekbare mensen. Dat zie ik terug in Handelingen 2, waar het vuur op de
hoofden de mensen niet verzengt, en de storm in het huis de vlammetjes niet uitblaast: de grootheid van God verplettert de mensen niet, maar houdt ze heel of máákt ze heel. Mijn tweede observatie is donkerder. Wie Exodus 24 leest, weet hoe het verdergaat: Mozes zal voor het volk zeven plus veertig dagen buiten beeld zijn, en terwijl hij daarboven een liefdevol gedetailleerde bouwbeschrijving van het heiligdom ontvangt,
gaat het volk innerlijk terug naar het slavenbestaan en investeert het alles wat kostbaar is in een afgod, het gouden stierkalf. Leg dat naast het christelijke Pinksteren: Jezus is buiten beeld, opgenomen in het licht van de Eeuwige, en wat doet zijn volk intussen? Blijft het op zijn golflengte van bevrijding, of keert het zich innerlijk af van de hemel om zich opnieuw aan van alles en nog wat te verslaven?

De volkeren inbegrepen

Gelukkig is er nog een derde ding: er wordt wel gezegd dat het getal zeventig in de Hebreeuwse Bijbel steevast een verwijzing is naar de volkerenwereld die altijd in het vizier is. Als Israël begrepen is in het getal twaalf (de gedenkstenen van 24:4, de twaalf apostelen), is de volkerenwereld begrepen in het getal zeventig: de oudsten in Exodus 24, de zeventig uitgezondenen in de synoptische evangeliën. Het zijn de zeventig die communie vieren halverwege de berg, en die een onuitsprekelijke glimp van de hemel ontvangen. Daar past dan Psalmen 87 mooi bij, waar die andere heilige berg de wieg wordt die alle volken geboorterecht verleent. Veel blijft onhelder tussen hemel en aarde en veel gaat er mis. Er is onduidelijkheid in de lijstjes van wie er wel en niet die berg beklommen hebben en zo ja, hoe hoog ze mochten gaan en wat ze wel en niet hebben gezien – en ook valt erover te twisten of de leefregels beneden of boven zijn opgetekend. Voor de speelruimte van de Geest in ons leven is die onhelderheid misschien wel fundamenteel.

Deze exegese is opgesteld door Piet van Veldhuizen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken