Menu

Premium

Een hymne op Gods redding

bijbel

Alternatief bij Kerstdag (Titus 3:4-7)

Welke predikant moet met Kerstmis niet de neiging onderdrukken om de jaarlijkse kerkgangers te wijzen op het verzaken van hun christenplicht van elke zondag, ja, van elke dag? En welke predikant heeft niet ook de beschamende ervaring dat er buiten de kerk soms betere christenen rondlopen dan daarbinnen? Paulus’ woorden aan Titus lijken goed toepasbaar op de brave burgerlijke viering van Kerstmis. We moeten ons onderwerpen aan overheid en gezag, niemand belasteren, vriendelijk zijn, zachtmoedig omgaan met alle mensen en nog zo wat (3:1-2). Slaafse burgerlijke gehoorzaamheid of toch iets anders?

De perikoop van vandaag (3:4-7) is in vertalingen doorlopend proza, maar in de uitgave van het Griekse Nieuwe Testament weergegeven als een hymne, een lofzang. De ene lange zin beslaat in die weergave elf regels, waarin de redding door het ‘bad der wedergeboorte en vernieuwing van de heilige Geest’ het centrum vormt. Die redding in het midden weerspiegelt zich aan het begin en aan het einde van de hymne in wie dat tot stand brengt. Onze Redder’, God (3:4) en Jezus Christus (3:6), die daarmee op één lijn komen te staan.

Vervolgens vindt die redding niet plaats op grond van onze eigen werken van gerechtigheid (3:5), maar door de rijkelijke uitstorting van de Geest over ons (3:6). Ten slotte vindt dit alles zijn oorsprong in de mildheid en menslievendheid van God (3:4). Het loopt uit op de rechtvaardiging door zijn genade en het erfgenaam of deelgenoot worden aan het leven in eeuwigheid (3:7). Waarom wordt deze hymne hier opgenomen? Uit welke situatie is de gemeente van Titus gered door wedergeboorte en vernieuwing?

Geordende gemeente, geordend geloof

Paulus schrijft Titus met drie hoofdstukjes geen lange brief. Alleen aan Filemon – ook al zo’n gehoorzaamheidstekst – kon hij met nog minder toe. Titus is een medewerker van Paulus (Galaten 2:1). Hij is op Kreta om de zaken in de gemeente te regelen (1:5). Uit de beschrijving van de organisatie van de gemeente met (Gr.:) presbuteroi, ‘oudsten, priesters’ (1:5) en een (Gr.:) episkopos, ‘opziener, bisschop’ (1:7) blijkt een zekere stabiliteit.

De richtlijnen die aangeven hoe deze ambtsdragers zich moeten gedragen, krijgen een vervolg in richtlijnen voor het leven van alle gemeenteleden. Ieder in de maatschappelijke of sociale rang waarin hij of zij geordend is. Achtereenvolgens oudere mannen, oudere en jongere vrouwen, jonge mannen en slaven (2:2-10). Bovendien moet de gemeente van Titus niet alleen naar de organisatie goed geregeld zijn, maar ook de inhoud van het geloof moet op orde zijn. Dwaalleraars moet de mond worden gesnoerd (1:10-2:1). Richtlijnen en regels heb je nodig als je het een langere tijd ergens moet uithouden. Zo werden de stammen van Israël geteld en gerangschikt in hun orde (Numeri 1-9). Om vervolgens op te breken en de tocht door de woestijn te kunnen gaan op weg naar het Beloofde Land.

Gods grensoverschrijdende trouw

In de hymne (Titus 3:4-7) worden verschillende eigenschappen of karaktertrekken aan God toegeschreven waarmee de beweging naar de redding in gang wordt gezet. Zijn ‘goedheid’ of ‘mildheid’ (Gr.: chrèstotès) en zijn ‘menslievendheid’ (Gr.: filanthroopia – 3:4). Even verder zijn ‘barmhartigheid’ (Gr.: eleos – 3:5) zijn de bronnen van waaruit God zijn redding openbaart. Je kunt hierin de vertaling van het Hebreeuwse chèsèd, ‘goedertierenheid’ horen. Datgene wat je doet om trouw te blijven aan het verbond dat je met iemand in het verleden hebt gesloten en aan de belofte die uit dat verbond voortvloeit. Zo bewijst Jonatan zijn trouw aan David door hem voor zijn moordzuchtige vader Saul te waarschuwen (1 Samuël 20). Zo blijft Ruth trouw aan Noömi door bij Boaz bescherming te zoeken (Ruth 3:10). Dankzij de trouw van God zelf wordt de mens gered.

Redding: van zelfzucht naar gemeenschap

Waarvan de mens door Gods trouw wordt gered, staat één vers voor onze perikoop. In Titus 3:3 staat de beschrijving van het leven waarvan degene die het bad der wedergeboorte heeft ondergaan, afscheid heeft genomen. In die oude toestand was men ‘onwetend’ (Gr.: anoètès) en ‘ongehoorzaam’ (Gr.: apeithès). Termen die in Tenach voor rebellie tegen God worden gebruikt, zoals in Numeri 20:10 bij het water bij Meriba. Men was ‘dwalend’ (Gr.: planoomenos) en slaaf van allerlei ‘begeerte’ (Gr.: epithumia) en ‘lust’ (Gr.: hèdonè). Dat maakte dat men elkaar wederzijds verafschuwde en haatte. Uit deze woorden kun je opmaken dat ieder probeerde zich groot te maken of te handhaven ten koste van de ander. De redding bestaat hierin dat men erfgenaam wordt in de hoop op eeuwig leven. Niet meer alleen of ten koste van elkaar, maar door Gods trouw in gemeenschap met anderen.

Erfgenamen van Gods belofte

Een van de verwijten van de oude profeten aan de laatste koningen van Juda was dat zij niet op zoek gingen naar wat verloren liep. Zoals de verbitterde mens Kaïn niet vroeg naar zijn broer, die het niet alleen redde, en daardoor zelf zwervend over de aarde moest gaan (Genesis 4:9-16), zo waren de laatste koningen van Juda geen herders die naar het volk dat verloren liep omkeken en daardoor zelf in ballingschap gingen (Jeremia 23:1-4). In Israël kan geen van de twaalf stammen, al is die nog zo klein, worden gemist om de volheid van Gods heerlijkheid te bereiken. Koninklijk was daarom Juda toen die voor zijn kleinste broer Benjamin in de bres sprong (Genesis 44:18-34).

Uit Juda, Betlehem, komt Jezus, die zijn leven geeft om daarmee de minste mens deelgenoot te maken van Gods heerlijkheid. De hymne in 3:4-7 is de lofzang op Gods genade die grenzeloos groot de mens die in zelfzucht verloren liep tot erfgenaam van zijn belofte maakt. Wees gerust gehoorzaam aan overheden en regeerders, want Gods heerlijkheid is verschenen tot redding van alle mensen.

Deze exegese is opgesteld door Dick Schoon .

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken