Een maatschappelijk ideaal
Alternatief bij 2e zondag na Trinitatis (Handelingen 6,1-7)
De situatie in Handelingen 6 past in het schema van Handelingen als geheel: door de werking van de Geest ontwikkelt de gemeente zich, onder meer door steeds nieuwe mensen te bereiken en in zich in te lijven. Daardoor komen er ook nieuwe uitdagingen. Deze uitdagingen vertalen zich in het verder doordenken en ontwikkelen van het zelfverstaan en de praktijk van de gemeente. In Handelingen 6 gaat het daarbij om verschillende taken in de gemeente en de nood van diverse gemeenteleden die zich vertaalt in een verdere ontwikkeling van de organisatie.
De spanning die in Handelingen 6 centraal staat, is die tussen verschillende groepen in de gemeente als het gaat om de zorg voor behoeftige gemeenteleden, met name weduwen. De beschrijving van deze spanning laat zien dat Handelingen zich de gemeente in Jeruzalem voorstelt als een meertalige, zelfs multiculturele, gemeenschap. Op dit punt in het verhaal bestaat zij nog wel uit gelovigen uit het volk Israël, maar dat zal in de komende hoofdstukken snel veranderen, met alle nieuwe spanningen en oplossingen die dat met zich meebrengt. Toch begint de notie dat wat de vroege kerk zou gaan heten ‘multicultureel’ is, niet pas met de ‘zending onder de volkeren’.
Dat multiculturele karakter is al met het volk Israël zelf gegeven. In Handelingen 6 laat dat karakter zich zien in de spanning tussen de Griekstaligen en de Hebreeuwssprekenden in de gemeente. De spanning komt echter niet door het verschil in taal en cultuur op zich, maar door verschillen in de zorg voor de weduwen in de gemeente, waarbij, zo is het verwijt, de Hebreeuwssprekende groep de Griekstalige groep achterstelt.
Apostolisch ambt
De oplossing die de gemeente hiervoor vindt, is een verdere uitbouw van de eigen organisatie: naast de twaalf apostelen komen nu ook zeven andere mannen. Ze staan in de traditie bekend als de zeven eerste diakenen, wat in het geval van Handelingen 6 niet helemaal terecht is: de term diakonos komt niet voor als functietitel. Wel komt het Griekse werkwoord diakonein voor (6,2, het bedienen/dienen aan de tafels) en het zelfstandig naamwoord diakonia (6,1, de ‘bediening’ van de weduwen; 6,4, de ‘bediening’ van het woord). Beide, de dienst van de (hier vooral charitatieve!) tafel en de dienst van het woord zijn dus diakonia. Het is niet zo dat de bediening van de tafel wel ‘diaconaal’ is en de bediening van het woord niet (als ministerium, het Latijnse equivalent van diakonia, vgl. de titel verbi divini minister die predikanten dragen).
Interessant is daarbij dat Handelingen de suggestie wekt dat beide diensten bij de ene dienst van de apostelen horen, die om primair praktische redenen tot een taakverdeling besluiten en wel met het oogmerk om beide ‘bedieningen’ volledig tot hun recht te laten komen. Beide zijn dan ook in gelijke mate spiritueel en praktisch – dat dit voor de nieuw ingevoerde bediening geldt, blijkt ook wel uit de handoplegging en gebedwaarmee de zeven op initiatief van de apostelen door en uit de gemeenschap gekozen mannen in hun nieuwe rol en dienst worden ingevoerd.
Omdat het bij de instelling van ‘de zeven’ vanuit het perspectief van Handelingen duidelijk om een duurzame structuur gaat, waarbij degenen die er invulling aan geven ook een symbolische rol vervullen door te belichamen waar ze voor staan (dat geldt tenminste in het geval van Stefanus, vgl. het vervolg in Handelingen 6 en 7), is het niet moeilijk om hier ook van een ambt te spreken. Dat dit ambt ‘apostolisch’ van karakter is, blijkt uit de relatie met de rol van de apostelen. Deze terminologie moet natuurlijk wel in de context van de eerste eeuw verstaan worden.
Gestalte van Gods nieuwe wereld
Reflectie over de rollen van mensen in deze tekst is nodig om valse tegenstellingen te vermijden. Maar wat dan onderbelicht kan raken, is de vanzelfsprekendheid waarmee het als een taak van de apostelen – en met hen van de gemeente – gezien wordt om voor de weduwen te zorgen en wel zo dat niemand tekortkomt. Deze vanzelfsprekendheid past bij het sterk ‘diaconale’ karakter van Handelingen als geheel, waarbij ‘diaconaal’ dan vooral betekent dat de leden van de gemeente ook in materieel opzicht verantwoordelijkheid voor elkaar nemen (en dat is iets anders dan een vorm van ‘bedeling’).
Op deze manier schetst Handelingen niet alleen een plaatje van een ideale kerk, maar vooral ook dat van een ideale maatschappij. De ‘kerk’ in Handelingen is namelijk meer dan een religieuze vereniging, het is de voorafschaduwing van Gods komende wereld. Dit ligt in het verlengde van Jezus’ verkondiging in woord en daad in het Evangelie volgens Lucas, waar Hij eveneens dat wat Hij als nabij verkondigde alvast gestalte gaf: Gods nieuwe wereld. De uitstorting van de Geest met Pinksteren staat in dit kader, net zoals ook de uitbreiding van het Godsvolk tot het alle volkeren insluit. De zorg die in de gemeenschap aan elkaar besteed wordt, is daarmee meer dan een passende bezigheid voor vrome mensen, of een vorm van werken van dankbaarheid die mensen doen vanwege dat wat God voor hen gedaan heeft: het is een maatschappelijk ideaal.
Kerkelijk diaconaal engagement, in zoverre het afgeleid wordt uit of zich oriënteert op Handelingen 6 als de tekst waarin de eerste diakenen zouden voorkomen, kan twee kanten op. Het kan zich aansluiten bij de gedachte dat binnen de gemeente het omzien naar elkaar tot een wezenlijke dimensie van het leven van de gemeenschap en de zorg ervoor behoort. Dat kan de reden zijn dat het ambtelijk zorgdragen ervoor als onderdeel van de apostolische bediening gezien wordt. Tegelijkertijd daagt de notie van de gemeenschap als eschatologisch Godsvolk en voorafschaduwing van een nieuwe wereld ook uit om dit omzien naar elkaar als maatschappelijk ideaal uit te dragen.
Deze exegese is opgesteld door Peter-Ben Smit.