Menu

Premium

Een onevenwichtige vertelling

Bij Marcus 11,1-11

Er zit een wonderlijke onevenwichtigheid in het verhaal van Marcus. De voorbereidingen voor de intocht nemen de verzen 1- beslag. Ongeveer tweederde van de woorden zijn dus nodig om te vertellen hoe Jezus op het veulen komt te zitten. Vervolgens vertellen vers 8-10 over de optocht naar de heilige stad, wat ongeveer een vijfde van de woorden kost. Luttele woorden zijn dan nog over om zijn intocht en de uittocht direct erna te vermelden. Voor ons gevoel eindigt Marcus nog voor hij zijn ‘punt’ heeft gemaakt.

Het doet denken aan een jeugdherinnering van Godfried Bomans, aan hoe hij en zijn broertjes misje speelden. ‘De predikatie werd door mijn jongste broer verzorgd. Hij kwam daarvoor apart uit de sacristie en liep recht naar een keukenstoel. Hier zakte hij op zijn hurken door en liep in cirkels om de stoel heen, daarbij steeds rechter wordend, tot hij in zijn volle lengte voor ons stond. Deze vondst verbeeldde de wenteltrap om de kansel en we zagen hem werkelijk stijgen. Hiermee was zijn repertoire ook uitgeput, want eenmaal op die stoel had hij niets te vertellen. Hij bleef een tijdje bekommerd rondkijken, gaf dan de zegen en wentelde weer langzaam naar beneden.’[1] Zowel hier als bij Marcus geldt: de weg erheen is van meer betekenis dan het arriveren zelf.

Jezus regelt vervoer

Jezus regelt zijn vervoer naar Jeruzalem nadrukkelijk. Marie van der Zeyde verwondert zich erover: ‘men ziet dat Jezus eigenlijk nooit plannen maakt. Hij improviseert. En hetgeen Hij improviseert, mislukt Hem nooit, – zie de wonderbare spijziging. Nu daarentegen ‘organiseert’ Hij. Hij neemt de maatregelen voor zijn eigen intocht in Jeruzalem’.[2]

De voorbereidingen voor de op-, in- en uittocht van Jezus zijn aanzienlijk en beslaan tweederde van de vertelling. De verzen 2-3 en 4-7 verhouden zich tot elkaar als opdracht en gehoorzaamheid, voorzegging en vervulling. Jezus gebiedt: Gaat heen – ‘en zij gingen heen’. Jezus zegt: Gij zult vinden – ‘en zij vonden een veulen’. Jezus zegt: Maakt het los – ‘en zij maakten het los’. Jezus zegt: Brengt het – ‘en zij brachten het tot Jezus’. De kritische vraag van de omstanders was eveneens door Jezus voorzegd; het gegeven antwoord had Hij zijn twee leerlingen in de mond gelegd. Het is volkomen duidelijk dat Jezus op een veulen zijn intocht in de heilige stad wil houden: het woord klinkt vier keer! Of Hij de feestelijke optocht ook wil, is niet duidelijk. Hij reageert niet op de stoffering van de weg met klederen en twijgen, noch op het geroep. Alleen dat Hij op een veulen wil zitten, is zonneklaar.

Veulen

Door deze nadruk op het veulen, kan ons de verwijzing naar Zacharia niet meer ontgaan. Matteüs en Johannes expliciteren deze verwijzing, Marcus laat haar impliciet. We lezen daar: ‘Verheug u zeer, gij dochter Sions! Juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde’ (Zach. 9,9-10, SV). Het is een ongerept, onervaren dier, als het ware gepredestineerd om Jezus te dragen. Marcus benadrukt deze ongereptheid als hij schrijft: ‘waarop geen mens gezeten heeft’. Dit dier staat ‘gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding’. Het staat bij de amfihodos, de beidewegen. Naastepad merkt hierbij op, dat het nog alle kanten op kan met het veulen.3[3] Het dier is nog niet in gebruik genomen, het staat gebonden te wezen (Mar. 11,2.4). De leerlingen moeten het losmaken (2.4.5) en in dienst nemen voor de koning.

Geen paarden

Jezus zit niet hoog te paard, maar zowat aan de grond op een ezelsveulen, geheel in lijn met David, de sjofele koning. Jezus is arm (Hebr.: ‘ani – Zach. 9,9). Dit woord komt terug in de plaatsnaam Betanië: ‘huis van de arme’. Jezus maakt een statement door dit dier te berijden. Hij bekritiseert hiermee de paarden die in Jeruzalem uitgeroeid zullen worden (Zach. 9,10!). Vertaald naar onze tijd: er zullen geen SUV’s meer over de aarde gaan. Ik las dat, wanneer je met deze kleinburgerlijke monstra in botsing komt, je zesmaal zoveel kans hebt op een dodelijke afloop als bij een botsing met een gewone personenauto. Auto’s zijn toch al ophopingen van PaardenKracht.

Jezus’ intocht in Jeruzalem is zo neutraal niet voor die stad van vrede die wemelt van paarden. Hij gaat de strijd ermee aan, maar niet op een paardachtige manier. ‘Vorstelijk hebt Gij gestreden / om de vrede’ (Gez. 97). Jezus strijdt niet alleen tegen de vijand, maar ook tegen diens strijdmiddelen. Hij toont aan dat de SUV’s der Levensbeschouwing slachtoffers maken, en dat hun inzittenden voor moord niet terugschrikken. De vering is zó goed, je voelt er haast niets van en rijdt getroost verder in je hoogwielige gemoedsrust, ‘breed op kussens van geloof’ (De Mérode). Maar bij dít slachtoffer blijkt dat niet zo gemakkelijk te gaan, Hij doet ons van ons onzalige paard vallen (Hand. 9,4).

Uitwijk naar Betanië

Kort nog iets over de verzen 7-11. Jezus reageert niet op de feestelijke optocht naar Jeruzalem. Hij keurt deze niet af, dat is alles. In elk geval klinken de woorden uit de Paaspsalm 118(,2526), een psalm die ook in 12,10 terugkomt, in een grimmiger context. Of de mensen begrijpen wat ze doen? Hoe dan ook, Jezus houdt ze niet tegen. Dan komt Hij in de tempel, inspecteert er alles en vertrekt weer naar het ‘huis der arme’, Betanië. Wat ziet Jezus op zijn inspectieronde in de tempel dat Hem noopt tóch maar niet te overnachten in dit huis? Dat staat verderop in Marcus.

Wellicht ook interessant

None

Studiemiddag op 4 juni naar aanleiding van publicatie ‘Gods slaafgemaakten’

De beroemde voormalige slaafgemaakte en abolitionist Frederick Douglass (1818-1895) was christen én buitengewoon kritisch op het christendom van vele slaveneigenaren in de Verenigde Staten. Die laatste vorm van christendom noemde hij “slaveholding religion” en die plaatste hij tegenover wat hij zag als het ‘echte christendom’ – de “Christianity of Christ”. In zijn recente boek Gods slaafgemaakten laat historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk zien dat beide interpretaties van het christendom eigenlijk altijd al aanwezig zijn geweest in de Bijbel en geschiedenis van het christendom.

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

Medische verrassingen in de Bijbel
Medische verrassingen in de Bijbel
None

Thema: Medische verrassingen in de Bijbel

In de Bijbel staat verrassend veel informatie over gezondheid en ziekte, vanuit het oude testament komen veel regels naar voren om ziekte en de verdere verspreiding van ziekte te voorkomen. Veel van deze regels zijn nog steeds actueel. Van oud-testamentische narcose tot het nut van de reinheidswetten. Tom Mikkers gaat in deze aflevering in gesprek met Alie Hoek-van Kooten die het boek Medische verrassingen in de Bijbel schreef. Zij gaat in het gesprek ook in op de manier waarop mensen in de Bijbelse tijden met ziekte omgingen en welke rol hun geloof daarin speelde. Een nieuwe invalshoek op bekende materie, toegankelijk en verrassend.

Nieuwe boeken